maandag 24 december 2018

GERED DOOR DE SLIMSTE MENS?




Toen ik Stefano Keizers in het programma De slimste mens zag, had ik een déjà vu: daar zit warempel een Dadaïst! Op een gegeven moment noemde hij zichzelf een ‘gekke kunstenaar’, waardoor ik op zoek ging naar zijn antecedenten.

Nu bleek ik niet de enige die hem fascinerend vond. De mediawereld stortte zich op hem en wilde erachter komen wie hij was. Nadat hij de finale van het programma haalde, werd hij bij alle talkshows uitgenodigd om over zichzelf te praten. Het bleek om Gover Meit te gaan die in 2009 afgestudeerd was aan de Rietveld Academie. Acht jaar lang beoefende hij allerlei kunstachtige activiteiten; het lukte hem maar niet om ‘door te breken’. Zo was hij zanger bij Wooden Constructions en kreeg hij de juryprijs van het Amsterdamse Kleinkunst Festival. Pas toen hij in een televisiequiz verscheen, werd hij echt opgemerkt.

De slimste mens gaat om triviale weetjes en een doorsnee manier van denken. Toch zijn de deelnemers bang om voor dom aangezien te worden. Zo niet Stefano Keizers. Met veel bluf wist hij door de quiz te zeilen en met rare verhaaltjes en verkleedpartijen op te vallen. Daarbij was het steeds onduidelijk of hij de waarheid sprak dan wel iets verzon. Later schemerde er enige oprechtheid door, toen hij in een interview zei dat het vaak waar is als hij onzin lijkt uit te kramen en onzin is als hij iets serieus brengt. In de quiz kwam hij zeer origineel over, maar de methoden die hij gebruikt, waren al bekend bij de Dadaïsten aan het begin van de 20ste eeuw. Iets wat hij, opgeleid als kunstenaar, wel zal weten.

In 1916 zetten gevluchte kunstenaars in Zürich het Cabaret Voltaire op om te protesteren tegen de burgerlijke cultuur die de eerste wereldoorlog had voortgebracht. Ter voorkoming van zo’n onzinnige gebeurtenis in de toekomst, moest alles radicaal op de schop, ook de kunsten. Met behulp van ironie, onzin en toeval leverden zij kritiek op de burgerlijke cultuur, waarbij zij raar uitgedost, onzinnige teksten en klankgedichten ten gehore brachten. De onzin-naam ‘Dada’ duidde, net als hun teksten, op het streven naar een nieuwe taal die de burgerlijke logica en waarden om zeep moest helpen. Hun kostuums, objecten, teksten en gedichten zagen zij niet als kunstwerken, maar als hulpmiddelen om het publiek van de noodzaak van maatschappelijke en culturele omwentelingen te doordingen. Zoals dat echter gewoonlijk gaat, werd deze anti-kunst aanleiding voor nieuwe kunststromingen en maken de Dadaïstische methoden nog steeds deel uit van de kunst.

Niet voor niets zag ik Stefano Keizers aan voor een Dadaïst. Hij gebruikt ironie, onzin en toeval om zijn kritiek op de tegenwoordige levenswijzen en commerciële cultuur humoristisch vorm te geven. Hij verzet zich tegen clichés en streeft naar authenticiteit, iets wat hij met moderne kunstenaars deelt. Toch lijkt hij niet helemaal op zijn voorgangers. Toen de roem maar niet kwam, wendde hij zich, net als de Dadaïsten tot de kleinkunst, waarvan de hybride vormen bij hem passen en gebruikte hij de televisie om de aandacht op op zich te vestigen. Televisie, voor de Dadaïsten nog niet beschikbaar, is echter een problematisch massamedium. Het buit nieuwheid uit en genereert een snelle, onstabiele beroemdheid. Stefano Keizers pakte echter deze kans aan, geholpen door de Belgen die in hun Slimste mens al quiz en cabaret met elkaar hadden verbonden.

Zo kon hij zijn cabaretvoorstelling Erg Heel realiseren en zijn boek Twee luitenanten doen verschijnen, waarin hij van zijn eigen leven uitgaat. Hiermee wijkt hij af van de Dadaïsten die, zoals alle postromantische kunstenaars, individualistisch waren, maar in hun werk algemene doelen nastreefden. In onze super-individualistische en gemedieerde cultuur speelt het autobiografische echter zo’n overheersende rol dat het makkelijk een valkuil kan vormen. Voor Stefano Keizers loeren er dan ook gevaren. Als materiaal gebruikt hij zijn eerdere mislukkingen, een bron die na enig succes snel op kan drogen en de media, die hem eerst een kans boden, kunnen door alleen zijn vreemde persoonlijkheid te benadrukken, hem zo ‘populair’ maken dat hij als kunstenaar in korte tijd ‘oninteressant’ wordt.

Daarom vestig ik mijn hoop op de eigenzinnigheid van Gover Meit die ondanks de welkome aandacht zijn zelfkritiek behoudt, nieuwe materialen en vormen zoekt en risico’s blijft aangaan, opdat de ‘slimste mensen’ van de media hem niet met huid en haar verslinden.

Katalin Herzog

Deze column werd gepubliceerd in de KunstKrant, 23ste Jg. nr.1, Januari/Februari 2019, p. 9.
De hier weergegeven versie wijkt wat betreft kleine wijzigingen in de formulering iets af van de op papier gepubliceerde.