maandag 21 december 2020

PROJECT REMBRANDT

*

De tweede editie van Project Rembrandt trok maar liefst 900 aanmeldingen van amateurschilders. Annechien Steenhuizen die het televisieprogramma presenteerde, verklaarde het ‘geheim’ ervan als volgt: ‘Het is leuk om naar kunst te kijken. Thuis begint het ook te kriebelen om te gaan schilderen. Je steekt er wat van op. En er is een wedstrijdelement.’ Dit klink inderdaad ‘leuk’, maar wat was het echte doel van Project Rembrandt?

In acht afleveringen ging men op zoek naar de ‘beste amateurkunstschilder van Nederland’. Men zocht dus een schilder zonder of met weinig opleiding die ‘kunst’ maakt en wel met olieverf in de stijl van Rembrandt. Met die naamgeving begon al de grote misleiding. De dertig geselecteerden hadden wel schilderen als hobby, maar uit hun midden kon niet zomaar de beste amateurkunstschilder gekozen worden. Hun beginniveau was laag en ze moesten dus in het programma ‘opgeleid’ worden om in de traditie van Rembrandt te werken. Dit werd althans gesuggereerd, hoewel men zou kunnen weten dat zoiets onmogelijk is. Niet alleen zijn de beschikbare tijd, en de omstandigheden van een televisieprogramma daar niet naar, maar zelfs de meest getalenteerde 21ste -eeuwer kan onmogelijk naar de 17de eeuw terug.

 

Toch droegen de prestigieuze locaties, zoals het Rijksmuseum en Paleis Het Loo, maar ook de opdrachten bij aan het idee van zo’n tijdreis. De kandidaten leerden een onderschildering op te zetten, portretten en figuurstukken met olieverf te schilderen en een ets à la Rembrandt te maken. Wel werd het hen gemakkelijk gemaakt, want onderschilderen betekende het doek vies maken, voordat ze met water verdunbare olieverf gingen schilderen en ze moesten een ‘drogenaaldets’ maken – dus een niet-bestaande techniek gebruiken – die op het bekrassen van een plexiglasplaat neerkwam.

 

Ook de beide docenten deden mee aan de misleiding. Iris Frederix, die de klassieke schildertrant moest vertegenwoordigen, maakt zelf mierzoete, licht-erotische schilderijen en Tyas Leeuwerink, een docent beeldende vorming, vond modernistische originaliteit en experiment belangrijk, die de kandidaten dan toch met (aangeleerde) technieken moesten bereiken. Dat het de deelnemers juist aan kennis, techniek en originaliteit ontbrak, deed er kennelijk niet toe. De docenten schenen te denken dat mede door hun lessen dat ‘amateurkunstenaarschap’ wel bij iemand zou blijken.

 

Gedurende het verloop van het programma, maakten de deelnemers nauwelijks enige vooruitgang. Ze hielden hun gereedschappen verkeerd vast, veranderden kleuren in grijsbruine smurrie en maakten ongewilde karikaturen van hun modellen. Dit is hen niet aan te rekenen; het gebeurt bij iedereen die met ‘schilderen naar de natuur’ begint. Pas geleidelijk aan leert men heldere kleuren te gebruiken en gezichten, lichamen goed in beeld te brengen. Binnen een televisieprogramma is daar niet genoeg tijd voor. Maar als een schilderij al ergens op begon te lijken, verzekerde de vakjury dat de kandidaat knap werk leverde.

 

Die vakjury bestond uit Pieter Roelofs, hoofd schilder- en beeldhouwkunst van het Rijksmuseum die het programma telkens aan de ‘oude meesters’ moest herinneren, en Lita Cabellut, een portretschilder die Hollywoodachtige effecten gebruikt. Bij de beoordeling moesten zij de samenwerking tussen geleerdheid en passie garanderen. Naast hen was er ook een publieksjury die nogal eens de door de vakjury gewaardeerde werken voor de lelijkste aanzag.

 

Maar de publieksjury bood ook uitkomst in de vijfde aflevering, toen de bescheiden Melda het veld moest ruimen. Al vanaf het begin viel op dat zij iets verder was dan de anderen. Vervolgens won zij drie technische opdrachten achter elkaar, maar slaagde er niet in om in een portret genoeg contrast aan te brengen. Toen de publieksjury haar werk als een van de minste beoordeelde, besloot de vakjury haar naar huis te sturen. Kijkers reageerden heftig op het wegsturen van Melda, maar achter de coulissen moeten de docenten en de vakjury een zucht van verlichting hebben geslaakt. Melda had namelijk al een deeltijdopleiding schilderen van vijf jaar bij de ‘kleinste en noordelijkste academie’ in Friesland doorlopen. Stel dat zij zou winnen, dan zou Project Rembrandt jammerlijk mislukt zijn, omdat het er niet in geslaagd was om een totale amateur als de beste te ‘bekronen’.

 

Een project dat op zoveel misleiding berust, is echter al vanaf het begin mislukt en dat zou iedereen met enig verstand van kunst gezien moeten hebben. Ik begrijp dat het eigenlijk niet om kunst, maar om amusement ging. Toch schaam ik mij er plaatsvervangend voor dat zoiets in Nederland mogelijk is.

 

Katalin Herzog


* Rembrandt van Rijn, Saskia met rode bloem, 1641.


Deze column werd gepubliceerd in de KunstKrant 25ste Jg. nr. 1, januari/februari 2021, p. 15.