zaterdag 28 maart 2015
SELECTIEF JAGEN OP BEELDEN
OVER DE SCHILDERIJEN VAN JAN VAN DER POL
(fig. 1)
Vaak en lang heb ik met Jan van der Pol gesproken, maar pas in één van onze recente gesprekken begreep ik het echte karakter van zijn werk.1 Hierin toont hij meer of minder bewerkte aspecten van de buitenwereld; altijd gaat het echter om de veruiterlijking van zaken die reeds in zijn binnenwereld existeren. Vanaf zijn vroegste jeugd heeft hij beelden in zijn geest opgeslagen, afkomstig van indrukwekkende ervaringen, dromen en visioenen. Deze beelden willen wel naar buiten, maar zijn nog te persoonlijk van aard om werken op te leveren die ook voor anderen invoelbaar zijn. Daarom zoekt Jan van der Pol naar plaatsvervangers met een soortgelijke lading in de buitenwereld. Hier zijn even tragische, komische of wonderlijke zaken te vinden om tot een ‘beeldtaal’ te worden omgevormd die ook voor anderen van betekenis is.
Uit de verzamelde buitenbeelden ontstaan een soort ‘hiërogliefen’ die in verschillende werken steeds andere betekenissen kunnen aannemen. In principe lijkt het gebruik van beelden bij Jan van der Pol op de manier, waarop zich in de taal symbolen vormen. Ook daar staan uiterlijke tekens voor innerlijke ideeën en emoties. Maar terwijl in de taal willekeurige verbindingen uiteindelijk conventionele tekens worden, is hier van een persoonlijke symboliek sprake die op analogie is gebaseerd en naar believen gewijzigd kan worden.2 Zo komen substituten tot stand, waarop Jan van der Pol al gedurende zijn hele kunstenaarscarrière jaagt. Soms zijn deze jachtbuiten afkomstig uit de directe waarneming , soms zijn ze ontleend aan de televisie of andere media. Altijd gaat het echter om sterke motieven die de moeite waard zijn om als trofee bijeengebracht te worden. Zij zijn het die het ventiel openzetten voor de stroom indrukken, ervaringen en emoties, waardoor in dit oeuvre een specifieke wereld gestalte kan krijgen.
De schilderijen van Jan van der Pol, elk met een eigen visuele intensiteit, komen mij tegelijk vreemd en vertrouwd voor. Zij spreken mijn gevoel voor het tragische aan, verwerkt door een van het mijne iets afwijkend gemoed. Het is net of ik de uitgebeelde situaties eerder heb gezien, de afgebeelde mensen eerder heb ontmoet; in wakende of dromende toestand. Deze wereld lijkt scheef, vertrokken en ondanks de vaak duidelijke contouren, enigszins vervaagd. Een ijzeren orde wedijvert hier met een scheve chaos, een stevige lichamelijkheid met de platheid van het doek en een virtuositeit met de gaucherie van het handschrift. Ook komt dit werk mij vertrouwd voor, doordat ik voortdurend elementen uit de westerse schilderkunst erin meen te ontwaren. Maar Jan van der Pol heeft een ‘scheve verhouding’ met deze traditie. Hoewel hij vormen en genres eruit gebruikt, is de traditie voor hem nooit helemaal bevredigend. In zijn werk moet alles “net iets anders” dan bij zijn voorgangers.3 Vanwege deze dubbelheden en ‘verbuigingen’ zijn de schilderijen niet gemakkelijk in de omgang.
Ook al was ik bij de kennismaking met dit werk direct door de kracht ervan geboeid, het kostte mij veel tijd voordat ik, zowel formeel als inhoudelijk, een toegang ertoe had gevonden. Op het gevaar af dat ik het werk in puzzelstukjes uit elkaar haal, wil ik hier eerst de belangrijkste iconografische motieven en de manier van schilderen bespreken, om te tonen hoe ik stap voor stap dichterbij kwam.4 Daarna zal ik een poging wagen om dit oeuvre in zijn geheel te karakteriseren.
RASTERS EN BOLLEN
De wereld in het werk van Jan van der Pol komt op het eerste gezicht over als een encyclopedie. Net als de reliëfs op de gevels van middeleeuwse kathedralen is bijna elk schilderij geordend volgens horizontale en verticale registers, waarbinnen verschillende motieven hun plaats vinden. De overeenkomst met de gevels van kathedralen is echter slechts een formele. Want terwijl daar Gods onveranderlijke orde in steen werd vastgelegd, gaat het hier om een persoonlijke wereld van een kunstenaar, samengesteld uit fragmenten die in elke nieuwe context een andere betekenis kunnen aannemen.
(fig. 2)
Wel komen er opvallend vaak rasters en hokjes voor in het werk van Jan van der Pol. Nu is dit kenmerkend voor veel 20ste eeuwse kunst, waar ze naar de ideale geometrische orde verwijzen, zoals bijvoorbeeld bij Piet Mondriaan. Bij Jan van der Pol vervullen ze echter een meer pragmatische functie; ze zorgen voor een ‘opbergsysteem’, zoals de kunstenaar dat in de entomologische boeken van zijn vader toegepast zag. De rasters ontstaan vanuit geschilderde lijnen en zijn dus altijd beweeglijk, toch komen ze in zowel strakkere als meer gegroeide varianten voor. Soms vullen ze de lucht, dan weer de grond van een landschappelijk beeld of een gevel en nemen dan respectievelijk de betekenis aan van atmosfeer, bestrating of ramen. Soms zijn ze aangebracht om de schilderkunstige ruimte af te vlakken, deze te ordenen, dan weer ondersteunen ze als balken of sokkels voorstellingen. Ook kunnen ze als lianen een portret overwoekeren of kruispunten vormen van weefsels, waarbinnen losse ledematen rondzwerven. De functie van rasters en hokjes varieert van ordenend, opvullend tot betekenisvol element. Vooral de platheid die door de rasters benadrukt wordt, is zeer belangrijk voor de kunstenaar. Het valk biedt hem namelijk de ruimte om zijn heterogene motieven in nieuwe eenheden samen te vlechten.
(fig. 3)
Behalve dat de rasters een voortdurende inhoudelijke transformatie ondergaan, wordt hun familie in sommige schilderijen ook uitgebreid tot grotere hokjes en volledige kaders. Kaders kunnen als deuren functioneren en herbergen dan een staande mannenfiguur, of ze dienen als meervoudige lijsten voor portretten. De ordening van die lijsten is per schilderij verschillend. Een werk kan regelmatig in twee, vier en zes kaders ingedeeld zijn, waarin menselijke bustes op sokkels zijn opgesteld. Er zijn echter ook werken met zeer vele kaders in verschillende maten, waarbinnen mensfiguren, portretten, landschappen en torso’s voorkomen. Af en toe bevatten de kaders en vakjes op hun beurt zelf weer kleinere rasters, bollen en kruisen, alsof de kunstenaar zich even aan een solospel boter, kaas en eieren heeft overgegeven.5 De opeenstapeling aan vormen en beelden die zo ontstaat, doet een liefde voor verzamelen vermoeden, nog voordat de beschouwer weet dan Jan van der Pol een verwoed verzamelaar is. Hij collectioneert naast Afrikaanse kunst, waarvan hij de archaïsche vormen bewondert, ook werk van hedendaagse kunstenaars bij wie hij een aan het zijne verwante mentaliteit herkent.
Een belangrijk motief dat in combinatie met de rasters of apart voorkomt, is de bol of de eivorm. In een schilderij kan het bollen regenen; ze spatten als veelkleurige zonnevlekken uiteen en omgeven mensfiguren. Vele zonnen, keurig geordend, schijnen in de lucht, sommige zelfs in een hardgroene kleur. Maar de bollen kunnen ook transformeren in ogen die uit het schilderij staren. Nu heeft de herinterpretatie van eerder gebruikte motieven in dit oeuvre altijd een duidelijke aanleiding. Hier was dat een 19de eeuwse ‘oogziektedoosje’ met glazen ogen dat de kunstenaar in 1996 in Museum Boerhaave te Leiden zag. Hoe deze motieven ook getransformeerd worden,
ze kennen een soort logica, omdat ze duidelijk met optische verschijnselen te maken hebben. De bollen verwijzen naar vlekken die wij als nabeelden kennen of kunnen ‘zien’ als wij op onze gesloten oogleden drukken. Jan van der Pol heeft zich altijd voor dergelijke optische verschijnselen geïnteresseerd. Hij combineert ze met verwante hallucinatoire beelden die synesthetische vermengingen van auditieve en visuele ervaringen bevatten en uit zijn jeugd stammen.
MENSEN VERZAMELEN
Zoals Jan van der Pol hedendaagse kunstwerken en etnografica verzamelt, zo brengt hij vanaf het begin van zijn kunstenaarsloopbaan in zijn werk mensfiguren bijeen. Zijn ‘verzameling mensen’ is inmiddels zeer uitgebreid.6 In het vroege werk (1981-1982) kwam een mannenfiguur voor, van opzij en enigszins schematisch weergegeven, zodat hij op een Griekse kouros lijkt. Hij staat in een landschap of beweegt zich er traag doorheen; soms bevindt hij zich in een desolate woestijn. Een variant van deze figuur is de ‘jongeling’ in een kader, ten voeten uit of tot aan zijn kruis afgebeeld. Deze figuur is vaak omgeven door een grote hoeveelheid maskerachtige koppen, waarvan hij door zijn kader wordt afgeschermd. Hij is naakt, gespierd en neemt dikwijls een karakteristieke houding aan, waarbij hij met zijn gebogen rechterarm zijn linker bovenarm omvat.
Een andere figuur ten voeten uit, van voren en van achteren gezien, komt vanaf 1992 veel voor op tweeluiken. Eerst waren het uitsluitend mannenfiguren, ontleend aan foto’s van Eadweard Muybridge. Vanaf 1992 zijn er ook tweeluiken met vrouwen bijgekomen, waarvoor meestal een model heeft geposeerd.7 Toch zijn dit geen portretten. Deze figuren staan niet voor individuen, maar voor de mens in het algemeen en hebben, volgens de kunstenaar, “een ‘ecce homo’ achtige kwaliteit”. Hun houding is ontspannen, hun anatomie is door de penseelstreek verhevigd, de rondingen van de vrouwen zijn liefdevol vormgegeven. Zij strekken hun armen horizontaal uit in een gebaar dat zowel ontvankelijkheid als afweer kan uitdrukken, iets wat aan soortgelijke houdingen van prehistorische of ‘primitieve’ beelden doet denken. De hierbij horende religieuze connotaties gelden echter niet voor de figuren van Jan van der Pol. Hij heeft bewust voor een pose bij Muybridge gekozen om de associatie met de gekruisigde tegen te gaan.
Losse koppen komen in dit werk eveneens veelvuldig voor. Als bij een vlinderverzameling zijn ze, elk in zijn eigen hokje, regelmatig ‘opgeprikt’.8 De verzonnen koppen met hun maskerachtig uiterlijk zijn net als portretten uit de Romeinse tijd en de Renaissance bij hun nek of bij hun oksels afgesneden en op sokkels geplaatst. Een bijzondere kop is die van de ‘omhoog kijkende man’ wiens hoofd en nek bijna negentig graden met elkaar vormen. Deze figuur is de kunstenaar bijgebleven, nadat hij in Toscane mensen naar plafondschilderingen in kerken zag kijken. “De opgeheven keel en de neus als een omhoogstekend zeil” ervoer de kunstenaar als een “kwetsbare positie” die het hem mogelijk maakte om een bijzonder aspect van zijn visie op mensen te realiseren. Koppen die mensentypen voorstellen vinden hun pendant in echte portretten van vrienden en kennissen van Jan van der Pol. Zij komen in de schilderijen terecht als hun gezichtstrekken perfect in een configuratie passen. Dan fungeren zij als een puzzelstukje dat op zijn plaats valt in het geheel van een beeld. Deze kennissenkring wordt verder uitgebreid met portretten gevonden in tijdschriften en afgeleid van foto’s die de kunstenaar vanaf de televisie maakt.
(fig. 4)
De trekken van de afgebeelde personen komen soms verwrongen, soms puntgaaf uit de bewogen penseelstreken tevoorschijn. Van een afstand gezien, hebben deze mensen een karakteristieke blik. Dichterbij gekomen is echter te zien dat hun oogkassen met kleur gevuld zijn of onduidelijke, vaak spiraalvormige irissen bevatten. De kunstenaar kijkt namelijk niet naar de ogen van personen, maar er langs heen en neemt zo tegelijk de mens en diens omgeving waar. Hij is niet echt geïnteresseerd in de psychische gesteldheden van de geportretteerden; eerder zoekt hij bij iemand naar een uitdrukking die verwant is aan een indruk of emotie van hemzelf. Net als bij de koppen, gaat het bij de mensfiguren en portetten dus om types: specimina binnen de ‘mensenverzameling’ van Jan van der Pol. Dit wordt nog benadrukt door de manier waarop de driedimensionale lichamen en portretten in de ruimte zijn gesitueerd. Een enkele keer hebben zij een schematische landschappelijke achtergrond, meestal zijn ze echter tegen een monochroom of van rasters en bollen voorzien fond geplaatst. Hierdoor wordt de lichamelijkheid, die zich in dit werk sterk opdringt, gerelativeerd en blijven de mensen aan de oppervlakte van het schilderij verankerd.
Het idee van ‘mensen als motief’ is misschien het meest uitgesproken bij de losse lichaamsdelen die zich in sommige schilderijen bevinden. Een vrouwentorso en losse armen en benen zijn vaak ingekaderd of als prooien van een spin in een web van lijnen gevangen. Ze zouden het ergste doen vermoeden, als we niet wisten dat ze eveneens ontleend zijn aan visuele indrukken, zoals de exclusieve aandacht voor het ‘belangrijkste’ deel van een vrouwenlichaam of het plotseling zien van één van je eigen ledematen los van je lichaam. Dit zijn dus ook buitenbeelden die voor de kunstenaar als equivalenten functioneren voor eerder opgedane sensaties. Want hoewel Jan van der Pol een verzamelaar is, brengt hij ook menselijke onderdelen niet bijeen om een reeds bestaande orde te laten zien. Hij redt de losse fragmenten als het ware om daarmee een nieuwe samenhang in zijn werk tot stand te brengen.9
ARCHITECTUUR EN LANDSCHAP
Nog meer dan bij de mensfiguren blijkt de vermenging van binnen- en buitenbeelden in de landschappen en architecturale motieven van Jan van der Pol. Vanaf 1979 maakte hij composities die hij “stadslandschappen” noemt. De aanleiding hiervoor vond de kunstenaar in de afbraak van huizen bij de bouw van de metro te Amserdam.10 Deze stadslandschappen beelden echter niet letterlijk de toenmalige situaties af. Het zijn donkere, bijna bloedige kloven met resten architectuur, waarin de sensatie van een explosie door flamboyante penseelstreken wordt benadrukt. Iets later, vanaf 1981, volgen de landschappen die op zich weinig gearticuleerd zijn, maar die soms een diepe kuil gecombineerd met een mensfiguur of een plastiek bevatten.11 Als mens, kuil en het sculptuur van een zittende figuur bij elkaar zijn gebracht, levert dit zeer dramatische beelden op. De kuil lijkt dan het toekomstige graf en de sculptuur de stenen vereeuwiging van de in het schilderij aanwezige mens te worden.
(fig. 5)
In het oeuvre van Jan van der Pol zijn er enkele werken die alleen architectuur of alleen een landschap tonen, maar in de meeste schilderijen zijn beide aanwezig. Een pregnant architecturaal motief vormt de steenfabriek die de kunstenaar in 1992 in zuid Frankrijk heeft gezien. Het gebouw kan als silhouet aan de horizon verschijnen, maar ook zijn binnenplaats kan worden getoond. De vele openingen voor het afkoelen van stenen zijn dan gecombineerd met een hoge schoorsteen, waardoor het gebouw aan een crematorium doet denken. Dit beeld is verwant aan de appèlplaats van het concentratiekamp in Dachau, die vanaf 1984 in het werk figureert, en aan het gevangenenkamp in de Oeral, dat in 1990 als motief in het werk van de kunstenaar opdook.12 Hoe neerdrukkend deze beelden ook zijn, er is in bijna al deze schilderijen een open stuk, een soort luikje aangebracht, om aan de benauwde omgeving te kunnen ontsnappen.
Jan van der Pol associeert en combineert deze beladen architecturale motieven met gebouwen uit zijn jeugd, zoals de hoge schoorstenen van de ketelhuizen en de rijen kassen in Aalsmeer. De reeks schilderijen Aalsmeer Revisited, beginnend in 1996, toont deze landschappen met de moddersloot, de troosteloze rijen kassen en de schoorstenen, ingeklemd tussen monochrome kleurbalken aan de onder- en bovenzijde van de schilderijen.13 Dergelijke herinneringsbeelden zijn scherp en vaag tegelijk. Soms bevat zo’n schilderij een lege plek, alsof daar een gat in het geheugen van de kunstenaar is gevallen.
Naast de complete landschappen, die uit de directe ervaring voortkomen of aan televisiebeelden zijn ontleend, zijn er ook losse landschappelijke elementen die steeds in andere configuraties geplaatst kunnen worden. De meest pregnante hiervan is een reeks hoge bergen die als stèles uit het landschap omhoog rijzen.14 Ze kunnen gecombineerd zijn met losse koppen of met de omhoog kijkende man. Vaak gaan ze ook vergezeld van ronde of langwerpige wolken die als stenen uit de lucht lijken te vallen. Dergelijke motieven zijn spectaculair, maar nog indrukwekkender zijn andere, ogenschijnlijk weinig zeggende elementen in de landschappen van Jan van der Pol. Een perspectivisch toelopende weg, zo zwaar in de verf gezet dat hij als een driehoek overeind gaat staan, blijkt een onvergetelijk beeld te worden. En een bosrand met huizen aan de horizon, zonder een al te geaccentueerde contour, blijft op het netvlies hangen, omdat hij correspondeert met bekende beelden, zoals die vanuit een rijdende trein te zien zijn.
Ook al komen dergelijke motieven overeen met directe waarnemingen, een schuine zwarte band over sommige werken verraadt hun herkomst: foto’s die de kunstenaar vanaf de televisie maakte. Of ze nu werkelijk geziene en aan de media ontleende buitenbeelden of meer de binnenbeelden volgen, de landschappen van Jan van der Pol zijn altijd indrukwekkend. Zij roepen herinnerde landschappen op en het is dan niet moeilijk om de wereld met de ogen van de kunstenaar te zien.
ONHANDIGE HANDIGHEID
Tot nu toe werd hier het iconografische repertoire van Jan van der Pol beschreven. Nu wil ik zijn schilderstijl en zijn opvallende compositieprincipes aan de orde stellen. Al eerder noemde ik de dubbele werking van lichamelijkheid en platheid. Ondanks dat de kunstenaar in zijn landschappen en bij zijn gebouwen perspectief gebruikt en de mensen voorziet van huid en spieren, is het onmogelijk om in zijn schilderijen rond te dwalen en de lichamen als levensecht te ervaren. Overal is er een soort platheid aanwezig, nog benadrukt door de stevige textuur van de verf, de ‘all over’ bewerking van het doek en de rasterachtige verdelingen. De rasters en bollen doen niet decoratief aan, omdat zij dezelfde materialiteit hebben als de rest van de voorstellingen. Dit ligt voor de hand, aangezien we met olieverfschilderijen te maken hebben. Er wordt hier echter ook geen suggestie opgeroepen van een verfijnde stofuitdrukking. Alles blijft in het vlak en is aan elkaar geklonken tot een sprekend visueel rijm door de ietwat draderige penseelstreken. Deze passen zich enigszins aan bij het te schilderen motief, maar ze volgen vooral het handschrift en het temperament van de kunstenaar.
Zwart en wit zijn in alle schilderijen veelvuldig te vinden en verraden de blik van de tekenaar en graficus die Jan van der Pol ook is.15 Zij kunnen aaneen gevlochten zijn tot verschillende tekenachtige en schilderachtige grijzen of als een dikke, grijze balk verschijnen, opgebracht in een dekkende plak verf. Dichterbij de grijze partijen gekomen, schemeren stukjes van de felgekleurde ondergrond door.16 En de grijze strepen nemen ook restjes van andere kleuren met zich mee, vanwege de techniek van het nat in nat schilderen. Wat uit de verte een bijna saai, grijs vlak leek, blijkt van nabij een iriserende massa. De oppervlakte van de schilderijen van Jan van der Pol is als een ademende huid die pas van dichtbij zijn schoonheid echt prijs geeft. Vrij strenge, grijze partijen worden tegengesproken door felle, primaire velden die als achtergrond of als kleurbalk dienen. Ze zijn net als de meer tekenachtige delen opgebouwd met behulp van in ritme wisselende penseelstreken. De stroefheid van sommige van deze bewegingen, vergezeld door een soort onhandigheid, is kenmerkend voor het handschrift van de kunstenaar.
Nu is Jan van der Pol verre van onhandig. Hij is een zeer kundige schilder die trefzeker te werk gaat. Maar hij laat de lijnen krom lopen als ze buiten zijn macht komen en geeft toe aan de natuurlijke beweging van zijn hand, zonder deze al teveel te corrigeren. Hoewel de schilderijen rijk en sensueel ogen door de dikte van de verf, hebben we hier niet met een kunstenaar te maken die de beschouwer met zijn verfopbreng wil verleiden. Jan van der Pol houdt zijn techniek zo eenvoudig mogelijk. Zijn penseelstreek is direct, zijn stijl is ongekunsteld, maar de werken zijn altijd geladen met een nerveuze spanning. Want dit is een schilderkunst die het eigen lichaamsritme van de kunstenaar volgt en vooral aan zijn gevoel voor vitaliteit moet voldoen.
Hoe de op- en neergaande ritmes van dit temperament zich in het werk ook opdringen, klaarblijkelijk wordt er eveneens naar beheersing en evenwicht gezocht. Elk schilderij vormt een netwerk van elementen dat door de kunstenaar pas als geslaagd wordt beschouwd als alle delen in een precair evenwicht verkeren.17 Zware en lichte motieven, donkere en lichte kleuren, gladde en gestructureerde vlakken worden ingenieus in elkaar gestoken door ze als het ware visueel te meten en te wegen. Deze stevige ‘bouwprincipes’ zorgen ervoor dat motieven van zeer verschillende aard en ruimtelijkheid als vanzelfsprekend bij elkaar lijken te horen. Zo kan een landschap boven een figuur zijn geplaatst, kunnen mensen zich in de lucht staande houden, vindt een eenzame gestalte visuele verankering in het geheel van de compositie en krijgen ook zwevende gezichten een duidelijke plaats. In al het werk van Jan van der Pol heerst er een soort onverzettelijkheid die erop wijst dat het zo moet zijn en niet anders.
EEN TRAGIKOMISCH UNIVERSUM
Door een selectie uit het iconografisch materiaal binnen de nieuwe visuele intensiteit van een werk telkens anders te ‘vermengen’, realiseert Jan van der Pol een stukje van zijn speciale wereld. Op het eerste gezicht lijkt dit geen vrolijk geheel. De vele grijze vlakken, samen met de dikke verfopbreng en de wat stroeve penseelstreken, komen als zwaar en ook als zwaarmoedig over. De geportretteerden staren obsessief uit de schilderijen naar de beschouwer. Hun uitdrukking grenst vaak aan het norse en sommigen zien er zelfs nogal gestoord uit, alsof zij in hun eigen lichamelijkheid en omgeving gevangen gezet zijn, getekend door het soort leven dat ze geleid hebben. In sommige werken komen afgesneden, verstrooide lichaamsdelen en maskerachtige koppen samen voor met naargeestige kamparchitectuur en desolate landschappen.
Het is dan ook duidelijk dat Jan van der Pol veel gevoel heeft voor het tragische van het bestaan. Mensen zijn waarschijnlijk de enige wezens die besef hebben van hun eigen sterfelijkheid. Zij kunnen plannen maken voor de toekomst, maar wat voor hen ligt niet overzien en beheersen. Vele van hun goede bedoelingen verkeren hierdoor in het tegendeel of lossen in het niets op. In principe kunnen mensen door hun redelijkheid nee zeggen tegen aspecten van het leven, toch moeten zij steeds weer erkennen dat begeerten hun eigenlijke drijfveren vormen. Als zelfbewuste individuen willen zij hun leven bepalen, desondanks zijn zij op anderen aangewezen. Voor dergelijke wezens moet het leven een hele opgave zijn.
(fig. 6)
Hoewel er een indruk van individuele tragiek uit sommige schilderijen van Jan van der Pol spreekt, is dit niet echt zijn bedoeling. Het besef van de wankele kanten van de menselijke existentie doortrekt echter wel al zijn werk. Naar zijn zeggen begrijpt hij niets van het bestaan, maar hij snapt ook niet dat het op een gegeven dag zomaar kan ophouden. Toch lijkt de kunstenaar hier niet echt onder te lijden. Eerder neemt hij afstand, kijkt hij bijna verbijsterd naar zijn eigen ervaringen en alles wat hij in de wereld aantreft. Aangestuurd door de reeds opgedane binnenbeelden, verzamelt hij brokstukken van alles wat hem verwondert. Hoeveel verschillende vormen kunnen zintuiglijke indrukken wel aannemen! Wat een merkwaardige omgevingen en situaties bestaan er! Hoe is het toch mogelijk dat mensen en dingen er zo kunnen uitzien en zich zo kunnen gedragen! Dergelijke overwegingen vermengen zich met de voornaamste existentiële vraag: hoe bestaat het dat mensen met zo weinig inzicht in hun situatie toch een leven kunnen volvoeren?
Naast het sterke bewustzijn van het tragische bij Jan van der Pol is er ook een gevoel voor het komische als complement en spiegel voor de smartelijke aspecten van het leven. Want mensen en situaties doen zich vaak zo bizar aan hem voor, dat dwars door het tragische er een lach begint op te borrelen. Het lijkt hierbij te gaan om de dubbele vraag: is deze wereld om te huilen zo triest of kun je beter lachen om al die dwaasheid?18 De vaak felle, zelfs lelijke kleuren en de speelsheid van de abstracte motieven doen mee aan het effect van het komische in dit werk.19
Dit is nu de wereld die Jan van der Pol kan maken. In deze precieze ordening en dit vreemde evenwicht kan hij de binnenbeelden in zijn werk laten spreken en zo zijn levensgevoel tonen. Daarom jaagt hij steeds selectief op buitenbeelden en combineert hij heterogene motieven binnen zijn eigen tragikomisch universum. Zij kunnen als hiërogliefen gebruikt worden om al zijn ervaringen, dromen en visioenen in schilderijen te laten neerslaan. Maar vooral bieden zij vormen voor de niet aflatende verwondering van de kunstenaar over dit merkwaardige bestaan in deze bizarre wereld die anderen voor de normale werkelijkheid houden.
KATALIN HERZOG
NOTEN
1. Vanaf 1995 heb ik verschillende interviews met Jan van der Pol gehouden en ook in vele, meer informele gesprekken informatie over zijn werk en denken vergaard.
2. In de taal staat iets altijd voor iets anders (behalve bij onomatopeeën). Hierin komt het symboolgebruik overeen met die van Jan van der Pol, maar in een ander opzicht wijkt het juist af. De verhouding van symbolen tot waarnaar ze verwijzen, is in de taal arbitrair, terwijl in beelden er een iconische relatie kan bestaan tussen tekens en waarnaar ze verwijzen. Het willekeurige verband in de taal wordt door algemene conventies bevestigt, waardoor de gebruiksmogelijkheden van taaltekens beperkt worden.
3. Zelfs met het werk van door de kunstenaar bewonderde schilders als Edvard Munch en Francis Bacon vertoont dit oeuvre geen duidelijke overeenkomsten. Dat het werk van Jan van der Pol niet in een duidelijke stroming pat, heeft ermee te maken dat hij de klassiek of expressionistisch ogende elementen niet om hun stilistische kenmerken, maar om hun uitdrukkingskracht kiest. Hij weegt ze tegen elkaar af om zo de speciale visuele intensiteit van elk werk vorm te geven.
4. Tot de hier gevolgde benadering werd ik geïnspireerd door een artikel van Ronald Barthes, waarin hij het werk van Cy Twombly op soortgelijke wijze benadert. Zie R. Barthes, ‘Cy Twombly: Works on paper’, in: The Responsibility of Forms, Berkeley en Los Angeles 1985, pp. 157-176.
5. In een interview van 2. 5. 1996 vertelde Jan van der Pol mij dat hij soms letterlijk met zo’n spel begint als hij wel weet wat de visuele intensiteit van een schilderij moet worden, maar nog niet voldoende motieven voor de compositie ervan heeft vergaard.
6. De ‘mensenverzameling’ is ook letterlijk op te vatten, daar de kunstenaar vele foto’s van mensen in een ladekast op zijn atelier bewaart. Deze worden regelmatig geraadpleegd bij de compositie van zijn schilderijen.
7. Levende modellen gebruikt Jan van der Pol eveneens als substituten voor binnenbeelden.
8. De ordening van de entomoloog wordt hier niet als esthetisch compositieprincipe gebruikt, maar is ingegeven door de noodzaak om vele motieven, zonder een achtergrond, een plaats te geven.
9. Het werk van Jan van der Pol bevat vele metonymieën, fragmenten van gehelen, met behulp waarvan hij als de ‘allegoricus’ van Walter Bejamin en nog niet ontdekte samenhang op het spoor tracht te komen. Benjamin werkte het begrip van de allegoricus uit in: Ursprung des deutschen Trauerspiels, Berlijn 1928.
10. De kunstenaar had toen een atelier in de buurt van de Weesperstraat te Amsterdam en kon de afbraak en de opbouw van nabij volgen.
11. Het beeld dat Jan van der Pol voor de plastiek gebruikt, is afkomstig van een 30 cm hoge bronsplastiek van een vriend van hem. Dit beeldje vormde het equivalent voor de dolmen die de kunstenaar in Bretagne zag en die zich maar niet als motief in zijn schilderijen wilden volgen.
12. Zowel de appèlplaats van Dachau als het Russische gevangenenkamp zijn afkomstig van televisiebeelden. De kunstenaar aarzelde eerst om deze beelden in zijn repertoire op te nemen, vanwege hun hevige inhoudelijke lading en hun ‘literair’ karakter.
13. De serie Aalsmeer Revisited bestaat tot nu toe uit elf verwante schilderijen en is nog niet afgesloten. De werken tonen elementen van herinneringen aan de kwekerij van de vader van de kunstenaar. Dit is tevens een serie met een titel, terwijl voor 1996 de werken van Jan van der Pol geen titels droegen.
14. Hoewel de hoge bergen aan Chinese landschappen doen denken, ontstonden ze op het atelier toen de kunstenaar een beetje schuin naar één van zijn eigen schilderijen keek, waarop een zacht glooiende heuvelrug was afgebeeld. De perspectivische vertekening zorgde voor de gezochte spanning van het motief.
15. De schilderijen worden gecomplementeerd door tekeningen, aquarellen en grafiek: etsen, litho’s en linoleumsneden.
16. Alle schilderijen worden gemaakt op met acryl gegrond doek dat de kunstenaar kant en klaar koopt. Over deze witte grond brengt hij eveneens met acryl vlakken aan in helder rood, groen of fel paars. Deze eerste laag vormt al een schilderij, maar moet met olieverf ‘overgeschilderd’ worden om een tweede laag te verkrijgen, waarop betekenissen zich kunnen manifesteren.
17. Een schilderij vindt bij Jan van der Pol meestal pas geleidelijk zijn definitieve compositie. Een opzet kan geheel vervangen worden door een nieuwe, een hoofdmotief kan een paar keer over het doek naar verschillende plaatsen verschuiven, totdat het gezochte evenwicht bereikt is. Gebeurt dit niet, dan wordt de verfmaterie afgekrabd en zolang als een leverkleurige plak verf in plastic bewaard, totdat juist die kleur uitkomst biedt in een schilderij.
18. In de schilderkunst uit de Renaissance en de Barok kwam een analoge gedachtegang voor. Het filosofenpaar Demokritus en Heraklitus vertegenwoordigde respectievelijk de komische en de tragische visie op het menselijk bestaan. Zie: J. Hall, Dictionary of Subjects & Symbols, New York 1974, pp. 97-98.
19. Een lelijke, bijna misselijk makende, kleur kan de lachlust van de kunstenaar opwekken. Als hij het hilarische in zijn werk een plaats wil geven, past hij vaak een “liederlijke” kleur toe.
Illustraties:
De hier opgenomen schilderijen zijn van later datum dan het artikel. Toch zijn ze alle herkenbaar als onderdelen van het zelfde oeuvre, waarvan een deel in dit artikel beschreven is.
fig.1. Tentoonstellingsoverzicht 'Hersengymnastiek' in De Remise, 2000, Amsterdam.
fig.2. Migraine, 2008, olieverf op doek, 65 x 80 cm.
fig 3. Catastrofe, 2002, olieverf op doek, 200 x 160 cm.
fig 4. Nog geen titel, 2014, olieverf op doek, 190 x 150 cm.
fig 5. The Leap, 2015, olieverf op doek, 200 x 160 cm.
fig 6. Leisure, 2008, olieverf op doek, 200 x 160 cm.
KATALIN HERZOG
Dit artikel werd in 1999 gepubliceerd in de catalogus JANVANDERPOL, uitgegeven door Galerie Nouvelle Images te Den Haag en Wetering Galerie te Amsterdam. De oorspronkelijke tekst is lichtjes bijgewerkt, zonder inhoudelijke veranderingen aan te brengen.
................................................................................................................................
SIMULTANE WERELDEN
in het recente werk van Jan van der Pol
“Het hoofdthema van mijn werk behelst een ethische verhouding tot de wereld, die het werk probeert te formuleren, te visualiseren. Om dit beeld, voor mij in eerste instantie, zichtbaar te maken, gebruik ik elke truc uit het boek van de kunst, elke stilistische mogelijkheid, elke retorische benadering, die ik tegenkom en actief zoek. Ook allerlei absurditeiten moet ik laten passeren en overdenken om in de buurt van mijn doel te geraken. Dat doel is het begrijpen van mijn bestaan, dat ik waarschijnlijk niet kan bereiken. Als ik het al zou bereiken, zou ik het waarschijnlijk niet herkennen.” (Jan van der Pol, Nachtboek–Nachtwereld, p. 32.)
Met deze woorden laat Jan van der Pol in 2012 aan zijn vriend en collega-kunstenaar Àkos Birkàs weten waar zijn werk over gaat en wat het doel ervan is. Hoe mooi hij dit echter ook verwoordt, het is evident dat zijn woorden en beelden bij elkaar horen en dat er dus voor een goed begrip van zijn werk beide op elkaar betrokken moeten worden. Nu is het oeuvre van Jan van der Pol zeer omvangrijk en technisch veelsoortig; zowel schilderijen, tekeningen, grafiek als fotocollages behoren ertoe. Alle werken horen duidelijk bij elkaar, maar sommige betekenissen zijn in de loop der tijd verschoven en er hebben zich ook technische en formele ontwikkelingen voorgedaan, waarvan meerdere al in artikelen behandeld zijn. Één van die ontwikkelingen, die nog niet beschreven is, betreft de intrede van de collage in 2009. Dit biedt mij de gelegenheid om na te gaan hoe het met de overeenkomsten en verschillen tussenschilderijen en collages in de periode van 2009 tot nu gesteld is en hoe de uitgangspunten van de kunstenaar met deze werken samenhangen. Als kennismaking met deze periode zal ik hier één schilderij, namelijk A New Day uit 2015 *, beschrijven waarbij ik de formele aspecten in verband breng met de betekenissen van de samenstellende beelden en alvast de weg effenen voor een interpretatie. Daarna zal ik antwoorden trachten te vinden op mijn vragen om tenslotte met een algemene karakterisering van werk en denken van Jan van der Pol te eindigen.
Het schilderij A New Day waaraan het project van Jan van der Pol, Een Nieuwe Dag, zijn titel ontleent, heeft een verticaal formaat en vertoont drie horizontale registers van afnemende breedten. In het bovenste register komt een grote, diep-roze zon op in de melkachtig blauwe lucht. Het landschap eronder wordt gevormd door een gebouw en een groep donkerblauwe bomen waarin roze lichtjes schijnen. De horizon, evenwijdig aan de korte kant van het schilderij, is strak en tekent zich scherp af waardoor het lijkt alsof de zon een apart, strak register heeft gekregen. Alle andere horizontale scheidslijnen lopen lichtjes naar rechts af. De dichtheid van de voorstelling neemt toe in het tweede register dat in een mengeling van blauw, grijs en roze een oorlogsgebied toont waarin een soldaat een gewonde kameraad voortsleept. En het werk sluit af met een puur schilderkunstige strook, zonder voorstelling.
Alle voorstellende elementen in dit schilderij zijn aan fotografisch materiaal ontleend. Zon, gebouw en bomen komen van een foto uit China. Het beeld in het tweede register stamt af van een foto die een oorlogsgebied in het Midden-Oosten toont. De afkomst van de foto’s is dus wat plaats en tijd betreft verschillend. Met behulp van de steeds terugkerende kleuren en de merendeels horizontale penseelstreken, worden de beelden echter met elkaar in overeenkomst gebracht en door de compositie in het kader van het schilderij ingepast. De foto’s zijn echter niet identiek aan de schilderkunstige beelden; ze vormen slechts aanleidingen daarvoor. De kunstenaar kiest ze vanwege hun formele en/of inhoudelijke kwaliteiten en verandert ze tijdens het schilderen. Dit gebeurde bijvoorbeeld in het derde register bij de verkorting van de oorspronkelijke afstand tussen de soldaten en de achterkant van het lichtblauwe schuurtje links in het beeld, om het idee mogelijk te maken dat de soldaten daar zouden kunnen schuilen.
De onderste strook brengt alle kleuren van het schilderij weer bijeen en sluit de compositie af, maar heeft nog een andere functie. Als we de verticale grens tussen het grijsblauwe en het zalmroze stuk in deze strook naar boven doortrekken, springen de verticale elementen van dit werk in het oog, zoals delen van bomen en huizen in het tweede register, en komen we uit bij het einde van het gebouw in het eerste register. Door de registers leek dit schilderij zich op het eerste gezicht vooral horizontaal uit te breiden, nu blijkt echter dat alle stroken verticaal met elkaar verbonden zijn en als een soort basis functioneren waarop de halve cirkel van de zon als een gigantische koepel rust.
Tot nu toe hielden we ons voornamelijk bezig met de formele organisatie van het werk waarin de kunstenaar een soort ‘balancerend’ kijken toepast om een visueel geheel te construeren waardoor hij ons kijken activeert, maar tegelijk ook helpt door onze blik als het ware rond te leiden. Dit is belangrijk voor een beeldend kunstwerk, aangezien het in eerste instantie visuele prikkels uitzendt of die nu aantrekking en harmonie, dan wel irritatie en disharmonie moeten bewerkstelligen. In dit werk kruisen deze soorten werkingen elkaar. Het schilderij irriteert enigszins door de stapeling van beelden en doet disharmonisch aan door de zeer verschillende voorstellingen die echter door de aantrekkelijke kleuren en de consequente penseelstreken toch in evenwicht worden gehouden.
Toch zijn de afzonderlijke beelden niet zomaar op elkaar gestapeld. Bezien we hun betekenissen nauwkeuriger, dan blijkt het om een simultaneïteit van twee gebieden van de werkelijkheid te gaan. De ene, die van de cultuur en de aardse omgeving van mensen, wordt voorgesteld door het gebouw, de bomen en het oorlogsgebied. De andere, die van het universum, wordt gerepresenteerd door de overkoepelende zon. Volgens de kunstenaar is dit een soort alziend oog, dat op het menselijk gebeuren neerkijkt. Maar welke relatie hebben de beide gebieden met elkaar? Een interpretatie, die uit deze vraag voortvloeit, zal in een later stadium volgen.
A New Day kan gezien worden als een pars pro toto van de recente werken van Jan van der Pol. Zowel de schilderijen als de collages bevatten meerdere en zeer verschillende beelden en zijn op een soortgelijke manier gecomponeerd. Daardoor verkrijgen ze een specifiek karakter dat ook iets over de kunstenaar zegt. Jan van der Pol is namelijk een hartstochtelijke verzamelaar. Zijn woning is een microkosmos van vele, kleinere en grotere verzamelingen die zich uitstrekken van oude knopen en exemplaren van munten uit de gehele Eurozone tot meer serieuze collecties. Hij beperkt zich dus niet tot één categorie voorwerpen. Verzamelingen van schelpen, vlinders en kevers vergezellen collecties van niet-westerse en modern westerse kunst. De kunstenaar brengt fotografisch materiaal van internet bij elkaar en maakt ook zelf foto’s. Tot nu toe heeft dit in een database van ± 200000 foto’s geresulteerd die in 178 mapjes geordend is.
Alle verzamelingen hebben te maken met de grote behoefte van Jan van der Pol aan kennis en bezit van zaken uit vele gebieden van de werkelijkheid. En sommige collecties zijn met zijn werk verbonden. Vlinders, kevers en schelpen zorgen door hun kleuren, vormen en bouw ervoor dat zijn waarnemingsvermogen door het bekijken van hun details gescherpt wordt. Ook doen ze dienst bij het vinden van kleuren en vormen, als hij in zijn werk vastloopt. De niet-westerse kunstvoorwerpen helpen door hun vormgeving bij het doorbreken van hardnekkige, westerse kunstconventies en de kunstwerken van collega’s kunnen als inspiratie of als ijkpunt functioneren. Alleen de foto’s bieden directe aanleidingen voor schilderijen, grafiek en tekeningen en voor de fotocollages leveren ze ook het daadwerkelijke materiaal.
Met zoveel spullen moet er wel geordend worden, maar voor Jan van der Pol is dat geen grote opgave; hij organiseert graag, nauwkeurig en volgens verschillende principes. De naturalia brengt hij bijvoorbeeld onder in taxonomische ordeningen, de niet-westerse kunstwerken deelt hij stilistisch in en de foto’s vat hij in een breed scala van associatieve categorieën. In willekeurige volgorde zijn enkele hiervan: geologie, dames, narigheid, fossielen, fascistische architectuur, lichtverschijnselen, kampen, monumenten, oorlog en de ruimte. Nader bezien levert deze ‘wilde’ verzameling een persoonlijke encyclopedie op van allerlei verschijnselen uit de werkelijkheid die zich bij Jan van der Pol van het onmetelijke universum tot en met de allerkleinste wezens op aarde uitstrekt. Wat het universum betreft, heeft de kunstenaar oog voor de schoonheid en de ongenaakbaarheid ervan, terwijl hij op het gebied van de mensen vooral let op vergankelijkheid, onveiligheid en mislukkingen. Rampen hebben zijn speciale aandacht of ze nu door de natuur of door mensen veroorzaakt zijn. Dergelijke ordeningen, categorieën en voorkeuren zien we ook in het beeldend werk terug. Want alle werken van Jan van der Pol getuigen van zijn behoefte om al het wonderlijke in de wereld tot zich te nemen, om kennis van zo veel mogelijk zaken en gebeurtenissen te vergaren en van zijn plezier in het ordenen.
Als de kunstenaar een werk in een bepaalde techniek wil maken, kiest hij enkele categorieën uit zijn database en selecteert daaruit aansprekende en toepasselijke foto’s. Tijdens het werken ordent hij deze via visuele analogieën van bijvoorbeeld kleuren, vormen en richtingen, maar ook via thematische sympathieën en antipathieën. Sommige van de gekozen foto’s weerspiegelen rechtstreeks zijn hiervoor genoemde interesses en andere kunnen ook weinigzeggend of zelfs abstract zijn, omdat tijdens het ontstaan van de composities de beelden in mindere of meerdere mate een metamorfose ondergaan. Pas de gehele compositie bepaalt de inhoudelijke richting van een werk.
De composities van Jan van der Pol zijn karakteristiek voor zijn werk. Hij voegt verschillende beelden in meerdere registers en/of blokken in, wat herinnert aan de hiërarchisch opgezette illustraties uit de 18de-eeuwse encyclopedieën of aan de taxonomische ordeningen van verzamelde naturalia. Nog het meest zijn de composities verwant aan de rangschikkingen van illustraties in 19de-eeuwse beeldatlassen waarin ter educatie zoveel mogelijk verschijningsvormen van cultuur en natuur werden bijeengebracht. De vormen van ordenen ontleent Jan van der Pol dus aan logische organisaties van beelden en dingen in de 18de- en 19de -eeuw, terwijl hij wat betekenissen betreft, gebruik maakt van de 15de- en 16de-eeuwse analogische ordeningen, die op gelijkenissen zijn gebaseerd.
Kunstwerken samengesteld uit meerdere beelden kennen een lange geschiedenis in dit oeuvre. In de schilderijen, die Jan van der Pol ‘stadslandschappen’ noemt, ontstonden al in 1979 tweedelingen in een boven- en een onderwereld, naar aanleiding van de afbraak van huizen bij de bouw van de metro in Amsterdam. De twee gebieden, die van de huizen en die van de door graafwerkzaamheden ontstane kloven, zijn in deze schilderijen wel te onderscheiden, maar nog niet strikt van elkaar gescheiden. Aanvankelijk was de kunstenaar verontrust over deze nieuwe composities, maar hij begreep al gauw dat hij door het gebruik van meerdere beelden in één werk in staat was om een schilderkunstig geheel tot stand te brengen dat er niet uitzag als een klassieke eenheid, maar als een moderne constructie uit zeer verschillende elementen.
Gedurende zo’n tien jaar ontwikkelde Jan van der Pol werken met twee of meer registers en met vakverdelingen die in sommige werken samenkwamen. In de jaren negentig herbergden de vakken meestal anonieme koppen of portretten van bekenden en werden ook wel met decoratieve rasters en bollen gevuld, terwijl de registers vaak landschappelijke en/of architecturale beelden bevatten. Hoewel de schilderwijze in deze werken vrij heftig en door de nat-in-nattechniek ook zeer direct was, werd elke compositie nauwkeurig geconstrueerd en in een spannend evenwicht gebracht, mede met behulp van horizontale en verticale balkjes die oorspronkelijk de grenzen van het blikveld van de kunstenaar aanduidden, maar tot op heden ook als ‘steunbalkjes’, ‘evenwichtsbalkjes’ of als ‘sokkels’ in composities functioneren.
Terugkijkend is het procedé van de collage – technisch bezien het samenbrengen van beelden van verschillende afkomst – al meer dan dertig jaar impliciet in dit oeuvre aanwezig. Daarbij komt dat de kunstenaar ook al lang fotografisch materiaal verzamelde en verwerkte. Ondanks deze ‘voorgeschiedenis’ en het feit dat collages en fotomontages al vanaf het tweede decennium van de 20ste eeuw in de beeldende kunst voorkwamen, moest Jan van der Pol zijn eigen collagetechniek nog ‘uitvinden’. Nog nooit had hij rechtstreeks foto’s gebruikt om er werken mee te maken en hij kon ook niet bij de kunstgeschiedenis terecht, omdat de composities van en de uitgangspunten voor zijn collages niet of nauwelijks met de historische vormen overeenkwamen. Ze kennen niet de inpassing van kant-en-klare materialen, bijvoorbeeld behang en kranten in getekende vormen van objecten, zoals bij de kubisten, niet de wilde organisatie van uitgeknipte foto’s en de toevoeging van andere materialen, zoals bij de dadaïsten, en ook niet de samenstelling van surreële werelden uit fotografisch materiaal en prenten, zoals bij de surrealisten. De collages van Jan van der Pol kunnen wel sporen dragen van deze historische vormen, zoals de aandacht voor de meervoudigheid en fragmentatie van de werkelijkheid en het bijeenbrengen van foto’s van zeer verschillende afkomst dat vervreemding kan oproepen. Toch hebben deze relicten meer te maken met een gezamenlijke, moderne wereldbeschouwing en het gebruik van kant-en-klare materialen, dan met een voortzetting van de 20ste eeuwse avant-garde kunst.
De allereerste fotocollage ontstond, toen de kunstenaar opmerkte dat hij sommige foto’s in zijn archief wel interessant vond, maar ongeschikt achtte voor zijn schilderijen. In 2009 ordende hij een aantal van deze ‘afgekeurde’ foto’s op een ondergrond en plakte ze vervolgens vast om te zien of hij ook met andersoortige beelden dan in zijn schilderijen, een adequaat beeld van zijn wereld kon oproepen. Daarna namen de collages snel in aantal toe. Vanaf 2009 tot nu zijn er zes collageboeken voltooid, met in elk zo’n veertig collages. De titel van het eerste boek, Cut, Paste, Connect is een parafrase van de cut, paste, copy opdrachten van de computer, wat duidelijk maakt dat de kunstenaar het enorme succes en gemak van de collage erkent, maar het kopiëren liever aan apparaten overlaat.
De meeste collages bevinden zich in boeken waardoor het mogelijk is om de acht jaar durende ontwikkeling van deze nieuwe werken te overzien en hun overeenkomsten en verschillen met de schilderijen na te gaan. De visuele verschijning van schilderijen en die van de collages zijn door hun maten – de meeste collages meten slechts 42 x 29 cm, terwijl de schilderijen veel groter zijn – en technieken anders, maar ze komen wat hun
compositieprincipes betreft grotendeels met elkaar overeen. Ook de collages vertonen registers of vakken en steunbalkjes die nu echter ‘gevuld’ zijn met foto’s of delen ervan. De balkjes bevatten vaak gekleurd papier en in sommige collages zijn ook kleinere, getekende elementen opgenomen. In het laatste fotoboek, begonnen in 2016, wordt de ordening in registers min of meer gehandhaafd, nu op een vrijere manier. Eerder was elk register rechthoekig, werd er niet in de foto’s geknipt en waren ook geen samengestelde beelden in een werk opgenomen. In de laatste collages komen echter ook ronde, uitgeknipte vormen, samengestelde beelden en meer diagonalen voor.
Alle collages hebben een krantachtige matheid; de foto’s zijn zonder glans, op gewoon papier afgedrukt om de afzonderlijke beelden dichter bij elkaar te brengen. Door hun verschillende afkomst, voorstelling, tijd, belichting en camera-instelling botsen ze desondanks heftiger met elkaar dan de beelden in de schilderijen. Het materiaal voor de schilderijen en de collages stamt wel uit dezelfde categorieën in de database, al worden de beelden op hun geschiktheid voor de verschillende media geselecteerd. Foto’s die de kunstenaar interesseren en die vrij algemene voorstellingen hebben, acht hij als aanleiding geschikt voor de schilderijen. Daar worden ze door de schilderkunstige handelingen aan elkaar en aan de vereisten van de compositie aangepast. Andere aansprekende foto’s die zeer expliciete fotografische informatie dragen, gebruikt Jan van der Pol voor zijn collages. Hij kiest de foto’s intuïtief, maar altijd op grond van zijn interesses en uitgangspunten. Daarna ordent hij ze in spannende constellaties waarin hij de blik van beschouwers rondleidt.
In de collages worden de foto’s ‘bewerkt’ door uitsnede, plaatsing in de compositie en soms ook door omkering of draaiing, maar ze behouden min of meer de visie van en de vormgeving door hun oorspronkelijke makers en ze blijven ook verwijzen naar specifieke aspecten van de werkelijkheid waarvan ze afbeeldingen zijn. Mede door het behoud van hun fotografische connecties vat Jan van der Pol de collages anders op dan de schilderijen. De collages ziet hij als ‘visuele gedichten’ die hij al spelend met het fotografische materiaal doet ontstaan, zonder het uitputtende werk van het schilderen te moeten uitvoeren. Het werken aan een schilderij ervaart hij namelijk als zeer veeleisend, omdat iedere penseelstreek onherroepelijk lijkt, ook al is het totaalbeeld, dat volledig moet kloppen, nog lang niet in zicht. De schilderijen moeten, volgens de kunstenaar, dan ook ‘ontraadseld’ worden, omdat de schilderkunstige voordracht alle informatie in een werk doordrenkt. Daarentegen kan het ordenen van het kant-en-klare materiaal in de collages snel tot gedurfde effecten leiden die voor beschouwers toegankelijker zijn dan de werkingen van de geschilderde beelden.
Deze verschillen tussen de schilderijen en de collages komen rechtstreeks uit het maakproces voort en de grotere directheid en visuele rijkdom van de collages zijn dan ook overduidelijk. Daarbij komt dat we gefotografeerde werelden goed kennen, dus dat we collages gemakkelijker kunnen ‘lezen’ dan schilderkunstige beelden. Maar ook al zijn er verschillen tussen schilderijen en collages, ze hebben zowel formeel als inhoudelijk met elkaar te maken. De samenstellende beelden zijn bij beide technieken ‘bewerkt’ en het fotografische materiaal stamt uit dezelfde categorieën. Het materiaal volgt dus de interesses van de kunstenaar, die steeds benadrukt dat al zijn werk dezelfde uitgangspunten heeft. Voordat we na kunnen gaan hoe de recente werken met die uitgangspunten samenhangen, moeten ze dan ook besproken worden.
Hiervoor keer ik terug naar het citaat van Jan van der Pol aan het begin van deze tekst. Kort samengevat komt dit erop neer dat hij vragen heeft over de aard van de werkelijkheid en over het waarom van zijn bestaan. Dergelijke existentiële vragen stelt iedereen weleens – ze zijn het resultaat van het menselijk bewustzijn – maar lang niet bij iedereen dringen ze zich zo heftig op en slechts bij uitzondering leiden ze tot een ‘opdracht’ om ze in kennis of kunst om te zetten, zoals dat bij wetenschappers en kunstenaars wel gebeurt. Ook bij Jan van der Pol hebben de vragen tot een levenslange queeste geleid die hij ‘moet’ volvoeren.
Het besef dat er in zijn bestaan iets niet pluis was, trof hem al op jonge leeftijd bij het overlijden van zijn grootvader. In het streng gereformeerde milieu werd de hierdoor opgeroepen angst echter met zoveel kilte tegemoet getreden dat hij zich al op zesjarige leeftijd een vreemdeling in zijn eigen familie voelde. Hij begreep niets van zijn omgeving en ook niets van de volwassenen die maar doorgingen met hun vreemde rituelen en geen antwoorden gaven op zijn dringende vragen. Daarom ging hij zelf op zoek naar kennis, eerst in de encyclopedie van zijn vader en later in de boeken van Franz Kafka, Samuel Beckett of James Joyce. De encyclopedie bood hem zijn eerste inzichten in de beeldende kunst, toen hij daarin een Egyptisch beeld van een schrijver tegenkwam. Als je zo’n beeld kon maken, moest je alles wat je bedenkt kunnen uitvoeren; dan was je in staat om ook een andere wereld te realiseren, dacht hij. De weg die hij toen insloeg, volgt Jan van der Pol tot op heden en dit heeft in een omvangrijk en nog steeds groeiend oeuvre geresulteerd. Toch is hij ervan overtuigd dat hij zijn doel, het begrijpen van de zin van zijn bestaan, nooit zal bereiken. Als dit al zou gebeuren, zou hij dat doel niet eens herkennen.
Ervaringen en ideeën als de vreemdheid van de werkelijkheid en de (mogelijke) zinloosheid van het menselijk bestaan duiden op moderne opvattingen die voor de 18de-eeuw niet bestonden. Voor christenen was tot en met de 17de-eeuw zowel het doel van het bestaan als de verhouding tot de wereld vanzelfsprekend. Zij waren immers de kroon van Gods schepping en als het hen lukte om zich aan Gods geboden te houden, behoorden een zinvol leven op aarde en het eeuwige geluk in het hiernamaals tot de mogelijkheden. Degenen die echter aan Satans verlokkingen toegaven, wachtte de eeuwigdurende hel. Christenen beschouwden (en beschouwen nog) hun bestaan dus als gepland door een rechtvaardige God en daarom zinvol. Dit denken werd echter ook door heidense ideeën over de relaties tussen het universum en de mensen beïnvloed. En op grond hiervan kwamen christelijke denkers tot de conclusie dat aangezien al het bestaande door God was geschapen, er ook een verband moest bestaan tussen de kleine wereld van de mensen (microkosmos) en de grote wereld van het universum (macrokosmos). Ze weerspiegelden elkaar nauwkeurig, zodat sterren en planeten het leven van mensen konden beïnvloeden.
Ook al koesterde men zulke zekerheden, een christelijk bestaan was niet gemakkelijk. De voortdurende angst voor de mogelijke straf van God na het einde der tijden, te beginnen met een angstaanjagende Apocalyps en dan de komst van het gevreesde Laatste Oordeel, kon sommigen tot fanatisme of waanzin drijven. Maar er waren wel duidelijke antwoorden op existentiële vragen die gedurende de secularisering in de 18de-eeuw twijfelachtig werden en in de 19de-eeuw bij Friedrich Nietzsche tot de doodverklaring van God leidden. Vervolgens zorgden ook de moderne natuurwetenschappen voor een universum waarin niet Gods plan, maar de onverschillige natuurwetten heersten. Tegenwoordig kan men bij de natuur- en de menswetenschappen terecht voor antwoorden op vragen over de aard van het universum en het bestaan; deze hebben echter niets over de ‘zin’ van dit alles te zeggen. Alleen religies zijn tot op heden in staat om kant en klare zingeving te bieden, maar wat te doen als je niet meer gelovig bent?
Jan van der Pol viel al vroeg uit de mythologische wereld van het christelijk geloof waardoor existentiële vragen bij hem opkwamen en zich bleven opdringen. Geleidelijk aan vond hij echter artistieke, wetenschappelijke en filosofische ‘gereedschappen’ met behulp waarvan hij zijn queeste kon en kan voortzetten. Want zo’n zoektocht is niet afgelopen als iemand zich bewust wordt van vreemdheid van de werkelijkheid en de zinloosheid van het bestaan, dus van het absurde; integendeel. In zijn essay De Mythe van Sisyphus (1942) beschrijft Albert Camus (1913-1960) de ervaring en het karakter van het absurde en biedt ook een perspectief op het omgaan ermee. Volgens Camus verlangen mensen altijd naar zinvolheid, redelijkheid, zekerheid en eenheid; dit hoort bij de menselijke aard. Als deze verlangens echter botsen met een koude, onverschillige bovenwereld, ontstaat het absurde. Mensen beseffen dat hun bestaan geen vooropgezet plan, dus geen enkele zin heeft. Angstig kunnen ze dan in allerlei illusies vluchten of hun leven beëindigen, maar beter is het, volgens de filosoof, om het absurde onder ogen te zien en het uit te houden.
Dat zoiets mogelijk is, toont Camus aan met de interpretatie van de Griekse mythe van Sisyphus. Door de goden gestraft voor zijn eigengereidheid, moet Sisyphus in de onderwereld een zware steen een helling oprollen. Bijna boven aangekomen, rolt de steen telkens terug en moet Sisyphus opnieuw beginnen. Zijn straf bestaat immers uit de algehele zinloosheid van zijn werk. Gedurende de tijd dat hij naar de vlakte afdaalt om de steen weer op te halen, kan hij echter, volgens de filosoof, ook besluiten om zijn lot te aanvaarden. Dan beseft hij dat het gevecht met de steen ‘zijn’ taak is, een taak die hij nu aan zichzelf heeft opgelegd. Op dat moment is hij erin geslaagd om zijn vrijheid van de goden terug te winnen en dit kan hem met geluk vervullen.
De existentiële vragen die Jan van der Pol stelt, komen uit een soortgelijke visie voort die Camus in zijn filosofisch essay heeft uitgewerkt. De vragen zijn echter op individuele ervaringen gebaseerd en niet in een filosofische taal geformuleerd. We hebben hier met een beeldend kunstenaar en niet met een filosoof te maken. Alle uitkomsten van zijn queeste moeten dus gevisualiseerd worden, alle vermoedens en inzichten over de aard van de werkelijkheid en de zinloosheid van het bestaan moeten in beelden neergeslagen en daarin met behulp van interpretaties ook weer ‘herkend’ kunnen worden.
Hoe dit laatste eruit zou kunnen zien, wil ik tonen door het schilderij A New Day, met het essay van Camus in gedachten, te interpreteren. Eerder karakteriseerde ik het werk als het bijeen brengen van twee gebieden van de werkelijkheid, die van het universum en die van de mensen. Maar hoe verhouden deze zich tot elkaar? De overkoepelende zon kan als een soort alziend oog worden gezien volgens de kunstenaar. Vroeger was dat het oog van God, maar die kijkt niet meer mee. Het hemellichaam, dat zijn plaats innam, is afgescheiden van de mensen en blijft onaangedaan door hun ellende. Ook al vernietigen mensen elkaars omgeving en leven, van een onverschillig universum hoeven zij geen troost of hulp meer te verwachten. Gehoorzamend aan de natuurwetten gaat de zon dus telkens weer op, maar de nieuwe dag zal geen verlichting brengen in de duistere misère van mensen.
Jan van der Pol is gefascineerd door gelijktijdigheden van herinnerde en geziene beelden, van meerdere soorten ervaringen en van verschillende gebieden of aspecten van de werkelijkheid. Deze komen allemaal voor in zijn oeuvre, maar met name de laatste kunnen redelijk snel opgespoord worden. Er zijn werken die verschillende intenties en ervaringen ten opzichte van één aspect van de werkelijkheid laten zien, zoals bijvoorbeeld de tijd willen vastleggen en tegelijk het vloeien ervan ervaren, of dromen van een paradijs en tegelijk de onmogelijkheid van een perfect leven beseffen. Om dit te bereiken brengt de kunstenaar ongelijktijdige beelden in de simultaneïteit van één werk bijeen. Maar er zijn ook werken waarin meerdere gebieden of aspecten van de werkelijkheid en de erbij horende ervaringen met elkaar worden gecontrasteerd, zoals bijvoorbeeld de ongenaakbaarheid van het universum en het lijden in de menselijke realiteit of de abstractie van wetenschap en techniek en de complexiteit van menselijke verlangens. Door het bijeenbrengen van de ongelijktijdige beelden construeert de kunstenaar hier een gelijktijdigheid van verschillende gebieden of aspecten van de werkelijkheid. Zulke simultaneïteiten, die hier schematisch werden beschreven, bevinden zich in de werken van Jan van der Pol altijd in beeldende constellaties, die in de schilderijen meer met elkaar verweven zijn dan in de collages.
Voor het maken van zulke complexe werken is de intrede van de fotocollage van groot belang geweest. Zoals we zagen, was de kunstenaar hierop goed voorbereid; het procedé was al impliciet in zijn eerdere schilderijen aanwezig. De collage zorgde ervoor dat hij met behulp van zeer uiteenlopende, kant-en-klare beelden snel en effectief als het ware impressies van zijn visie op de werkelijkheid kan oproepen. Jan van der Pol gebruikt de collages nooit als letterlijke voorbereidingen voor andere werken, maar hij kan nu in zijn schilderijen soortgelijke ideeën en beelden op een meer gecomprimeerde en verfijnde manier weergeven.
De periode van 2009 tot nu, die hier centraal staat, laat door de komst van de collage en de daarmee verbonden mogelijkheden wel een nieuwe ontwikkeling zien in het werk van Jan van der Pol. Dit heeft echter geen breuk in zijn oeuvre veroorzaakt. Niet alleen is de basis van het oeuvre al geruime tijd geleden gelegd, maar deze komt ook overeen met het uiteindelijke doel van de kunstenaar waardoor alle werken als inhoudelijke versies van en soms als reacties op elkaar beschouwd kunnen worden. Strikt genomen bieden de werken geen antwoorden op de vragen die Jan van der Pol aan de werkelijkheid en zijn bestaan stelt. Beter kunnen ze als een soort landkaarten worden opgevat die aantonen in welk gebied hij zich op een bepaald moment aan het oriënteren is, in welk aspect van de werkelijkheid hij nu geïnteresseerd is, dus op welke plek hij in zijn zoektocht is aanbeland.
Zoals de kunstenaar zelf schrijft, is zijn hoofdthema de ethische verhouding tot de wereld. Al zijn werken hebben een soortgelijke ondertoon en getuigen van de inzichten dat ethische verhoudingen zich tot het menselijke gebied beperken en dat we dus van het universum, of welke bovenwereld dan ook, geen enkele bijdrage aan de zin van het bestaan hoeven te verwachten. Juist daarom is hij ervan overtuigd dat wij maar beter op een ‘menselijke’ manier met elkaar kunnen omgaan. Een dergelijke houding betekent echter een strijd met de weerspannige werkelijkheid die Jan van der Pol tot zijn levenstaak heeft gemaakt. De kunstwerken die hieruit voortkomen, getuigen van het volharden in zijn taak en zijn ook geschenken aan diegenen, die zijn vermoedens en inzichten ten aanzien de aard van de werkelijkheid en de ‘zin’ van het menselijk bestaan delen en in hun eigen zoektochten willen laten meeklinken.
Bronnen:
-Erik Bos, ‘Monument voor de Geestelijke Volksgezondheid: een serieuze droom’. Interview met Jan van der Pol in: Insomnia, 99 Uitgevers, 2010 Haarlem, pp. 236-251.
-Albert Camus, De Mythe van Sisyphus, IJzer, Utrecht 2013. (Oorspronkelijke uitgave, Le Mythe de Sisyphe, Gallimard, Parijs 1942.)
-Jan van der Pol, Nachtboek - Nachtwereld, Amsterdam 2012, p. 32.
-Gesprekken met de kunstenaar op 12.7.2017, 3.8.2017 en 7.8.2017.
* Een afbeelding van het schilderij, A New Day, olieverf op doek 2015, 200 x 160 cm is te vinden op de website van Jan van der Pol.
Katalin Herzog, september 2017
TJAMPOER
In het boekje No Problem Brother (1997) van Roy Villevoye staan vier foto’s die betrekking hebben op zijn werk ‘Tjampoer’. Op de eerste foto arrangeren vijf Papoea’s, tussen de bananenplanten, gekleurde vellen papier tot een geheel van drie lagen. Zij zijn verdiept in het nauwkeurige werkje; een blanke man op de voorgrond helpt hen daarbij. Op de tweede foto zien wij dezelfde Papoea’s die nu het keurige arrangement vasthouden: twee blanken staan achter hen. Een van hen is de kunstenaar die de foto maakt. De rommelige achtergrond toont enkele hutten en een rivier. Op de derde foto wordt het kunstwerk ‘Tjampoer’ (in het Indonesisch mengen) voor een tentoonstelling in gereedheid gebracht. Twee blanke mannen, kennelijk museummedewerkers, zijn daarmee zorgvuldig bezig. In ‘Tjampoer’ staan de Papoea’s evenwijdig aan het beeldvlak, de kunstenaar en zijn metgezel zijn verdwenen, het beeld is strak gekaderd en de achtergrond is rustig. Op de laatste foto houdt een Papoea een boek op met een foto van ‘Tjampoer’ erin; drie anderen zitten naast en achter hem in een rokerige hut. Het beeld is weer naar zijn oorsprong teruggekeerd.
Deze foto’s tonen in meerdere opzichten de werkwijze van het mengen die binnen de beeldende kunst veelvuldig gebruikt wordt. Het gaat hierbij niet in de eerste plaats om het mengen van verf of het vermengen van beelden uit de westerse, artistieke traditie, zoals dat tot de negentiende eeuw gebruikelijk was. Dit metaforische mengen brengt zaken uit verschillende gebieden van de westerse cultuur bij elkaar en vermengt zelfs dingen uit zeer verschillende culturen. Vaak is hier sprake van het bijeenbrengen van fragmenten en citaten, dus van brokstukken in plaats van hele dingen. Collages en montages, met hun verrassende en vaak poëtische vermengingen, ‘uitgevonden’ door de Kubisten en Surrealisten, zijn verantwoordelijk voor het ontstaan van dit nu zo populair procédé.
Tegenwoordig wordt er naar hartenlust gemixt in en met kunstwerken. Binnen installaties worden allerlei brokstukken en dingen bij elkaar gezet, in de hoop dat ‘er iets gaat gebeuren’. Fragmenten van beelden en teksten worden ‘met elkaar geconfronteerd’, in de hoop dat er een ‘dialoog’ tussen betekenissen ontstaat. Kunstenaars husselen brokkelige ideeën door elkaar tot kunstwerken en curatoren klutsen kunstwerken weer tot thema-tentoonstellingen, waarmee zij ‘zichzelf willen verrassen’.
Omdat dit mixen zo fijn is om te doen en zo prikkelend lijkt voor de beschouwer, vergeet men vaak dat het resultaat ook nog ergens naar moet ‘smaken’. Mengen is namelijk niet alleen een artistieke, maar ook een culinaire werkwijze. Goede koks weten dat je zeer verschillende etenswaren met elkaar kan combineren, opdat er nieuwe gerechten ontstaan, maar dat je niet zomaar alles in een blender kunt gooien. Smaken, texturen en kleuren van ingrediënten dienen op elkaar te worden afgestemd tot er een goede compositie ontstaat. Want ook al is de combinatie nog zo ongewoon, de chef heeft het ‘karakter’ van het gerecht al op het oog, nog voordat hij het gaat bereiden. Een goed gerecht berust op associaties en ontstaat gedeeltelijk spontaan, soms zelfs uit ongelukjes, net zoals een goed kunstwerk, maar het is evident dat er naar een bijzondere combinatie van smaken wordt gestreefd en niet naar het prutje dat iedereen wel kan maken.
Bij veel beeldende werken van deze tijd ervaar ik een doelloos en zinloos mengen. Door elkaar gehusseld en in elkaar geklutst, lijkt iets al gauw een kunstwerk; lekker onoverzichtelijk, met de geur van poëzie en verrassing. Zoals zo vaak wordt hier het doel, in dit geval een bijzonder en veelbetekenend kunstwerk, verwisseld met het middel, in dit geval het procédé van het mengen.
Zo niet in het werk ‘Tjampoer’ van Roy Villevoye. De titel is afkomstig van de Papoea’s zelf die gedurende het arrangeren plotseling begrepen wat er aan de hand was. Villevoye bevond zich bij de Asmat in Nieuw Guinea en had daar al fotowerken gemaakt met vellen papier in de drie drukkerskleuren: magenta, cyaan en geel. De kleuren van Mondriaan gaf hij, in een industrieel jasje, als het ware aan de Papoea’s cadeau. Op hun beurt schonken zij hem hun drie symbolische kleuren, het wit van kalk, het zwart van houtskool en het rood-bruin van aarde.
‘Tjampoer’ laat zien hoe de Papoea’s, op aanwijzing van Villevoye, hun kleuren over vellen papier in de westerse, primaire kleuren plaatsen en daar twee foto’s overheen leggen: van een donkere rug met een roze litteken en van een blanke rug met strengen zwart haar. Zo worden de symbolische kleuren van de Asmat ‘gemixt’ met de kern van de westerse, moderne kunst, die van de kleurenfotografie en de industriële reproductie van beelden, waarbij ook de zwarte en blanke huidskleuren in elkaars nabijheid geraken. Door dit werk vervolgens via het rasterprincipe te componeren, in een boek en een museumzaal te tonen, worden de Papoea’s binnen de westerse cultuur gehaald, maar de foto keert ook weer naar Nieuw Guinea terug.
Roy Villevoye is dus een goede chef. Hij grabbelt niet zomaar dingen bij elkaar, waarna hij aan het mixen slaat. Zorgvuldig kiest hij zijn beeldende en conceptuele ingrediënten uit verschillende werelden en componeert deze tot kunstwerken met een nieuwe, veelbetekenende samenhang en een duidelijk eigen karakter.
KATALIN HERZOG
Deze column werd in 2003 gepubliceerd in De Nieuwe, Arti et Amicitiae.
zondag 22 maart 2015
DE SAMENKLANKEN VAN INGEBORG ENTROP
-Welke kleur heeft taal?
-Wat voor muziek maakt de zon?
-Wat is het geluid van stilte?
Om zulke ongewone vragen gaat het in het werk van Ingeborg Entrop. Ze worden gesteld vanuit de beeldende kunst, de muziek en de natuurwetenschappen; disciplines waarin Ingeborg geschoold is. Vanuit deze drie perspectieven, bouwt zij systemen en gebruikt zij methoden om haar belangstellingsgebieden met elkaar te verweven en zo tot verrassende kunstwerken te komen.
Elk werk begint met een gevoel van verwondering en/of met een ingeving. Op de kunstacademie viel het Ingeborg bijvoorbeeld op dat beeldende kunst met heel veel woorden gepaard gaat. Waarom zou die zee van taal niet weer in beelden kunnen veranderen? En hoe doe je dat? Een aanleiding voor de oplossing vond zij in verschillende teksten die over het schilderij Las Meninas (1656) van Diego Velázquez zijn geschreven. De letters van die teksten mat zij op en zij transformeerde de maten met behulp van een formule in kleurfrequenties. Het totale werk Nine Figures on Las Meninas (2010), zorgde voor kleurcomposities van mengkleuren die naar de aard van de taal van elkaar verschillen. Sommige letters die in bepaalde talen als woord voorkomen, stralen dan als zuivere sterren op het kleurfirmament van het beeld. De aanleidingen - de over het schilderij geschreven teksten, samen met hun betekenis - gaan in de resulterende beelden verloren; alleen de bronnen worden nog in het onderschrift vermeld. Voor dit werk gebruikte Ingeborg methoden uit de wetenschap samen met een aan het geschrevene ontleende vormgeving om te laten zien hoe talen in kleuren vertaald kunnen worden.
Terwijl bij het vorige werk het uiteindelijke probleem, de kleur van taal, pas gaandeweg duidelijk werd, doemde de vraag naar de ‘muziek van de zon’ bij Zonnemelodie #2456511 (2015) meteen op. Wel moest Ingeborg een methode vinden om een antwoord te kunnen realiseren. Hiervoor plakte zij een rond schijfje op het raam en legde een vel papier met een notenbalk op de vloer. Om de 10 minuten maakte zij, gedurende 1 uur en 10 minuten, een foto van de verschuivende schaduw van het schijfje die nu muzieknoten representeerde. Zo dwong zij de zon om een partituur van haar eigen muziek te schrijven die gespeeld kan worden.
Gedurende de tentoonstelling in Galerie Block C wordt eveneens een partituur getoond en ook uitgevoerd, namelijk Fugue in D (Liberated Silence) (2012). Dit werk is het resultaat van een reis die Ingeborg naar de stilte ondernam en die haar naar een Europees erkend ‘stiltegebied’ op Ameland voerde. Vanuit Groningen reisde zij met trein, bus, boot en fiets in 5 uur naar Het Oerd op het eiland. Ondertussen nam zij met een audiorecorder flarden op van de gesprekken van haar medereizigers, samen met de omroepstem in de trein, maakte zij om de 10 minuten foto’s uit de voertuigen, waarin zij zich bevond en noteerde zij associaties en herinneringen die haar al luisterend, kijkend en denkend binnenvielen. Thuisgekomen maakte zij van haar aantekeningen korte verhalen, waarbij zij de associaties en herinneringen in ‘klinkende’ woorden omzette. De gesprekken van haar medereizigers schreef zij letterlijk uit. Vervolgens gaf zij de teksten en de foto’s ieder hun eigen plaats, alsof zij een meerstemmig muziekstuk componeerde. Hieruit ontstond het kunstenaarsboek Fugue in D (Liberated Silence), waarin ‘verschillende stemmen samen een fuga zingen’.
De fuga is een meerstemmig muziekstuk, waarbij de stemmen elkaar als het ware achtervolgen: “een stem begint te zingen, dan komt er een tweede stem bij met een variatie op het thema, terwijl de eerste stem al vooruit snelt met een andere melodie. Andere stemmen kunnen één voor één aan het stuk deelnemen.”1 Een boek kan echter slechts overdrachtelijk een fuga zijn; dan verbindt het meerdere perspectieven en media met elkaar, waardoor nieuwe ervaringen en inzichten kunnen ontstaan. In Fugue in D (Liberated Silence) kruisen gedachten, geluiden, teksten en beelden elkaar binnen de tijdlijn van de reis, naar een oord, waar idealiter stilte zou moeten heersen.
Het spreekt voor zich dat Ingeborg Entrop op Ameland geen stilte gevonden heeft, maar dat had zij ook niet verwacht. Als natuurkundige weet zij dat op aarde totale stilte onmogelijk is en zij kent het stuk 4’33” (1952) van John Cage, waarbij een pianist 4 minuten en 33 seconden achter een piano zit, zonder ook maar één noot te spelen. Toch is er ‘muziek’ te horen in het omgevingsgeluid dat bij elke uitvoering anders is.2 Zoiets ervoer ook Ingeborg op Ameland in de samenklank van het geluid van de wind en het krijsen van de meeuwen.
Bij het maken van het boek verrichtte de kunstenaar een reeks vertalingen. De tijd van haar reis vertaalde zij in een gestapelde vorm, waarin dichtbij (het eigen denken) verder af (de gesprekken) en veraf (de foto’s van het naar Ameland snellende landschap) de ruimte van de pagina’s structureren. De tijdsafstand bij het nemen van de foto’s is naar blanco ruimtes tussen de beelden vertaald en het omgevingsgeluid, dat voor stilte moet doorgaan, blijkt aan het einde van het boek door het verstommen van de ‘stemmen’, behalve die van de foto’s.3 Deze ‘partituur’ wordt nu uitgevoerd en wel binnen een expositie.4
Maar hoe stel je een boek tentoon en/of hoe voer je zo’n ‘partituur’ uit? Ingeborg heeft het boek zodanig naar de ruimte van de galerie vertaald dat het tonen ervan met twee uitvoeringen gecombineerd kan worden. Bij de opening worden de verhalen van de kunstenaar en de foto’s op de muren geprojecteerd. Bezoekers kunnen kijkend en lezend een deel van de reis meemaken. Tegelijkertijd reciteren vijf personen de gespreksflarden, waarbij zij zich tussen de bezoekers bewegen. Voor deze uitvoering krijgen zij regieaanwijzingen die Ingeborg aan het partituur (het boek) ontleende. Is er geen uitvoering, dan kan men de expositie in stilte bekijken, waarbij het boek als een leporello op een tafel is opgesteld en de regieaanwijzingen op prikborden te zien zijn. Van de twee uitvoeringen zal de kunstenaar foto’s maken die zij telkens bij de tentoonstelling voegt.
Zo doet Fuga in D haar naam eer aan en men zou haar eigenlijk meerdere keren moeten bezoeken om de telkens wijzigende samenklanken van tekst, beeld, taal, geluid, object, beweging, ruimte en de eigen inbreng van de beschouwer goed te kunnen ervaren.
KATALIN HERZOG, maart 2015
Noten:
1. Ingeborg Entrop, ‘Inleiding’ in: Fugue in D (Liberated Silence), 2012.
2. John Cage (1912-1992) meende dat geluiden al muziek maakten en wilde dat mensen hun oren zouden openen voor het omgevingsgeluid dat altijd aanwezig en anders is om zo de werkelijkheid naderbij te komen.
3. Bij de totstandkoming van het boek werkte Ingeborg samen met de vormgever Niko Mihaljevic.
4. Hans Georg Gadamer (1900-2002) zag elke interpretatie van een kunstwerk als de uitvoering van een toneel- of muziekstuk. Er is geen uiteindelijke interpretatie, maar het kunstwerk wordt wel verrijkt door alle interpretaties die het als zijn ‘werking-geschiedenis’ achter zich aan trekt. Zie hiervoor: K. Herzog, ‘Hoe kan de hedendaagse kunst geïnterpreteerd worden?’, op: http://kunstzaken.blogspot.com
Dit artikel werd geschreven naar aanleiding van de tentoonstelling: Fuga in D van Ingeborg Entrop in Galerie Block C te Groningen, van 21 maart t/m 25 april, 2015.
zaterdag 14 maart 2015
DE SPREKENDE BEELDEN VAN RADEK DABROWSKI
Lang voordat het mogelijk werd om met technologische middelen geluid en beweging in 20ste eeuwse kunst te gebruiken, verlangden mensen al naar ‘levende beelden’. De mythische, Griekse beeldhouwer en architect Deadalus is dit volgens de overlevering ook gelukt met een beeld dat zowel kon bewegen als zeggen: ‘ik ben een beeld, gemaakt door Deadalus; mijn naam is Mercurius’.1
Het verlangen naar levende beelden werd in de oudheid ingegeven door het streven naar levensechtheid, iets wat in de moderne tijd door de film gerealiseerd werd. Maar het wonder van het beeld van Deadalus, een kunstwerk gemaakt uit dode materie dat de beschouwer sprekend tegenmoet treedt, is nog steeds actief. Ook nu nog voelen wij ons door kunstwerken vaak echt bekeken en aangesproken.
Van deze bijzondere eigenschap van kunstwerken maakt Radek Dabrowski bij uitstek gebruik. Vanaf 1999 begon hij monochrome, gele schilderijen te maken die ons met witte, digitale letters toe lijken te schreeuwen: I AM IGNORING YOU, YOU MAKE ME FEEL NOTHING of GET THE FUCK OUT OF HERE. Deze schilderijen beledigen de beschouwer, foeteren hem uit en weren hem af. Soms echter zijn ze ook aardiger en zeggen: IT’S OKAY NOW, GET CLOSER of YOU’RE SUCH A PRETTY BOY. Dan stellen zij de beschouwer gerust, geven hem complimentjes om hem naar zich toe te lokken.2
Wij zijn eraan gewend dat kunstwerken ons door hun schoonheid willen verleiden, maar dat kunstwerken ons uitfoeteren, wekt nog steeds onze bevreemding. Voor het eerst is dit toegepast door de avant-garde van de 20ste eeuw; is dus een recent procedé is in de kunst. De avant-garde kunstenaars, die zelf ook van burgerlijke komaf waren, hadden ernstige kritiek op de gezapigheid en leugenachtigheid van de burgerlijke cultuur. Zij wilden de bourgeoisie met hun werk beledigen - ‘épater les bourgeois’ - om hen tot reacties aan te zetten. Dat degenen die uitgescholden werden de kunst van de avant-garde in krasse bewoordingen afwezen, zagen de kunstenaars dan ook als een compliment. Maar er kwam een moment dat dezelfde burgers zich vreugdevol lieten uitschelden om hun vooruitstrevende smaak aan elkaar kenbaar te maken. Begin van de ondergang van de avant-garde.3
Radek Dabrowski heeft eveneens met een cultuur te maken die aan- en toegesproken dient te worden. Nu gaat het om de 21 eeuwse, westerse cultuur die zo overspoeld wordt door informatie en amusement dat zij ‘oppervlakkig en afstandelijk is geworden’. Radek meent dat de echte werkelijkheid voor ons op een grote afstand is gekomen. ‘Wij kijken ernaar via de media, waardoor we noch de werkelijkheid, noch onszelf kunnen ervaren. Wij nemen als het ware plaats in een comfortabele stoel, waarin wij voortijdig dement worden.’ Uit het enorme aanbod van de media zijn wij bovendien geneigd alleen die zaken te filteren die we aangenaam vinden. En hoe meer de massamedia ons bestoken met tot clichés vermalen informatie over de misstanden in de wereld, hoe minder wij tot ons laten doordringen. Daarom schreeuwt Radek Dabrowski uit: ‘Schud de lethargie van je af en brand al je vingers aan de werkelijkheid.’4
Aangezien de vormen waarin de avant-garde beschouwers activeerde niet meer werken, wil Radek in zijn werk verder gaan. Zijn schilderijen moeten ‘levend worden en schreeuwend de aandacht trekken’, opdat ze ‘niet passief beschouwd kunnen worden’. Zij moeten de kracht van iconen verkrijgen die de kunstenaar als kind in de orthodoxe kerken van Polen zag. De iconen zijn daar op een scherm - de iconostase - aangebracht. Elke icoon is voorzien van een verguld of verzilverd omhulsel, de riza die alleen het gezicht en de handen van de afgebeelde heilige vrijlaat. De riza isoleert de icoon van haar omgeving en benadrukt de blik van de heilige die de ogen van de gelovige zoekt, om diens aandacht op de werkelijkheid van God te richten.5 Een soortgelijke kracht en directheid wil Radek aan zijn schilderijen meegeven. Daarom maakt hij geen conventionele schilderijen die moeten behagen, maar harde en duidelijke ‘bemiddelaars’ die de beschouwer uit zijn lethargie losrukken en tot confrontatie met de echte werkelijkheid aanzetten.6 Hiertoe wendt de kunstenaar een extreem felle, gele ondergrond aan en tracht de beschouwer te activeren, door hem via de geschreven boodschap van het schilderij zowel te beledigingen als te complimenteren.
Nu horen dergelijke acties bij de geëngageerde tak van de avant-garde, maar Radek heeft een andere houding. Hij wil geen moralist zijn, verwijst met zijn schilderijen niet naar directe maatschappelijke of politieke gebeurtenissen en twijfelt er zelfs aan of het wel zin heeft om mensen uit hun zelfgekozen droom te doen ontwaken.7 Toch kan hij het niet laten om ons met zijn werk te provoceren en tot alertheid aan te zetten, opdat wij de kans krijgen de werkelijkheid zonder de dikke saus van clichés te aanschouwen. In zijn schilderijen zet hij het medium als een ‘wapen’ in om onze blik niet op de schilderkunst zelf, maar op de erbuiten liggende echte werkelijkheid te richten. In zijn korte video’s, die hij vanaf 2000 maakt, gebruikt hij het filmische medium eveneens op een bijna gewelddadige wijze. Hiermee wil hij ons het alledaagse en het chaotische tonen van zijn eigen omgeving en van verlaten plaatsen die hij op zijn reizen tegenkomt, zonder de stilering en de stereotypen van de massamedia. Tegenover deze bijna ongemedieerde aanzichten, gebruikt hij eveneens aan de media ontleende, filmische beelden die hij soms tot op het bot van hun pixels reduceert. Daarnaast maakt hij video’s van geënsceneerde ongelukken, waarin hij zelf de hoofdrol speelt en die een dialoog aangaan met de door de media eindeloos herhaalde catastrofes.8
Hoewel ook deze laatste werken aansluiten bij zijn visie op de media, die op agressieve wijze leven en dood van mensen binnendringen, kondigen de geënsceneerde ongelukken ook Radeks veranderde verhouding ten opzichte van de werkelijkheid aan. Na zijn verhuizing in 2002 van Groningen naar Berlijn en zijn reizen door Europa en Zuid Amerika, drongen de politieke en sociale gebeurtenissen in de wereld zich sterk aan hem op. Ook nu is hij geen kunstenaar die actief misstanden opzoekt, maar hij wordt wel door pregnante gebeurtenissen geraakt, ook al zijn ze ver van zijn eigen belevingswereld verwijderd.9
Zo kwam in 2012 het videowerk ‘The Persian Project’ tot stand, toen Radek door woede en machteloosheid werd overvallen ten aanzien van de oorlog in het midden oosten. Voor deze indrukwekkende video gebruikte hij delen van oudere en ook nieuwe beelden die hij tot een bewegende collage samenvoegde. Stukken uit zijn eerdere video’s en aan de media ontleende filmbeelden vormen afwisselend de voor- en achtergrond van de video.10 Soms bedekken de fragmenten het beeld van de kunstenaar die met een ernstig gezicht op een onzichtbare ruit blijft kloppen, terwijl aan de beeldranden zijn hoofd als het licht van een vuurtoren ronddraait. Afbeeldingen van oosterse tapijten, met behulp van Photoshop van witte, geschreven teksten voorzien, schuiven als bij een lichtkracht van rechts de video binnen. Tussen dit alles scharrelt een vlieg rond, soms door een vinger voortgeduwd, die met zijn irritant gezoem het beeld overheerst.
De tapijten, die bij de geschiedenis van culturen van het midden oosten horen, zijn beschreven met wanhopige kreten van kinderen als: DADDY COME BACK HOME en MOMMY WHERE ARE YOU, met oproepen tot agressie of vergeving: KILL FOR ME, of ABSOLUTION en met afwerende teksten als: IT IS NOT MY PROBLEM en IT IS ALL IN YOUR HAND. De kunstenaar blijft al deze gemoedstoestanden met zijn ronddraaiende blik ‘belichten’ en houdt ons alert door zijn onhoorbaar, maar dwingend kloppen. Ondertussen blijft de vlieg maar rondzoemen als symbool van het kwaad en als het willoze slachtoffer van de pestende hand. Zo ‘schreeuwt, klopt, zoemt en smeekt de video om aandacht en hulp’, namens de slachtoffers van de verschrikkingen.11
‘The Persian Project’ werd einde 2012, begin 2013 in Berlijn getoond.12 De monitor, waarop de video speelde, lag op de grond. Daarboven hing een oosters tapijt aan de muur, voorzien van een met de hand geschreven, witte tekst: EVERYBODY WILL BE ALL RIGHT (2012).12 Dit tapijt is één van de weinige dingen die door een brand in Radeks ouderlijk huis in Polen gespaard is gebleven. De tekst lijkt uitgesproken te worden door een moeder die in angstige tijden haar kind troost met: ‘stil maar, het komt wel goed’. In connectie met de video, die het idee voor het beschilderen van een echt tapijt leverde, wordt het evident dat de moeder hier opzettelijk niet de waarheid spreekt, omdat het verschrikkelijke dat echt aan de hand is, het kind nog meer zou verontrusten.13
Met dit beschilderde tapijt komen verschillende elementen en lijnen in het oeuvre van Radek Dabrowski bij elkaar: herinneringen uit zijn jeugd, het ontwikkelen van ‘sprekende beelden’ en het gebruik van bewegende beelden met geluid, het op zoek zijn naar de ‘echte werkelijkheid’ en ook het steeds mislukken daarvan. In de tekst op het tapijt heeft de ‘spreker’ goede redenen om het niet over het waargebeurde te hebben, de media onthouden ons opzettelijk de werkelijkheid en ook wij houden onszelf voor de gek als we uit de overvloedige informatie die tot ons komt slechts het aangename filteren. Kunnen wij dan ooit tot die ‘echte werkelijkheid’ doordringen? Bestaat die werkelijkheid wel of hebben wij altijd een of ander medium nodig om een voor mensen toegankelijke werkelijkheid te ervaren?
Dergelijke vragen blijven rond het werk van Radek cirkelen. Voor hem is het in ieder geval duidelijk dat binnen de westerse cultuur, met diens leugenachtige massamedia, wij geen enkele kans hebben om ook maar iets van een ‘menselijke’ werkelijkheid op het spoor te komen. Hoe meer de kunstenaar naar gebieden gaat waar dergelijke media schaars zijn, hoe sterker hij ‘de lading van betekenis en betrokkenheid’ ervaart van de ‘daar spaarzaam aanwezige beelden van heiligen en familieleden’.14 Daarom reist hij naar verre oorden en isoleert zich zo letterlijk van onze cultuur om ‘door de ogen van de icoon te kunnen kijken’. Dan kan hij misschien een glimp van de ‘echte werkelijkheid’ opvangen, iets waar hij altijd naar verlangd heeft.15 En wie weet, zal dit juist wel hele stille beelden opleveren.
KATALIN HERZOG, februari 2015.
Noten:
1. James Ferguson, ‘The British Essayist’, Vol. 34, Glasgow 1823, p. 270. De informatie over het beeld van Daedalus stamt uit een werk van de komedieschrijver Plato (eind 5de, begin 4de eeuw v. Chr.).
2. Katalin Herzog, Anne Karen de Boer (uitgs.), Radoslaw Slawomir Miroslaw Dabrowski, Final Presentation MFA Painting 2001, Groningen.
De gele schilderijen hebben verschillende maten: 120 x 180 cm, 139 x 186 cm en 154 x 203 cm. Het project (± 30 werken) begon in 1999 en liep tot 2014 (is nog niet definitief afgesloten). Op de vroege schilderijen zijn de teksten in digitale letters aangebracht; de latere schilderijen bevatten een ‘dialoog’ tussen een digitale en een met de hand geschreven tekst.
3. Matei Calinescu, Five Faces of Modernity, ‘The Idea of the Avant-Garde’, Duke University Press, 1987 Durham,
pp. 95-148.
4. Radek Dabrowski, ‘Projectvoorstel: Kijken door de ogen van een icoon’, 2003/2004.
5. Hilarion Alfeyev, ‘Theology of Icon in the Orthodox Church’, lezing 2011, mospat.ru
6. Radek Dabrowski, ‘Schilderijen moeten gezien worden'. 2000.
7. Idem.
8. Radek Dabrowski, ‘Projectvoorstel: Kijken door de ogen van een ikoon’, 2003/2004. In Radek Dabrowski, Anthropocentric, Muzeum w Koszalinie (uitg.),Koszalin, Polen 2005, zijn beelden opgenomen van onder andere de video’s: ‘In and Out’, 2000, ‘Anthropocentric VIII’, 2001, ‘Decomposition’ 2001 en ‘I Am Still Learning to Fall’, 2004.
9. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, februari 2015.
10. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, november 2014.De video ‘The Persian Project’ is te zien op de website van de kunstenaar: radekdabrowski.com
11. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, februari 2015.
12. ‘The Persian Project’ werd van december 2012 t/m januari 2013, samen met ‘Everybody Will Be All Right’, getoond in de groepstentoonstelling: ‘Labor Berlin 12: Drifting’ bij Haus der Kulturen der Welt te Berlijn.
13. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, november 2014 en februari 2015.
14. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, februari 2015.
15. Ten tijde van het schrijven van dit artikel bevindt de kunstenaar zich op Kaap Hoorn, op het meest zuidelijke puntje van Chili.
Dit artikel is gepubliceerd in: Radek Dabrowski Works, 2015.
Het verlangen naar levende beelden werd in de oudheid ingegeven door het streven naar levensechtheid, iets wat in de moderne tijd door de film gerealiseerd werd. Maar het wonder van het beeld van Deadalus, een kunstwerk gemaakt uit dode materie dat de beschouwer sprekend tegenmoet treedt, is nog steeds actief. Ook nu nog voelen wij ons door kunstwerken vaak echt bekeken en aangesproken.
Van deze bijzondere eigenschap van kunstwerken maakt Radek Dabrowski bij uitstek gebruik. Vanaf 1999 begon hij monochrome, gele schilderijen te maken die ons met witte, digitale letters toe lijken te schreeuwen: I AM IGNORING YOU, YOU MAKE ME FEEL NOTHING of GET THE FUCK OUT OF HERE. Deze schilderijen beledigen de beschouwer, foeteren hem uit en weren hem af. Soms echter zijn ze ook aardiger en zeggen: IT’S OKAY NOW, GET CLOSER of YOU’RE SUCH A PRETTY BOY. Dan stellen zij de beschouwer gerust, geven hem complimentjes om hem naar zich toe te lokken.2
Wij zijn eraan gewend dat kunstwerken ons door hun schoonheid willen verleiden, maar dat kunstwerken ons uitfoeteren, wekt nog steeds onze bevreemding. Voor het eerst is dit toegepast door de avant-garde van de 20ste eeuw; is dus een recent procedé is in de kunst. De avant-garde kunstenaars, die zelf ook van burgerlijke komaf waren, hadden ernstige kritiek op de gezapigheid en leugenachtigheid van de burgerlijke cultuur. Zij wilden de bourgeoisie met hun werk beledigen - ‘épater les bourgeois’ - om hen tot reacties aan te zetten. Dat degenen die uitgescholden werden de kunst van de avant-garde in krasse bewoordingen afwezen, zagen de kunstenaars dan ook als een compliment. Maar er kwam een moment dat dezelfde burgers zich vreugdevol lieten uitschelden om hun vooruitstrevende smaak aan elkaar kenbaar te maken. Begin van de ondergang van de avant-garde.3
Radek Dabrowski heeft eveneens met een cultuur te maken die aan- en toegesproken dient te worden. Nu gaat het om de 21 eeuwse, westerse cultuur die zo overspoeld wordt door informatie en amusement dat zij ‘oppervlakkig en afstandelijk is geworden’. Radek meent dat de echte werkelijkheid voor ons op een grote afstand is gekomen. ‘Wij kijken ernaar via de media, waardoor we noch de werkelijkheid, noch onszelf kunnen ervaren. Wij nemen als het ware plaats in een comfortabele stoel, waarin wij voortijdig dement worden.’ Uit het enorme aanbod van de media zijn wij bovendien geneigd alleen die zaken te filteren die we aangenaam vinden. En hoe meer de massamedia ons bestoken met tot clichés vermalen informatie over de misstanden in de wereld, hoe minder wij tot ons laten doordringen. Daarom schreeuwt Radek Dabrowski uit: ‘Schud de lethargie van je af en brand al je vingers aan de werkelijkheid.’4
Aangezien de vormen waarin de avant-garde beschouwers activeerde niet meer werken, wil Radek in zijn werk verder gaan. Zijn schilderijen moeten ‘levend worden en schreeuwend de aandacht trekken’, opdat ze ‘niet passief beschouwd kunnen worden’. Zij moeten de kracht van iconen verkrijgen die de kunstenaar als kind in de orthodoxe kerken van Polen zag. De iconen zijn daar op een scherm - de iconostase - aangebracht. Elke icoon is voorzien van een verguld of verzilverd omhulsel, de riza die alleen het gezicht en de handen van de afgebeelde heilige vrijlaat. De riza isoleert de icoon van haar omgeving en benadrukt de blik van de heilige die de ogen van de gelovige zoekt, om diens aandacht op de werkelijkheid van God te richten.5 Een soortgelijke kracht en directheid wil Radek aan zijn schilderijen meegeven. Daarom maakt hij geen conventionele schilderijen die moeten behagen, maar harde en duidelijke ‘bemiddelaars’ die de beschouwer uit zijn lethargie losrukken en tot confrontatie met de echte werkelijkheid aanzetten.6 Hiertoe wendt de kunstenaar een extreem felle, gele ondergrond aan en tracht de beschouwer te activeren, door hem via de geschreven boodschap van het schilderij zowel te beledigingen als te complimenteren.
Nu horen dergelijke acties bij de geëngageerde tak van de avant-garde, maar Radek heeft een andere houding. Hij wil geen moralist zijn, verwijst met zijn schilderijen niet naar directe maatschappelijke of politieke gebeurtenissen en twijfelt er zelfs aan of het wel zin heeft om mensen uit hun zelfgekozen droom te doen ontwaken.7 Toch kan hij het niet laten om ons met zijn werk te provoceren en tot alertheid aan te zetten, opdat wij de kans krijgen de werkelijkheid zonder de dikke saus van clichés te aanschouwen. In zijn schilderijen zet hij het medium als een ‘wapen’ in om onze blik niet op de schilderkunst zelf, maar op de erbuiten liggende echte werkelijkheid te richten. In zijn korte video’s, die hij vanaf 2000 maakt, gebruikt hij het filmische medium eveneens op een bijna gewelddadige wijze. Hiermee wil hij ons het alledaagse en het chaotische tonen van zijn eigen omgeving en van verlaten plaatsen die hij op zijn reizen tegenkomt, zonder de stilering en de stereotypen van de massamedia. Tegenover deze bijna ongemedieerde aanzichten, gebruikt hij eveneens aan de media ontleende, filmische beelden die hij soms tot op het bot van hun pixels reduceert. Daarnaast maakt hij video’s van geënsceneerde ongelukken, waarin hij zelf de hoofdrol speelt en die een dialoog aangaan met de door de media eindeloos herhaalde catastrofes.8
Hoewel ook deze laatste werken aansluiten bij zijn visie op de media, die op agressieve wijze leven en dood van mensen binnendringen, kondigen de geënsceneerde ongelukken ook Radeks veranderde verhouding ten opzichte van de werkelijkheid aan. Na zijn verhuizing in 2002 van Groningen naar Berlijn en zijn reizen door Europa en Zuid Amerika, drongen de politieke en sociale gebeurtenissen in de wereld zich sterk aan hem op. Ook nu is hij geen kunstenaar die actief misstanden opzoekt, maar hij wordt wel door pregnante gebeurtenissen geraakt, ook al zijn ze ver van zijn eigen belevingswereld verwijderd.9
Zo kwam in 2012 het videowerk ‘The Persian Project’ tot stand, toen Radek door woede en machteloosheid werd overvallen ten aanzien van de oorlog in het midden oosten. Voor deze indrukwekkende video gebruikte hij delen van oudere en ook nieuwe beelden die hij tot een bewegende collage samenvoegde. Stukken uit zijn eerdere video’s en aan de media ontleende filmbeelden vormen afwisselend de voor- en achtergrond van de video.10 Soms bedekken de fragmenten het beeld van de kunstenaar die met een ernstig gezicht op een onzichtbare ruit blijft kloppen, terwijl aan de beeldranden zijn hoofd als het licht van een vuurtoren ronddraait. Afbeeldingen van oosterse tapijten, met behulp van Photoshop van witte, geschreven teksten voorzien, schuiven als bij een lichtkracht van rechts de video binnen. Tussen dit alles scharrelt een vlieg rond, soms door een vinger voortgeduwd, die met zijn irritant gezoem het beeld overheerst.
De tapijten, die bij de geschiedenis van culturen van het midden oosten horen, zijn beschreven met wanhopige kreten van kinderen als: DADDY COME BACK HOME en MOMMY WHERE ARE YOU, met oproepen tot agressie of vergeving: KILL FOR ME, of ABSOLUTION en met afwerende teksten als: IT IS NOT MY PROBLEM en IT IS ALL IN YOUR HAND. De kunstenaar blijft al deze gemoedstoestanden met zijn ronddraaiende blik ‘belichten’ en houdt ons alert door zijn onhoorbaar, maar dwingend kloppen. Ondertussen blijft de vlieg maar rondzoemen als symbool van het kwaad en als het willoze slachtoffer van de pestende hand. Zo ‘schreeuwt, klopt, zoemt en smeekt de video om aandacht en hulp’, namens de slachtoffers van de verschrikkingen.11
‘The Persian Project’ werd einde 2012, begin 2013 in Berlijn getoond.12 De monitor, waarop de video speelde, lag op de grond. Daarboven hing een oosters tapijt aan de muur, voorzien van een met de hand geschreven, witte tekst: EVERYBODY WILL BE ALL RIGHT (2012).12 Dit tapijt is één van de weinige dingen die door een brand in Radeks ouderlijk huis in Polen gespaard is gebleven. De tekst lijkt uitgesproken te worden door een moeder die in angstige tijden haar kind troost met: ‘stil maar, het komt wel goed’. In connectie met de video, die het idee voor het beschilderen van een echt tapijt leverde, wordt het evident dat de moeder hier opzettelijk niet de waarheid spreekt, omdat het verschrikkelijke dat echt aan de hand is, het kind nog meer zou verontrusten.13
Met dit beschilderde tapijt komen verschillende elementen en lijnen in het oeuvre van Radek Dabrowski bij elkaar: herinneringen uit zijn jeugd, het ontwikkelen van ‘sprekende beelden’ en het gebruik van bewegende beelden met geluid, het op zoek zijn naar de ‘echte werkelijkheid’ en ook het steeds mislukken daarvan. In de tekst op het tapijt heeft de ‘spreker’ goede redenen om het niet over het waargebeurde te hebben, de media onthouden ons opzettelijk de werkelijkheid en ook wij houden onszelf voor de gek als we uit de overvloedige informatie die tot ons komt slechts het aangename filteren. Kunnen wij dan ooit tot die ‘echte werkelijkheid’ doordringen? Bestaat die werkelijkheid wel of hebben wij altijd een of ander medium nodig om een voor mensen toegankelijke werkelijkheid te ervaren?
Dergelijke vragen blijven rond het werk van Radek cirkelen. Voor hem is het in ieder geval duidelijk dat binnen de westerse cultuur, met diens leugenachtige massamedia, wij geen enkele kans hebben om ook maar iets van een ‘menselijke’ werkelijkheid op het spoor te komen. Hoe meer de kunstenaar naar gebieden gaat waar dergelijke media schaars zijn, hoe sterker hij ‘de lading van betekenis en betrokkenheid’ ervaart van de ‘daar spaarzaam aanwezige beelden van heiligen en familieleden’.14 Daarom reist hij naar verre oorden en isoleert zich zo letterlijk van onze cultuur om ‘door de ogen van de icoon te kunnen kijken’. Dan kan hij misschien een glimp van de ‘echte werkelijkheid’ opvangen, iets waar hij altijd naar verlangd heeft.15 En wie weet, zal dit juist wel hele stille beelden opleveren.
KATALIN HERZOG, februari 2015.
Noten:
1. James Ferguson, ‘The British Essayist’, Vol. 34, Glasgow 1823, p. 270. De informatie over het beeld van Daedalus stamt uit een werk van de komedieschrijver Plato (eind 5de, begin 4de eeuw v. Chr.).
2. Katalin Herzog, Anne Karen de Boer (uitgs.), Radoslaw Slawomir Miroslaw Dabrowski, Final Presentation MFA Painting 2001, Groningen.
De gele schilderijen hebben verschillende maten: 120 x 180 cm, 139 x 186 cm en 154 x 203 cm. Het project (± 30 werken) begon in 1999 en liep tot 2014 (is nog niet definitief afgesloten). Op de vroege schilderijen zijn de teksten in digitale letters aangebracht; de latere schilderijen bevatten een ‘dialoog’ tussen een digitale en een met de hand geschreven tekst.
3. Matei Calinescu, Five Faces of Modernity, ‘The Idea of the Avant-Garde’, Duke University Press, 1987 Durham,
pp. 95-148.
4. Radek Dabrowski, ‘Projectvoorstel: Kijken door de ogen van een icoon’, 2003/2004.
5. Hilarion Alfeyev, ‘Theology of Icon in the Orthodox Church’, lezing 2011, mospat.ru
6. Radek Dabrowski, ‘Schilderijen moeten gezien worden'. 2000.
7. Idem.
8. Radek Dabrowski, ‘Projectvoorstel: Kijken door de ogen van een ikoon’, 2003/2004. In Radek Dabrowski, Anthropocentric, Muzeum w Koszalinie (uitg.),Koszalin, Polen 2005, zijn beelden opgenomen van onder andere de video’s: ‘In and Out’, 2000, ‘Anthropocentric VIII’, 2001, ‘Decomposition’ 2001 en ‘I Am Still Learning to Fall’, 2004.
9. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, februari 2015.
10. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, november 2014.De video ‘The Persian Project’ is te zien op de website van de kunstenaar: radekdabrowski.com
11. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, februari 2015.
12. ‘The Persian Project’ werd van december 2012 t/m januari 2013, samen met ‘Everybody Will Be All Right’, getoond in de groepstentoonstelling: ‘Labor Berlin 12: Drifting’ bij Haus der Kulturen der Welt te Berlijn.
13. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, november 2014 en februari 2015.
14. Uit: mailwisseling tussen Radek Dabrowski en Katalin Herzog, februari 2015.
15. Ten tijde van het schrijven van dit artikel bevindt de kunstenaar zich op Kaap Hoorn, op het meest zuidelijke puntje van Chili.
Dit artikel is gepubliceerd in: Radek Dabrowski Works, 2015.
vrijdag 27 februari 2015
HEEL EMOTIONEEL
Waar is de nuchtere Nederlander gebleven? In Friesland loopt er nog één rond, weet Mart Smeets, die in een uitzending van DWDD over zijn televisieportret van Jillert Anema mocht vertellen. Smeets ‘kon wel janken’ om de ‘prachtige nuchterheid’ van de schaatscoach die amper woorden nodig heeft om zijn pupillen te motiveren. Deze typisch Friese eigenschap zou ervoor zorgen dat ‘Jillert, Jillert bleef’. Waaraan Smeets in zijn beste Fries toevoegde: ‘Sa mat it altijd blieven.’
Ook de volgende gast van Matthijs van Nieuwkerk kwam met een tearjerker, de tentoonstelling: ‘Late Rembrandt’ in het Rijksmuseum. Taco Dibbits, directeur collecties, kondigde de blockbuster aan. Juist in de moeilijkste periode van zijn leven was Rembrandt met zijn kunst ‘tot de hoogste hoogten gestegen’. Van die werken ‘springen de tranen je in de ogen; volle emotie’, riep de enthousiaste kunsthistoricus. En alsof dit niet genoeg was, nodigde Dibbits ons in een reclameboodschap uit tot het bezoeken van de tentoonstelling die je bijna niet met droge ogen kan verlaten. ‘Het wordt once in a lifetime’, nee ‘once in eternity’!
Nederland is een land van huilebalken geworden, althans op de televisie. Onze eens zo nuchtere landgenoten snotteren wat af over hun (nog levende) ouders of kinderen en huilen tranen met tuiten bij het verliezen van een of andere zinloze wedstrijd. Terwijl ver van ons bed mensen onthoofd of levend verbrand worden, vinden we het in Nederland gezelliger om op grond van minieme ontroeringen en klein verdriet onze emoties uit te storten.
Geen gesprek op televisie, of er is emotionaliteit. Als de spreker er zelf niet mee komt, vraagt de presentator wel: ‘maar was het dan niet heel emotioneel?’ En dat was het. Weliswaar loopt men niet jammerend over straat, maar eenmaal op televisie weet iedereen hoe hij zijn emoties moet uiten of benoemen. Terwijl mensen vroeger voor rationele wezens werden aangezien, denkt men tegenwoordig dat ‘de essentie van de mens’ alleen zijn emotionaliteit kan zijn.
En dus moet je nu ook ontroerd raken door de oude Rembrandt die ‘veel persoonlijke tragedie’ meemaakte en juist daardoor in zijn werk ‘de echte menselijke emoties’ kon tonen. Kijk hoe treffend hij ‘de mens van vlees en bloed’ weergaf, roepen de gasten om de tafel van Van Nieuwkerk.
Het gaat niet meer om kunst, zoals die van de 20ste eeuw, die door haar weerbarstigheid en onhandigheid shockeerde. De romantiek lijkt te zijn wedergekeerd. Want Rembrandt was niet altijd de romantische grootheid, waarvoor hij nu wordt gehouden. In zijn tijd vond men zijn late werk maar geklieder. Pas in de 19de eeuw werd hij het genie dat nu in het Rijksmuseum wordt gevierd. Sindsdien is er van alles op de schilder geprojecteerd. Hij zou een rebel en het nationaal (nationalistisch) symbool zijn, hij is de grootste schilder aller tijden, hij is bijna een impressionist, nee een expressionist.
Dergelijke verzinsels versluieren het zicht op het werk van Rembrandt, waaraan ook het Rijksmuseum meedoet. Als hij de tentoonstelling aanprijst, straalt het gezicht van Taco Dibbits van euforie. Zijn ogen lijken vochtig, zijn mond trekt scheef van ontroering. Is hij werkelijk zo ‘emotioneel’ of gebruikt hij schaamteloos de verleidingstechnieken van de televisie? Hij kent het historische verhaal van Rembrandt. Hij hoort dat bij DWDD verschillende ideeën over het kunstenaarschap door elkaar worden gehusseld. En dan die reclame... Hij moet weten dat topervaringen zich niet laten regisseren. Of biedt al die geleerdheid toch geen bescherming tegen sentimentaliteit?
Dibbits is natuurlijk niet de hoofdschuldige. Hij heeft de cultus van de emoties niet uitgevonden; die komt uit onze cultuur. Wel maakt hij er gebruik van om commercieel bruikbare mythes te verkondigen, waar het Rijksmuseum wel bij vaart. Ongetwijfeld doet het museum goede dingen voor de kunst die het beheert, maar in al die reclame voor ‘once in eternity’ belevenissen dreigt kunst wel tot clichés te worden vermalen. En hiervan zou ik bijna kunnen huilen, als ik heel emotioneel was.
KATALIN HERZOG
Deze column werd gepubliceerd in de KunstKrant,19de Jg. nr. 2, maart/april 2015
dinsdag 13 januari 2015
DE TRECHTER VAN NEURENBERG

‘Je moet nu aan je huiswerk beginnen; de trechter van Neurenberg is helaas zoekgeraakt’ zei mijn vader als ik draalde om mijn boeken te pakken. Door de trechter kon vroeger rechtstreeks kennis in de hoofden van onwillige leerlingen worden gegoten, volgens mijn vader. Sinds het wonderbaarlijke voorwerp verloren was gegaan, moest de leerling echter zelf alle kennis verwerven. Dat kennis noodzakelijk was voor een plaats in de maatschappij, levensgeluk en voor wijsheid op de oude dag, daarover bestond er in de wetenschappelijke wereld van mijn vader geen twijfel. Ook nu nog is de verwerving van kennis van groot belang in vele sociale en culturele gebieden en binnen vele beschavingen. Er is echter één pertinente uitzondering. Voor westerse kunstenaars wordt kennis sinds de romantiek opgevat als een substantie die hun intuïtie vergiftigt, zodat zij geen originele werken meer kunnen maken.
Dit is niet altijd zo geweest. Toen beeldende kunst nog als ambacht gold, moest de ‘kunstenaar’ veel praktische kennis bezitten. Na de vijftiende eeuw kwam daar ook kennis bij van literaire bronnen, perspectief en anatomie. In de zeventiende eeuw moest een kunstenaar die roem en geld wilde vergaren een geleerde schilder zijn, wiens werk voor erudiete lieden 'leesbaar' was. Dat kunst niet meer intellectueel hoefde te zijn, maar een expressie was van de emoties van de kunstenaar is eind achttiende eeuw ingezet als een grote breuk in de westerse kunsttheorie. Hiermee ging ook de opvatting gepaard van de geniale kunstenaar die door God of de natuur met zoveel talent begiftigd was dat hij niets meer hoefde te leren. Hij was de maat voor die minder begaafden die moeizaam dienden te verwerven wat intuïtief uit het genie vloeide. Het genie taalde er niet naar dat de trechter van Neurenberg verloren was gegaan. Hij was al geheel volgegoten met superieure emoties die aan de essentie van de werkelijkheid gerelateerd waren. Naar buiten toe was zo iemand sociaal onaangepast en leek soms zelfs gek, omdat genie en waanzin al vanaf de oudheid als tweelingbegrippen golden.
Binnen deze opvattingen was er nog een beperking van de hoeveelheid genieën, maar zoals dat met gepopulariseerde begrippen gaat, werd genialiteit op het terrein van de kunsten spoedig door iedereen geclaimd. Vooral het kunstonderwijs heeft hieronder geleden; vanaf de romantiek was kunst niet meer te leren. Bijbrengen van kennis ging nog wel door op kunstacademies, maar was verdacht, omdat het de wilde originaliteit van kunstenaars zou onderdrukken en cerebrale werken, zonder emoties, zou opleveren.
Hierdoor kreeg ook de kunstkritiek een grote klap. Tot aan de negentiende eeuw kon men een schilderij beoordelen naar de kwaliteit van het vakmanschap, de goede toepassing van perspectief en anatomie en de interpretatie van grote thema’s. Vanaf de romantiek echter moest de criticus bepalen of het werk wel origineel was, of het heftige emoties uitdrukte en of het de essentie van de werkelijkheid raakte. De criticus had wel een probleem: hij moest even geniaal zijn als de kunstenaar, anders kon hij het werk niet beoordelen.
Men zou kunnen zeggen dat in de tegenwoordige tijd dit geen problemen meer kunnen zijn. Men weet nu toch dat aankomende kunstenaars geen genieën zijn, dat ze onderwijs nodig hebben, dus het kunstonderwijs zou nieuw ingericht kunnen worden. Het is nu duidelijk dat postmoderne kunst een soort collage van culturele gegevens is met individuele accenten. Voor een criticus moet het niet moeilijk zijn om te bepalen welk van die mengsels meer of minder interessant is. Maar de werkelijkheid is anders. Kunstacademies hebben moeite met het inrichten van het onderwijs en de kunstkritiek is het spoor bijster.
De vragen stapelen zich op. Wat voor soort kennis hebben aankomende kunstenaars nodig? Moet de theorie ook academische kennis omhelzen? Is het nodig om daarvoor met universiteiten te gaan samenwerken? Hoe is te voorkomen dat studenten door al die kennis hun beeldende intuïtie kwijtraken? Als originaliteit en emoties niet meer de belangrijkste criteria voor kwaliteit zijn, waarnaar moet de criticus dan zoeken? Wat is tegenwoordig het verschil tussen kunst en de culturele uitingen die ons voorgeschoteld worden door de massamedia? Wat is het aandeel van de context in een werk ten opzichte van individuele oplossingen van de kunstenaar?
In deze vragen klinkt door dat het genie met node gemist wordt. Want ondanks dat de romantiek meer dan tweehonderd jaar oud is, smeulen haar opvattingen over kunst en kunstenaarschap nog steeds; in de kunstwereld zijn ze nog latent aanwezig. Dit zorgt voor merkwaardige paradoxen, waarvan hier een voorbeeld. Onlangs hoorde ik dat studenten van een vermaarde, tweede fase instituut tegenover critici en publiek de geniale kunstenaar uithangen. Op vragen over hun werk en ideeën geven zij ‘verkeerde’ antwoorden, opdat niemand hen van enige reflectie en kennis zou kunnen betichten. Ik weet niet of hen dit wordt aangeraden of dat het daar ‘bon ton’ is om zo te reageren. Als docent binnen het kunstonderwijs ben ik echter verbijsterd bij het horen van zoiets. De romantici wilden kunst ontdoen van alle conventies; kunstenaars moesten kunnen maken wat in hun gemoed opkwam. Nu deze wens in de postmoderne tijd is uitgekomen, worden de romantische waarden als norm gebruikt om de vrijheid van de kunstenaar in te perken. Een kunstenaar is nog steeds een subversieve wilde of hij is geen kunstenaar!

Nog meer dan vroeger, zou ik nu de trechter van Neurenberg willen vinden. Dan kon ik al die onwilligen van hun dogma’s afhelpen. Helaas is de trechter voor altijd verloren gegaan.
KATALIN HERZOG
Deze column werd in 2003 gepubliceerd in De Nieuwe, Arti et Amicitiae.
Abonneren op:
Posts (Atom)



















