vrijdag 29 oktober 2010

CYNISCHE KUNST



Van 28 augustus tot 24 september 2010 had Erik van Lieshout een winkel op het Zuidplein in Rotterdam. Het was ingericht als een echte winkel, maar er was niets te koop. Van het uitgestalde afval kon je gratis meenemen wat je beviel.

Rotterdam Zuid is een achterstandswijk die nu heringericht moet worden, mede met behulp van kunstprojecten. In dat kader werd Van Lieshout door Sculpture International Rotterdam uitgenodigd om iets te doen à raison van 75. 000 euro subsidie. De winkel was een idee van de kunstenaar om materiaal te vergaren voor een film over de ‘politiek-sociale onmacht van mensen en de kunst’. Een niet al te duidelijke doelstelling.

Elke dag was de kunstenaar in zijn winkel, waar op de ruit de slogans, ‘Erik maakt gelukkig’ en ‘Echte luxe is niets kopen’ prijkten. Hij sprak met mensen die de winkel bezochten, maakte filmopnamen en tekeningen van hen en zat uren bij de toiletjuffrouw om interessant materiaal te vergaren. Temidden van de grote winkelketens protesteerde Van Lieshout tegen de huidige overconsumptie en de daaraan gekoppelde overproductie van goederen. Een sterk punt van deze onderneming was dat dit gebeurde op een plek waar mensen weinig te besteden hebben en toch tot kopen verleid worden. Het kan dan ook als een variant van 'community art' gezien worden, een kunstvorm voor en met mensen in een buurt, met de bedoeling om hen meer bij hun eigen omgeving te betrekken.

Maar was Van Lieshout vooral kritisch en menslievend, zoals het officiële verhaal wil doen geloven? Zo energiek en rommelig als zijn werk meestal is, zo chaotisch zijn ook zijn uitspraken. Ja, hij wilde de overconsumptie belichten, maar zich ook thuis voelen tussen gewone mensen, veel aandacht krijgen en vooral ‘kunst’ maken. Van degenen die zijn winkel bezochten, maakte hij tekeningen, waarvan hij de eerste voor 14.000 euro verkocht. En hij kwam erachter dat ze geen ongelukkige zielenpieten waren, maar een hecht gemeenschap vormden en het onderling gezellig hadden. Toen de recensent van de Volkskrant hem confronteerde met zijn inconsequente houding, voelde hij zich betrapt, maar paste er snel een mouw aan: ‘Ik haal mijn inspiratie van deze mensen en dat verkoop ik dan voor 14.000 euro. Dat is het thema.’

Zo kunnen warrige uitgangspunten in de huidige kunst gerepareerd worden. De overheid wil arme mensen in achterstandswijken beschaven met behulp van kunstprojecten, waar die mensen geen enkele boodschap aan hebben. Een kunstenaar krijgt de opdracht die het onder de mom van een kritische sociale houding vooral om zichzelf, zijn eigen werk en verdiensten gaat. En in publicaties over dit gebeuren is er bijna niemand die de charade ontmaskert.

Dit is waarlijk een cynische vorm van kunst, want de mensen in Rotterdam Zuid profiteren hier niet van. Zij worden vooral gebruikt terwille van de status van kunstinstituties en kunstenaars. Van Lieshout had gelijk, het project toont ‘onmacht ‘ en dan vooral de onmacht om helder en behoorlijk te denken.

KATALIN HERZOG

Deze column werd gepubliceerd in KunstKrant, Jg. 14, november/december, 2010, p.5.

zondag 24 oktober 2010

CRITICUS KEN JE PLAATS!




In literatuurland bestaan ze nog, de machtige critici die werken geheel en al de grond in kunnen boren. Zo oordeelde de Duitse literartuurcriticus Marcel Reich-Ranicki in 1995 vernietigend over een roman van Günter Grass, waarmee hij de omslag van Der Spiegel haalde: hij werd getoond terwijl hij het boek letterlijk aan stukken scheurde.1 Kunstcritici hebben goede redenen om minder zelfbewust te zijn. Beoordelen van beeldende kunst - naast informeren en interpreteren, een van de voornaamste taken van de kunstkritiek - is tegenwoordig een problematische activiteit geworden. De eens zo invloedrijke kunstcriticus die, zoals Emile Zola in de negentiende eeuw of Clement Greenberg in de twintigste eeuw, carrières en stromingen kon maken en breken, bestaat niet meer. In de publieke opinie geldt de criticus nu als aanmatigend, omdat hij per definitie te weinig weet, geheel subjectief lijkt te oordelen en misschien wel een mislukte kunstenaar is.

Hoe kon de trotse rechter van de goede smaak of de profeet die ware kunst aanwijst tot zo'n zielige figuur verworden? Op wat voor manier gaan praktizerende critici om met deze zo uitzichtloos lijkende situatie? Is er überhaupt nog een toekomst voor de kunstkritiek weggelegd? En zou deze toekomst misschien kunnen liggen in een toenadering van kunstkritiek, kunstgeschiedenis en kunsttheorie tot elkaar? Dergelijke vragen houden mij al geruime tijd bezig en zullen als leidraad dienen voor mijn verdere betoog. Hierbij zal ik twee wegen bewandelen: ik beschouw de situatie van de kunstkritiek, zowel in het algemeen als getoetst aan een specifiek voorbeeld. Dit voorbeeld is de dagbladkritiek van de laatste tien jaar over het werk van de Nederlandse kunstenaar Roy Villevoye. Na behandeling hiervan doe ik een voorstel voor de 'plaats' en de houding van de nieuwe criticus.

Is oordelen nog mogelijk?

Dat het kwaliteitsoordeel tegenwoordig zo problematisch is binnen de kunstkritiek, heeft een geschiedenis, waarvan ik hier enkele hoofdlijnen wil schetsen. In het vroege schrijven over kunst, tot aan de achttiende eeuw, verliep het oordeel aan de hand van min of meer impliciete criteria. Zolang de opvattingen over kunst pragmatisch, mimetisch en ambachtelijk waren, was het zonder veel argumentatie duidelijk of een kunstwerk wel of geen kwaliteit had. De schrijver vertelde het publiek dat je er wel of niet iets van kon leren, dat het wel of niet 'de natuur' volgde en dat het technisch volkomen of onvolkomen was. Zo kon hij een baken bieden voor de kwaliteit van kunst.2

Met de komst van de romantiek ontstonden de problemen, maar ook het genre dat wij tegenwoordig kunstkritiek noemen. Nu moest het kunstwerk namelijk beoordeeld worden op eerlijkheid ten opzichte van de gevoelens van de geniale kunstenaar. En daar was alleen een congeniale criticus, iemand met dezelfde artistieke gevoeligheid als de kunstenaar, toe in staat.3 Geen wonder dat critici, zoals Charles Baudelaire en Emile Zola literatoren waren die in de kringen van beeldende kunstenaars verkeerden. Dergelijke critici waren partijdig en traden vaak op als verdedigers van nog niet geaccepteerde kunst. Wezen ze iets af, dan hadden zij voor hun oordeel een meer of minder consistent systeem van criteria geformuleerd dat persoonlijk leek, maar schatplichtig was aan algemene romantische ideeën.4 De kunstkritiek splitste zich in de negentiende eeuw op in een conservatieve en een vooruitstrevende richting; de eerste verdedigde de regels en de tweede de regeldoorbreking in de kunst. Op den duur bleek echter alleen de laatste invloedrijk.

De romantische opvattingen over kunst en kunstenaarschap consolideerden zich namelijk in een ideologie die twee met elkaar vervlochten velden kent: de genietheorie van de kunstenaar en de expressietheorie van het kunstwerk. Beide zijn veelomvattend, maar zoals elke ideologie kunnen ze tot een eenvoudig klinkende slogan herleid worden: "het kunstwerk is de uitdrukking van de emoties van de kunstenaar; een creatieve eenling". Dit had grote gevolgen zowel voor de productie als voor de beoordeling van kunst. Genialiteit, in de achttiende eeuw nog beschouwd als een aangeboren eigenschap van enkelen, werd nu door alle kunstenaars geclaimd en door de critici als norm voor het kunstenaarschap gehanteerd. De ideologie bleek echter niet gemakkelijk in het gebruik.

Buiten de hiërarchie van genres en de geaccepteerde iconografie om, moest de kunstenaar nu zelf de inhouden van zijn werk bepalen. Daarvoor keerde hij zijn rug naar de westerse traditie en zocht steun bij tradities die als "primitief" werden gezien en in tijd of plaats ver van hem af lagen. Als genie moest hij origineel en vernieuwend zijn en daalde daarvoor af naar steeds "primitievere" bronnen; zijn eigen leven en persoonlijke ervaringen vormden dan ook in toenemende mate de oorsprong voor zijn werk. Kunst en leven, kunst en persoonlijkheid werden zeer nauw op elkaar betrokken.5 De mentaliteit van de kunstenaar kwam ook centraal te staan in de kunstkritiek die zo elke aanspraak op objectiviteit leek te verliezen. Want paradoxaal genoeg werd een soort wetenschappelijke afstand verwacht van een genre dat al vanaf zijn ontstaan dichter bij de lofrede dan bij het onderzoek stond. Een andere aspect van de romantische ideologie gaf de criticus echter weer vaste grond onder zijn voeten.

Modificeerde de romantische kunstenaar nog bestaande stijlen, met de komst van de avant-garde moest hij ook een nieuwe stijl ontwikkelen. Elke kunstenaar had nu persoonlijke thema's, maar voor de ontwikkeling van een stijl en de daarbij behorende theorie steunde hij nog op verwante geesten, zowel kunstenaars als critici. Stijl en theorie (al of niet in manifesten neergelegd) werden in de eerste helft van de twintigste eeuw de bakens voor kunstenaars en critici.6 Stilistische vernieuwingen en radicaliteit van denkbeelden konden namelijk wel beoordeeld worden. De criticus die zich ook een profetische rol in het voorspellen van vernieuwingen had aangemeten, werd nu ongeduldig. Ging de vernieuwing hem niet snel genoeg of niet volgens de lijnen die hij had uitgestippeld, dan aarzelde hij niet om zelf stromingen te formeren en kunstenaars zo nodig van een radicale theorie te voorzien. Op deze wijze werd de criticus ook kunsttheoreticus die bovendien nog geschiedenis schreef door het allernieuwste te signaleren.

Sommige van die theorieën ter legitimatie van een stroming of stijl lagen voor de hand, omdat ze opgenomen in de cultuur, gedeeld werden door kunstenaars en critici.7 Een enkele criticus, zoals Clement Greenberg in Amerika, ging echter verder. Hij radicaliseerde de hoge en zuivere waarden van de Europese avant-garde en vermengde ze met aan de filosofie van Hegel ontleende inzichten over de noodzakelijke, puristische ontwikkeling van de kunst. Vooral de schilderkunst stevende, volgens hem af naar een zuivering en een bewustzijn van haar eigen aard, hetgeen bleek uit de platheid van de drager en de benadrukking van het schilderkunstige materiaal. Hieruit konden dan weer de heldere criteria worden afgeleid van de formalistische kunstkritiek en werd het mogelijk om kunstenaars die figuratief, illusionistisch of symbolisch werk maakten van de nieuwe, Amerikaanse avant-garde uit te sluiten.8 Greenberg had gedurende enige jaren veel macht en beïnvloedde zowel kunstenaars, critici als verzamelaars in hoge mate. Maar ook hij bleek niet in staat om de ontwikkeling van de kunst voor te schrijven. Toen de formalistische waarden door de Minimal Art gerealiseerd waren, werden ze door de Pop Art, die er in alle opzichten tegen zondigde, meteen weer overschaduwd.9

Dit moment in de geschiedenis wordt meestal gezien als een breuk met het Modernisme en de komst van het Postmodernisme, waarvan de theoretische noties in de jaren zeventig vanuit de filosofie in de kunstkritiek doordrongen. De filosoof en criticus Arthur Danto karakteriseert de breuk als volgt. In de jaren zestig veranderde het 'exclusieve' en op 'esthetisch monisme' gebaseerde karakter van de kunst. Binnen het nu optredende 'pluralisme' is de ene stijl even goed als de andere en bestaat er geen 'historisch correcte' richting meer in de kunst. Er is geen sprake meer van een eenduidige kunsttheorie, van een streven naar vernieuwing en van duidelijke stilistische criteria ter beoordeling van kunst. Iedere kunstenaar heeft nu een eigen stijl, een eigen 'theorie', kan vrijelijk omgaan met alle tradities uit de kunstgeschiedenis en hoeft zelfs binnen zijn oeuvre niet meer consequent een genre of kunstsoort te handhaven. Voor Danto betekent dit, in navolging van Hegel, 'het einde van de kunst', waarvan de plaats nu wordt ingenomen door de theorie. Zonder theorie kan kunst vanaf de avant-garde namelijk helemaal niet meer als kunst worden opgemerkt.10

Nu is het is de vraag in hoeverre Danto's diagnose juist is. Hij lijkt de kenmerken van het pluralisme goed te hebben geobserveerd, maar heeft hij zich niet in de oorzaak vergist? Verwart hij niet het einde van de kunst (of beter gezegd van de kunstgeschiedenis) met het einde van "het dictaat van de critici", voornamelijk Greenberg? Bij nader inzien blijkt de kunst van de twintigste eeuw zich niet echt iets van de voorspellingen van gezaghebbende critici aangetrokken te hebben. Mede door de romantische nadruk op originaliteit en vernieuwing kwam er in de twintigste eeuw een vloedgolf van stijlen en opvattingen op gang en dit trad vanaf de jaren zestig in al zijn verwarrende complexiteit aan het daglicht. Het is mogelijk dat Danto zich te veel heeft vastgehouden aan het principe van de breuken en de daaruit voortkomende "vernieuwingen" in de geschiedenis. Het pluralisme kan immers ook als een logische en graduele ontwikkeling van en niet als een principiële breuk met de avant-garde worden beschouwd.11

Of de criticus nu het idee van de continuïteit of van de breuk aanhangt, hij heeft het moeilijk met het manifest worden van het pluralisme. Hij kan niet meer nieuwe stromingen en stijlen voorspellen en kan zich ook niet meer beroepen op eenduidige criteria voor het beoordelen van kunst. Houdt daarmee de kunstkritiek op te bestaan? Voor Danto zelf is dat niet het geval.
Hij wenst een bij het pluralisme passende criticus die de veelheid aan theorieën kent en zijn methoden laat afhangen van de te kritiseren kunstwerken. En hij laat het niet bij deze wens alleen, maar betrekt dit programma op zijn eigen kunstkritische activiteiten.12 Hoe Danto te werk gaat en of dat enige soelaas biedt voor een nieuwe kunstkritiek, zal ik verderop behandelen en verbinden met het voorstel voor een nieuwe criticus. Maar eerst is de actuele praktijk van de kunstkritiek aan de orde.

Een hedendaags voorbeeld




Om te ervaren hoe de tegenwoordige kunstkritiek in zijn werk gaat, richt ik mijn aandacht op de recente Nederlandse kritiek en wel over het werk van één kunstenaar: Roy Villevoye. Deze "case" heb ik vanuit verschillende overwegingen gekozen. Villevoye's werk is sinds eind jaren tachtig door de pers onafgebroken gevolgd en de kritieken geven aldus een goede dwarsdoorsnede van de huidige dag- en weekbladkritiek.13 De Nederlandse kunstkritiek is op zich al een interessant studiegebied. Er is namelijk een voortdurende, negatieve beoordeling ervan gaande in Nederland. In geschriften en op congressen wordt deze kritiek verweten oppervlakkig, puur informerend en van een laag theoretisch niveau te zijn.14 Zelden worden deze verwijten echter getoetst aan de stukken van de critici zelf. Maar er zijn ook zwaarwegender redenen. Het werk van Roy Villevoye is formeel en inhoudelijk zeer complex en snijdt actuele problemen in de maatschappij en de kunstwereld aan, waardoor het interessant wordt om te zien wat de critici ervan "maken". Bovendien kan het denken en de werkwijze van Villevoye mij tot model dienen voor de houding die ik van een nieuwe kunstcriticus verwacht.

Roy Villevoye begon in de jaren tachtig jaren als schilder van geometrisch abstracte werken, waarin kleur, verf en raster belangrijke rollen speelden. Hij ging dus uit van een formalistische opvatting van de schilderkunst, maar ook de reflectieve erfenis van de Concept art behoorde tot zijn artistieke bagage. Vanuit het nadenken over de functie van kleur en van het medium bracht hij de modernistische primaire kleuren in contact met drukkerskleuren, camouflagekleuren en dermatologische schmink. Verf werd steeds meer materie en dit resulteerde in het gebruik van kneedbare stopverf, wat weer leidde tot de combinatie van geschilderde oppervlakken met "echte dingen", zoals strengen mensenhaar en T-shirts. Tegelijkertijd met de "concretisering" van de materialen trad er een "vermenselijking" in het werk van Villevoye op door de aandacht voor huidskleur. Het toepassen van de fotografie, om deze kleuren uit de werkelijkheid te betrekken, maakte het lichaam in al zijn kleurschakeringen tot een belangrijk focuspunt van zijn werk.

Niet op zijn gemak met de onechtheid van de westerse kunstwereld en vanuit een sterke behoefte om mensen uit andere culturen te ontmoeten, onderneemt Villevoye vanaf 1990 reizen naar India en Irian Jaya. Hier gaat hij op zoek naar gebeurtenissen en gedeelde ervaringen, waarbinnen zijn werk als een gewoon attribuut zou kunnen functioneren. Daardoor verandert ook het karakter van zijn oeuvre. Steeds meer gaat zijn aandacht nu uit naar situaties, waarin communicatie met anderen en handelingen met attributen de hoofdrollen spelen. Deze situaties ensceneert hij of vindt ze kant en klaar en documenteert ze door het maken van snapshots. Het 'mengen', dat eerst daadwerkelijk in verf werd uitgevoerd, wordt nu in toenemende mate de metaforische leidraad voor het werk, waarin beelden, zienswijzen en culturen in elkaars onmiddellijke nabijheid worden gebracht.15

De kritiek op Villevoye's werk begint eind jaren tachtig, begin jaren negentig in de galerierubrieken van de Nederlandse dagbladen. Critici plaatsen het in de traditie van de fundamentele schilderkunst en waarderen het positief.16 Als het werk vanaf 1993 complexer wordt, waarbij het contact met andere culturen op de voorgrond treedt, beschrijven zij vooral wat er is tentoongesteld en voelen zich vaak opgelaten met het werk. Wat zij zien, ervaren zij aanvankelijk als illustratief voor de verschillen in culturen, visueel te karig of als gênant, omdat de confrontatie met huidskleur te duidelijk zou zijn. 'Kan dit eigelijk wel?' vraagt Din Pieters zich in de NRC (1993) af en zet hiermee de morele toon die nooit meer geheel uit de kritieken over dit werk zal ontbreken. Bij nader inzien blijkt zij te waarderen dat Villevoye voelbaar maakt 'hoe groot de kloof is tussen blank en zwart, tussen westers en primitief'.17 Over de inhoud van het werk tast men min of meer in het duister. Zo schrijft Paul Depondt in De Volkskrant (1993): 'Villevoye drijft de spot met de moderne antropologen, met de hele wirwar van theorieën over de 'ander' of het multiculturalisme.'18 Dit zijn interpretaties die geheel voor rekening van de critici komen, want tot aan 1995 blijkt uit de kritieken niet dat men veel van de beweegredenen van de kunstenaar aantrekt.

In 1995 verschijnen twee catalogusteksten, gebaseerd op gesprekken met de kunstenaar, van de hand van Bert Steevensz en Ine Gevers.19 Beiden bieden een kunsthistorisch kader voor het werk en interpreteren het in overeenstemming met de intenties van Villevoye.20 Vanaf 1995 is er dus vrij veel informatie over de kunstenaar beschikbaar en is het werk onafhankelijk van de kritiek geïnterpreteerd. Sommige dagbladcritici nemen hier globaal kennis van of citeren de kunstenaar zelf die zij steeds vaker interviewen. Zij vermengen informatie, interpretatie en een meestal positief oordeel sterk met elkaar. Zo waardeert Robbert Roos in Trouw (1997) het werk als: 'én formeel én verbeeldend én intellectueel gelaagd.'21

Er zijn echter ook critici die zich nu van Villevoye afwenden en de morele toon van de kritiek verdiepen. Hans den Hartog Jager opent in de NRC (1997) zijn kritiek meteen afkeurend en roept na het zien van een werk, waarin haren en een schedel zijn opgenomen, uit: 'Wat heeft Villevoye allemaal met de papoea's gedaan?' De criticus heeft wel waardering voor de visuele aspecten van het tentoongestelde, maar hij meent dat er sprake is van een soort culturele uitbuiting, wat hij als volgt verwoordt: 'En hoe langer je naar de foto uit Nieuw-Guinea kijkt, vooral naar de joviaal lachende blanken, hoe sterker de associatie wordt met de paters die in de jaren vijftig de jungle introkken met zakken zilverkleurige melkdoppen - die nu vervangen zijn door moderne kunst. De vraag dringt zich op waarmee de papoea's beter af waren.'22

Als Villevoye in 1999 meedoet aan Panorama 2000 in Utrecht, waarover Den Hartog Jager een paginagroot artikel in de NRC schrijft, noemt hij alle deelnemers aan de tentoonstelling behalve Villevoye, terwijl de bij het artikel geplaatste foto duidelijk diens werk toont. Dat dit fotowerk, waarop een Papoea met een oorlogsschild de doorgang naar de kerk afsluit of opent, juist als een revanche ten opzichte van de missie bedoeld is, had hij in de catalogus kunnen lezen, maar hij is kennelijk niet meer bereid om zich met dit werk en deze gedachtenwereld bezig te houden. Ook andere critici geven een negatief oordeel.23 Marie Jeanne de Rooij meent dat het werk primitivistische uitgangspunten heeft en beweert in de Groene Amsterdammer (1999) het volgende: 'Het onderzoek van Villevoye naar de grenzen van de schilderkunst verzuipt in den vreemde in clichés over natuurvolkeren en uitheemse culturen, die in hun ongerepte staat bedreigd worden. Het sociaal engagement is er met de haren bijgesleept en is in zijn naïviteit op zijn best neo-romatisch te noemen.'24

Geconfronteerd met dergelijke oordelen dient Villevoye de critici van repliek. In een interview met Janneke Wesseling in de NRC (1999) zegt hij: 'Er wordt mij wel verweten dat ik als een neokoloniale blanke naar de negers ga om hen te gebruiken voor mijn kunst. Die morele verontwaardiging, dat nuffige politiek correcte gevoel, heb ik nooit als regel geaccepteerd. Ik ben gewoon de wereld ingetrokken en heb die mensen leren kennen. Of het contact met hen illusie is? Misschien - maar dat geldt steeds, voor ons allemaal.'25 Na dit interview klinken er ook andere geluiden in de pers. Jorinde Seijdel schrijft in Het Financieele Dagblad (1999) begrijpend: 'Door zijn ontmoetingen en uitwisselingen met niet-westerse culturen confronteert en mengt Villevoye zijn eigen, westerse blik en identiteit met een ons wezensvreemde waarnemingswijze en beleving van de wereld.'26 En hoewel Rogier Schumacher in zijn recensie in Het Parool (1999) van een 'overleefd primitivisme' rept, schrijft hij ook: 'In het boeiendste werk op de tentoonstelling speelt Villevoye een multicultureel eentweetje, zonder zich uit te leveren aan een dweperige hunkering naar de oerstaat.'27

In alle kritieken bespreken de recensenten wel enkele visuele kenmerken en vermelden soms fases in de ontwikkeling van het werk, maar ze focussen sterk op de algemene culturele ideeën die zij als het ware van achter de beelden tevoorschijn toveren. Meestal vermengen zij interpretatie (van henzelf of van anderen) dus ook meteen met evaluatie. Zij veroordelen het oeuvre soms als naïef, primitivistisch of neoromantisch. Opvallend is dat de meesten geen esthetische of stilistische, maar eerder moreel en politiek getinte oordelen vellen. Veelal gaan zij voorbij aan de verbondenheid van de inhouden met de beelden en zien het werk als een soort illustratie voor hen niet altijd welgevallige waarden. Daarmee wordt duidelijk dat zij niet zozeer de artistieke kwaliteiten van het werk zelf bekijken, maar bij het zien ervan vrijwel onmiddellijk naar algemene inhoudelijke criteria grijpen.

Nu is het niet onbegrijpelijk dat het werk van Villevoye dit soort oordelen oproept. Het zou inderdaad geplaatst kunnen worden binnen de traditie van de primitivistische kunst die sinds de negentiende eeuw exotische en escapistische kanten heeft.28 Daarbij komt dat in Nederland het contact met Irian Jaya zeer gevoelig ligt, omdat dit gebied vanuit hier gekoloniseerd en gekerstend is. Bovendien is Nederland nu moeizaam op weg naar een multiculturele samenleving, hetgeen veel problemen en discussies met zich meebrengt. Deze constellatie zorgt ervoor dat het werk zowel als zeer actueel en als inhoudelijk problematisch kan worden opgevat. De meeste critici ontgaat echter dat Villevoye de hiervoor genoemde zaken niet simpelweg in zijn kunst opneemt, maar dat hij met zijn werk verschuivingen ten opzichte van al deze kwesties tot stand brengt.

Toen het primitivisme in de negentiende en twintigste eeuw eerst de entourage en later ook de vormen aan "exotische" kunst ontleende voor vernieuwing van de westerse kunst, wist men weinig van de culturen en kunstvormen die tot inspiratie dienden. Dit hoeft nu echter niet meer het geval te zijn. Wil een kunstenaar iets van de Papoea's weten, dan staan hem vele studies en collecties ter beschikking. En hoewel Nederland een koloniaal verleden heeft, wordt juist nu, in de dagelijkse multiculturele werkelijkheid, de verhouding tot andere culturen aan voortdurende reflectie onderworpen.

De situatie waarin de hedendaagse kunst verkeert, verschilt dus nogal van die van de negentiende en de vroege twintigste eeuw. Maar ook de directe context van het werk van Roy Villevoye is daarvan afwijkend. In zijn denken en werkwijze verbinden zich namelijk kennis van de geschiedenis met de directe ervaringen en ontmoetingen in Irian Yaja, waardoor de kunstenaar de morele de politieke aspecten van zijn werk met een frisse geest tegenmoet kan treden. Besef van de hieruit voortgekomen complexiteit en de betekenisvolheid van het werk van Villevoye is echter slechts bij enkele recensenten te vinden. Nu is dit niet alleen te wijten aan de vluchtigheid van de dag- en weekbladkritiek. Ook verouderde opvattingen over de taken van de kunstcriticus en het gemakkelijke gebruik van kunstkritische clichés dragen hiertoe bij. Wil de kunstkritiek nog een toekomst hebben, dan zal men zich wel op de tegenwoordige rol van de criticus moeten bezinnen. Een mogelijkheid hiertoe zal ik in het vervolg opperen.

Er is geen Archimedisch punt

Zoekend naar inspiratie voor adequate kritiek, kwam ik bij Arthur Danto terecht. Danto werkte vanaf 1984 voor The Nation en schreef daarin kritieken over tentoonstellingen van oude, moderne en hedendaagse kunst, die nu in zijn boek: Embodied Meanings gebundeld zijn. Opvallend is dat hij in zijn kritieken wel zijn theorie trouw blijft, maar in de praktijk soepeler opereert.29 In het voorwoord van Embodied Meanings geeft hij een korte verantwoording van de methode die hij hanteert. Hij benadrukt dat het hem in eerste instantie niet om vormen of stijlen, maar om betekenissen gaat. In navolging van Hegel zijn dit echter wel in de vorm 'ingebedde' betekenissen.

In tegenstelling tot wat meestal gedacht wordt, beweert Danto dat kunstenaars betekenissen op zich niet uitvinden; deze komen voort uit hun culturele en artistieke omgeving, vooral uit de kunstwereld. De bijzonderheid van de kunstenaar bestaat, volgens Danto, in de manier waarop hij de cultureel gedeelde betekenissen in zijn werk vorm geeft en daardoor transformeert. Een criticus heeft tot taak deze betekenissen op te sporen, ook al zou dat historisch speurwerk vereisen (waarmee hij dicht bij de kunsthistoricus komt). Volgens Danto moet de criticus ook achterhalen hoe de betekenissen op de beschouwer moeten overkomen (dus wat de intentie van de kunstenaar is).30 Maar vooral moet hij op zoek gaan naar de transformaties van ideeën die zich door inbedding in de vorm hebben voltrokken. Dan pas kan hij tot kritisch oordelen overgaan. Een dergelijke criticus gaat dus niet over een nacht ijs.

Lezen we een dergelijke kritiek, bijvoorbeeld van het werk van Rosemarie Trockel, dan valt op dat Danto over een grote eruditie beschikt. Toch komt hij niet schoolmeesterachtig over, want hij speelt verschillende rollen in zijn stukken. Dan is hij de kunsthistoricus die de herkomst van het werk achterhaalt, dan weer een mannelijke of vrouwelijke beschouwer, of hij is de filosoof die in discussie treedt met de tentoonstellingsmaker die te eenzijdig interpreteert. Daarnaast informeert Danto de lezer door te benoemen wat hij ziet en hij karakteriseert het werk en denken van de kunstenaar nauwkeurig. Zo schrijft hij over Trockel: 'Waartoe ik het meest aangetrokken word in het werk van Trockel, is dat zij het gevoel overbrengt alles over ons te weten - ons te kennen op ons smalst en op ons slechts - terwijl zij op de een of andere manier laat zien dat zij ons vergeeft.'31 De "heilige" rol die hij hier aan de kunstenaar toeschrijft, lijkt moralistisch, maar gaat eerder over de psychologische werking van het oeuvre en zegt ook iets over een functie van kunst in het algemeen.

Is dit nu een bijzonder iemand die literaire kwaliteiten paart aan diepzinnigheid en eruditie; iets wat van een "gewone criticus" niet te verwachten valt? Hoewel ik denk dat Danto als criticus zeer getalenteerd is, wil ik hem niet als een totale uitzondering beschouwen. Voor de manier waarop hij kritiek beoefent, is weliswaar veel historische en filosofische kennis nodig, maar zijn kritieken getuigen bovenal van een onderzoekende attitude die in de eerste plaats gericht is op culturele transformaties. En dit acht ik voor de nieuwe criticus onontbeerlijk.

Deze nieuwe criticus moet dan ook iemand zijn die zich tussen de kunsthistoricus, de theoreticus en de criticus in bevindt. Hij is en blijft een criticus - alert op de bewegingen in de kunst die hij scherp signaleert - maar hij speelt ook andere rollen. Net als een historicus is hij goed thuis in de (kunst-)geschiedenis, zodat hij continuïteiten, vermengingen en transformaties op het spoor kan komen. Hem gaat het echter niet om kennis van het verleden op zich. Kijkend vanuit het heden beseft hij dat de geldende kunstgeschiedenis slechts een tijdgebonden verhaal is dat ook anders verteld kan worden. Hij volgt de ontwikkelingen in de kunstgeschiedenis en vraagt zich af of nieuwe opvattingen wel of niet bij de huidige verschijningsvormen van de kunst passen.32 Net als de theoreticus is hij geïnteresseerd in concepten en theorieën, maar niet vanwege hun voorspellende of interpreterende kracht of hun consistentie alleen. Hij wil die concepten en theorieën kennen die het geestelijke "materiaal" van de kunstenaar vormen. Vervolgens tracht hij te weten te komen hoe de kunstenaar dit materiaal gebruikt en binnen zijn werk de algemene culturele aspecten in persoonlijke uitspraken "omzet".33

In niets lijkt de nieuwe criticus op een traditionele historicus of een academische theoreticus die beiden zorgvuldig afstand bewaren en een strikte code van objectiviteit hanteren. Net als de vroege kunstcritici is hij iemand die de nabijheid van kunstenaars niet schuwt, omdat de werkwijzen en de eigen "theorie" van de kunstenaar tot de bronnen behoren op grond waarvan hij kunstwerken en oeuvres kan interpreteren en beoordelen.

En juist hier openbaren zich problemen bij vele hedendaagse, vooral de Nederlandse, critici. Hoewel de meesten de persoonlijke achtergronden van het werk wel nodig hebben, doet een ingesleten idee van objectiviteit hen aarzelen om met de kunstenaar in contact te treden. En doen zij dat wel, dan weten ze vaak niet precies hoe zij met de via de kunstenaar verkregen informatie om moeten gaan.34 Maar vooral hebben zij te weinig oog voor de veranderingen die het gevolg zijn van het pluralisme. Nu kunstenaars in hun oeuvre meer dan ooit eigen, kleine werelden bouwen, is er geen Archimedisch punt meer om de kunst uit de verte te beschouwen en te beoordelen. Dit betekent niet dat men geen grotere lijnen waarneemt dan die in een werk of oeuvre te zien zijn; ook Danto gebruikt kunsthistorische informatie in zijn kritieken. Kennis van de geschiedenis en de kunsttheorie zijn dan ook nodig en waarborgen enig overzicht, maar engagement met de wereld van de kunstenaar is tegenwoordig ook een vereiste.

De situatie waarin zich de nieuwe criticus bevindt lijkt dan ook sterk op die van de cultureel antropoloog. Binnen een andere cultuur (van een volk of een groep) doet zo iemand dikwijls 'veldwerk' met behulp van 'participerende observatie'. Bij deze methode wordt kennis vergaard, terwijl de onderzoeker een poos bij en met de mensen leeft wiens cultuur hij bestudeert. Hierbij treedt echter het klassieke dilemma van de antropoloog op: komt hij te dicht bij, dan wordt hij deel van de cultuur en gaat alles vanzelfsprekend vinden, houdt hij teveel afstand dan komt hij helemaal niets te weten. De antropoloog moet dus zorgvuldig zijn "plaats" kennen en deze zowel op het spel zetten als bewaren.3

Dit nu is ook de mentaliteit die ik gewenst acht voor de nieuwe criticus. Net zoals de cultureel antropoloog altijd een beetje buitenstaander blijft, moet de criticus niet totaal in de wereld van de kunstenaar opgaan. Hij heeft een eigen reservoir aan kennis en een eigen agenda, onafhankelijk van de kunstenaar en hiermee moet hij altijd rekening houden. Een vaste plaats ten opzichte van zijn "object" heeft hij echter niet meer; hij kan erom heen dansen of zelf ermee gaan dansen, afhankelijk van hetgeen hij te weten wil komen.

Een dergelijke criticus staat open voor de "verbuigingen" die de kunstenaar in zijn beelden ten opzichte van de reeds bestaande kunst en cultuur tot stand brengt en is op zoek naar het artistieke systeem, waarbinnen die bewerkingen worden voltrokken.36 Uitgaande van deze inbedding van de werken verandert echter ook het karakter van de kritiek. Hier kan geen sprake meer zijn van het geven van geïsoleerde oordelen over bijvoorbeeld stijl, vernieuwing, morele en politieke opvattingen. Hier moet het hele weefsel van het werk aan kritiek worden onderworpen. Pas dan is het mogelijk om als het ware te "meten" welke kracht en waarde de transformaties van vormen en betekenissen hebben die zich in het werk van de kunstenaar manifesteren.37

Wat zijn houding en het besef van zijn plaats betreft, zou de nieuwe criticus wel iets van Roy Villevoye kunnen leren. Als deze naar Irian Yaja gaat, leeft hij bij de plaatselijke bevolking en eet wat hem wordt voorgeschoteld, maar hij vertoont geen neigingen om zelf een soort Papoea te worden, iets wat antropologen met 'going native' aanduiden. Graag wil hij mensen uit andere culturen ontmoeten, waarbij hij ondanks alle verschillen op algemene menselijke trekken gokt om zijn "mixtures" tot stand te brengen. Maar hij is zich van die verschillen zeer bewust en houdt daar ook rekening mee. Ook al weet hij inmiddels veel van de cultuur van de Papoea's, hij blijft ten allen tijde een buitenstaander: een westerse kunstenaar. Want de problemen die hij in zijn werk betrekt, komen voort uit de westerse geschiedenis en de westerse kunst. Ook al hebben zijn vermengingen te maken met culturele betrekkingen die ooit door de westerse expansie- en zendingsdrift zijn ingezet, de kunstenaar voert ze uit met geheel andere bedoelingen. Villevoye gaat niet naar de Papoea's om hen te beheersen, te bekeren of te classificeren, maar om hen in een soort participerende observatie te ontmoeten, teneinde ons in zijn werk die kennis, ervaringen en emoties te bieden, waartoe alleen de kunst in staat is.38

KATALIN HERZOG

Noten

1 Reich-Ranicki werd op de omslag van Der Spiegel geportretteerd, terwijl hij de roman Ein weites Feld van G. Grass verscheurde. Hoewel het hier om een fotomontage ging, waren de lezers zeer verontwaardigd.
2 Elke kunstkritiek gaat uit van een kunsttheorie. Vroegere theorieën, zoals bijvoorbeeld de mimetische, boden een duidelijker kader voor kwaliteit, omdat er weinig keuzes waren. Naarmate meerdere kunsttheorieën naast elkaar functioneren, wordt het probleem van het kwaliteitsoordeel groter.
3 De congeniale criticus, die zich in geestkracht kon meten aan de kunstenaar en hem zelfs beter begreep dan hij zichzelf, komt voort uit de romantische hermeneutiek.
4 A. Brookner, The genius of the future. Studies in French Art Criticism, Diderot, Stendhal, Baudelaire, Zola, The brothers Concourt, Huysmans, Londen, New York 1971.
5 De hier weergegeven zaken zijn eerder behandeld in: K. Herzog, 'De romantiek als diagnose en remedie', in: N. Hendriks en I. Rietman (red.), De postautonome academie, Kampen 1999, pp. 17-28.
6 Ibid.
7 Dit is bijvoorbeeld het geval bij aspecten van het denken van S. Freud en K.G. Jung die zowel door kunstenaars als critici bij het Surrealisme, het Abstract Expressionisme en de Cobra werden gebruikt.
8 D. Kuspit, Clement Greenberg Art Critic, Londen 1979.
9 K. Herzog, 'Een artistiek land van Kokanje', in: Bzzlletin 26 (1996-1997) 241-242, pp.74-85.
10 A. Danto, 'Learning to Live with Pluralism', in: idem, Beyond the Brillo Box, New York, 1992, pp.217-231; Idem, 'Art afther the End of Art', in: Embodied Meanings, New York 1994, pp.321-333.
11 M. Rollins (ed.) Danto and his Critics, Oxford, Cambridge 1993.
12 A. Danto, Afther the End of Art, Princeton 1997, p.150.
13 Hoewel de dag- en weekbladkritieken vanwege de vluchtigheid van hun media een "lagere status" hebben dan de gespecialiseerde kunsttijdschriften, vormen ze toch de plaatsten waar een algemeen publiek kennis kan nemen van het werk van een kunstenaar. Om deze reden acht ik dag- en weekbladkritiek zeer belangrijk.
14 P. de Ruiter en H. Ebbink, 'Het lancet in de wattendoos', in: Metropolis M, 7 (1986) 5/6, pp.28-33; Kunst & Museumjournaal, 3 (1992) 4; Veel kritiek op de kunstkritiek is samengevat in: S. Lütticken, Kwaliteitsimpuls voor de kunstbeschouwing, Zoetermeer 1996.
15 De informatie over het werk van Villevoye ontleen ik aan gesprekken met de kunstenaar en de artikelen van B. Steevensz en I. Gevers, zie noot 19.
16 IJ. van Veelen, 'Villevoye: stiekeme schoonheid', Het Parool, 24 maart 1989; B. Jansen, 'Abstractie - spatie - Experiment', Het Financieele Dagblad, 3 & 5 november 1990.
17 P. Tegenbosch, 'Het beeld wordt illustratie', Het Parool, 3 december 1993; D. Pieters, 'Roy Villevoye', NRC Handelsblad, 3 december 1993.
18 P. Depondt, 'Nuchtere analyse vol humor en spot', De Volkskrant, 25 november 1993.
19 B. Steevensz, 'Hier en Daar', in: De Appel, Roy Villevoye, Amsterdam 1995; I. Gevers, 'Aber ist das Kunst? Spielt das eine Rolle?', in: Tent.cat., Am Rande der Malerei, Kunsthalle Bern, september-december 1995, pp.40-48.
20 Het gaat hier niet om intenties die de kunstenaar wel heeft, maar die pas na veel uitleg met het werk verbonden kunnen worden. In de woorden van R. Wollheim betreft het hier de 'gerealiseerde intenties' van de kunstenaar, diegene dus die zich in het kunstwerk hebben neergeslagen. Dit wil echter niet zeggen dat textuele informatie geheel overbodig is.
21 R. Roos, 'Een snapshot met betekenis', Trouw, 24 maart 1997.
22 H. den Hartog Jager, 'Roy Villevoye', NRC Handelsblad, 14 maart 1997.
23 Idem, 'Kunst rondom de Utrechtse Dom', NRC Handelsblad, 4 juni 1999.
24 M-J. de Rooij, 'Op reis', Groene Amsterdammer, 24 maart 1999.
25 J. Wesseling, 'Een T-shirt, dat begrijpt iedereen', NRC Handelsblad, 19 maart 1999.
26 J. Seijdel, 'Kunstenaar-nomaden', Het Financieele Dagblad, 27 maart 1999.
27 R. Schumacher, 'Het oerwoud in de Rozenstraat', Het Parool, 25 maart 1999.
28 R. Goldwater, Primitivism in Modern Art, Cambridge 1938; K. Bilang, Das Gegenbild; Die Begegnung der Avantgarde mit dem Urschprünglichen, Leipzig 1989; S. Price, Primitive Art in Civilized Places, Chicago, Londen 1989.
29 A. Danto, Embodied Meanings, New York 1994, p.xii.
30 Danto zegt niet dat hij kunstenaars wil interviewen, maar hun intenties behoren voor hem wel tot de bronnen van de criticus.
31 Op. cit., noot 29, p.219.
32 I. Commandeur, 'De kunstkritiek als "tekstuele bikini"', in: Kunstlicht, 19 (1998) 2/3, pp.15-19.
33 K. Herzog, 'Wie is er bang voor interpretatie?', in: Kunstlicht, 19 (1998) 2/3, pp.33-39.
34 Op de Nederlandse universiteiten heerst een vrij streng "historisch" regiem. Behalve aan de Rijksuniversiteit Groningen wordt er naar mijn weten geen onderwijs gegeven in de samenhang tussen kunsttheorie/esthetica en hedendaagse "kunstenaarstheorieën". Studenten leren hier onderzoek te doen naar de laatste soort "theorieën". Het kritisch omgaan met uit interviews verkregen materiaal maakt deel uit van de methode.
35 A. Köbben behandelt de relatie die de antropoloog aangaat bij participerende observatie in: 'Wie niet waagt die niet wint; over antropologisch en sociologisch veldwerk', in: De weerbarstige waarheid, Amsterdam 1991, pp. 53-70,
36 Op. cit. noot 33.
37 Dit betekent niet dat het oordeel van de criticus altijd positief moet uitvallen. Hij kan het werk op deze wijze juist wegen en als resultaat daarvan soms ook te licht bevinden.
38 K. Herzog, 'Een uitwisseling van huiden', in: Kunstschrift, 42 (1998) 5, pp.48-51.

Dit artikel werd gepubliceerd in: Kunstlicht, jg. 20, 1999, nr. 3/4, pp. 59-65.

EEN UITWISSELING VAN HUIDEN






Een episode in het oeuvre van Roy Villevoye









Ook in de hedendaagse kunst kom je de huid als thema veel tegen. Een sterk voorbeeld is te vinden binnen het werk van de Amsterdamse kunstenaar Roy Villevoye. Hoe een hagelwit T-shirt, na verre reizen en via verschillende dragers, de gedaante kon aannemen van een magische huid.

Bij het bezoeken van tentoonstellingen kijk ik altijd uit naar vanzelfsprekende kunstwerken die mij bij nadere kennismaking meezuigen in een draaikolk van betekenissen. Zo verging het mij bij het zien van het fotografische beeldverhaal Returning (1992-1997) van Roy Villevoye. Een donkere man kijkt ietwat stuurs in de camera, met een hagelwit T-shirt aan tegen de achtergrond van een dicht bos. Daarnaast een blanke man 'in de houding' met een bruinig, kapot T-shirt aan, tegen een effen rode achtergrond. Zijn gezicht drukt diepe concentratie uit. De volgende twee foto's tonen dezelfde mannen, maar dan op de rug gezien.

Kijkend naar de foto's werd ik al spannende tegenstellingen gewaar: zwart en blank, licht en donker, groen en rood, maar er was meer aan de hand en dat betrof die mannen en die kledingstukken. Het witte T-shirt is een doodgewoon kledingstuk. Dit echter is wel een bijzonder exemplaar, want voor- en achterzijde zijn voorzien van twaalf ronde gaten, omgeven door gekleurde cirkels, makkelijk als vele gradaties huidkleur te herkennen. Dwars door de gaten schemert de donkere huid van de man. Is hij een Aboriginal, een Papoea? Het bruinige T-shirt heeft ook regelmatig geplaatste gaten, waar doorheen de huid van de blanke man oplicht. Dit shirt is gekrompen, vertoont slijtage en uitgescheurde gaten. Toch rijst het vermoeden dat het om hetzelfde kledingstuk gaat: eenmaal nieuw en eenmaal afgedragen. Ben je op het spoor van deze identiteit, dan wordt ook een verbondenheid tussen de beide mannen aannemelijk. Maar wat is 'het verhaal van het T-shirt'?

Allereerst is het goed om te weten dat het hier gaat om een kunstenaar voor wie 'huid', in de context van zijn werk, een vertrouwd begrip is. Al eerder had hij als schilder de moderne primaire kleuren 'vermenselijkt' door er een scala van incarnaten, van bijna wit tot bijna zwart, aan toe te voegen. Zo gebruikte hij in zijn werk met verf gemengde huidkleuren, gefotografeerde huid en dermatologische schmink.

Sinds 1990 onderneemt Roy Villevoye bovendien reizen naar verre landen, daartoe aangespoord door twee verschillende, maar met elkaar verbonden verlangens. Het eerste verlangen heeft ermee te maken dat hij zich al een poos ongemakkelijk voelde met de kunstwereld, waarin Kunstenaar, Kunstwerk en Museum met hoofdletters worden geschreven. Hij was op zoek naar werkelijke situaties, gedeelde ervaringen waarbinnen zijn werk als een gewoon attribuut zou kunnen functioneren. Daarnaast had hij een sterke behoefte om mensen in andere delen van de wereld te ontmoeten. In 1992 reisde hij naar Irian Jaya waar hij na een dagenlange tocht door het regenwoud terecht kwam in het gebied van de Kombai. Hier leven kleine groepjes nomaden die weinig ervaring met andere culturen hebben en hun eigen levenswijze en wereldbeschouwing nog hebben behouden.

Bij antropologen had Roy Villevoye geïnformeerd naar de gebruiken in Irian Jaya. Zo leerde hij dat het fijne, westerse textiel hier zeer gewild is. Niet vanwege de praktische voordelen: kleding is lastig in het regenwoud, met zo'n 'opperhuid' aan blijf je na de veelvuldige buien langer nat. Evenmin gebruiken Papoea's textiel om hun schaamte te bedekken, maar waarschijnlijk om magische krachten naar zich toe te halen. Vooral het integreren van de krachten van de voorouders is belangrijk binnen deze cultuur. Door je te schminken, te versieren of iets aan te trekken, kun je die krachten aan je binden. Westerse kleding, bekend geworden door blanke missionarissen, is ook zeer krachtig en zelfs tweevoudig 'geladen'. Het is de tweede huid van blanken en kan ook verbonden worden met de voorouders die eveneens wit zijn. Op deze wijze krijgt de kleding een plaats binnen de cosmologie van de Papoea's en behoudt het zijn kracht tot op de laatste rafel.

De kunstenaar besloot met huidkleur bewerkte T-shirts naar Irian Jaya mee te nemen en deze bij gelegenheid als geschenk aan te bieden.Toen hij de shirts inderdaad aan twee mannen schonk die hem onderdak hadden verleend, 'moest' hij, tegen zijn oorspronkelijke bedoeling in om zich alleen op het geven te concentreren, dit bijzondere voorval wel registreren. Rustig, alsof het dagelijkse routine was, trokken de mannen deze uitzonderlijke, witte huiden aan en poseerden erin voor de camera. Voor beide partijen had hier een zeer geslaagde ruil plaatsgevonden. De Papoea's verkregen zo extra kracht en de kunstenaar zag zijn werk voor het eerst in een levensechte situatie functioneren.

Naar Amsterdam teruggekeerd, begonnen dit voorval en de daaruit voortgekomen foto's aan belang te winnen. De kunstenaar zag hoe, met het aantrekken van de T-shirts, de mannen hun huid hadden ingepast binnen het scala van de reeds door hem geïnventariseerde huidkleuren. Ook werd de foto van 'die ene man' het symbool voor de wens om naar Kombai terug te keren en die man nogmaals te ontmoeten.

Hoewel hij daarna nog twee maal naar Irian Jaya reisde, lukte het de kunstenaar pas in 1995 om dit afgelegen gebied weer te bezoeken. Hij ontmoette hier mensen die hem naar zijn toenmalige gastheren leidden, maar zoals bleek, was er nog slechts één van hen aanwezig. Degene die de kunstenaar zo graag wilde weerzien, bleek al overleden te zijn. Wel hadden ze iets van hem bewaard: zijn T-shirt, inmiddels veranderd in een donker, in modderwater schoongewassen, vod. Bij het zien van dit T-shirt ontstond er voor de kunstenaar een groot dilemma. Hij besefte dat dit voorwerp voor de Papoea's nog aan kracht had toegenomen en wilde dit respecteren, maar tegelijkertijd kon hij zich er niet van weerhouden om dit zo beladen kledingstuk terug te vragen. Wetende dat men hier altijd voor een goede ruil in is, bood hij een stralend blauw T-shirt met de opdruk AMS/TER/DAM als tegenprestatie aan en de overeenkomst was gauw gesloten. Later liet hij zich, gekleed in het teruggekregen T-shirt, door een fotograaf elders op het eiland portretteren, om nog een keer bij diegene te zijn die in dit kledingstuk had geleefd en het tot op zijn huid had afgedragen.

T-shirt en foto bewaarde de kunstenaar eerst als aandenken; pas na enige tijd trok hij ze binnen de cirkel van zijn oeuvre. Ze werden tot uitgangspunt van enkele werken waarvan Returning het meest pregnante is. Dit werk is een persoonlijk monument dat Roy Villevoye voor zijn gestorven gastheer oprichtte, tegelijkertijd echter toont het de mogelijkheid van contact met mensen uit een geheel andere cultuur. Niet om hen te beheersen, te bekeren of te classificeren, maar door gebruik te maken van de poëtische mogelijkheden van de kunstenaar. Want binnen onze cultuur is hij degene die de werkelijkheid met krachten kan laden. Door de 'uitwisseling van huiden' schonk Roy Villevoye ons een werk dat een echte ontmoeting met de ander symboliseert en het bijna versleten begrip 'broederschap' weer een gevoelde betekenis geeft.

KATALIN HERZOG

Dit artikel werd gepubliceerd in: Kunstschrift 42, 1998, pp.48-51

zaterdag 23 oktober 2010

DE ONTDEKKINGSTOCHT VAN EEN SCHILDER/BEELDHOUWER

Nieuw werk van Marinus Augustijn

Als je de tocht aanvaardt naar Ithaka
wens dat de weg dan lang mag zijn,
vol avonturen, vol ervaringen.1

Het recente werk van Marinus Augustijn geeft zich bij de eerste ontmoeting niet makkelijk gewonnen. De in zwarte lijsten gevatte panelen spiegelen nogal en je moet dus voor de werken heen en weer lopen om ze goed te kunnen zien. Heb je de goede positie eenmaal gevonden, dan vraag je je af waar je eigenlijk naar kijkt. Je ziet abstracte werken die geen gewone schilderijen op paneel of doek zijn. De glanzende oppervlakte is een glasplaat, maar hoe is de verf daarop aangebracht en waar gaat het om in deze ‘schilderijen’?

Dergelijke problemen bij het kijken komen voort uit gebruikte techniek en de artistieke houding van de kunstenaar. Hij is geen typische schilder, maar iemand die voortdurend tussen beeldhouwen en schilderen inzit, waarbij hij de echte ruimte en de echte schaduw van de beeldhouwkunst combineert met de visuele illusies van de schilderkunst. Constantin Brancusi en Piet Mondriaan vormen de oorspronkelijke inspiraties, terwijl zijn werk ook aan het Abstract Expressionisme en de Minimal Art verwant is.2

Marinus Augustijn is echter niet bij deze artistieke verwantschappen gebleven. Hij is voortdurend aan het experimenteren om vanuit de abstracte vormen en de primaire kleuren, nieuwe visuele verschijnselen op het spoor te komen. Als een ontdekkingsreiziger waagt hij zich in onbekende gebieden om daar nieuwe werelden te ontdekken. Bij deze bijna wetenschappelijke benadering hoort ook een afstandelijke houding ten opzichte van zijn werk. Hij wil ons dan ook niet zijn eigen ‘zieleroerselen’ tonen, maar is op zoek naar esthetische werkingen als onderdeel van een odyssee naar kennis van en ervaringen in de hem omringende werkelijkheid. Toch is het hem niet genoeg om het nieuwe te bestuderen en te categoriseren, hij bemoeit zich ook met het gevondene en zorgt ervoor dat in zijn werk nieuwe artistieke soorten ontstaan.

De zoektocht die geleid heeft tot het werk van de laatste vier jaren, begon in 2006 met een geschenk. Uit een erfenis kreeg de kunstenaar een dienblad, waarop achter glas de vleugels van blauwe Morpho-vlinders waren aangebracht. Daar omheen zat een zwart geschilderd kader dat als het ware een diep meertje vormde, dieper en zwarter dan bij een gewone verflaag mogelijk is. Zo verkreeg dit zwart een immateriële werking, waardoor de kunstenaar al langer geboeid was. Tijdens zijn afstuderen aan de lerarenopleiding (1980-1981) bracht hij acrylverf aan op een drager en maakte daarna de vellen verf los van de ondergrond, zodat de dunne huid een minimale materialiteit toonde.3 Vanaf 2006 kreeg deze oude fascinatie voor de verborgen eigenschappen van materialen een nieuw impuls, waardoor de eerste achterglas schilderijen ontstonden.

Achterglas schilderen wordt vanaf de 17de eeuw beoefend, meestal binnen de decoratieve volksschilderkunst. Hoewel dit niet was wat Marinus Augustijn wilde, moest hij zich wel aan een aantal principes van deze techniek houden. Het is namelijk het omgekeerde van het schilderen op paneel of doek. Daar breng je lagen verf aan die elkaar min of meer afdekken, waarna het werk kan worden gevernist. Bij achterglas schilderen vormt het glas als het ware die laatste vernislaag, terwijl de eerst aangebrachte verflaag zichtbaar blijft. Alleen als deze doorschijnend is, wordt de kleur door de volgende overschilderingen genuanceerd, wat ook geldt voor de laatste afdeklaag die alle voorgaande lagen diepte verleent.

Uitgaande van deze techniek, ontstonden in 2006 de eerste twee zwart-wit-grijze achterglas schilderijen van een ovale ‘vaas’ op een ‘tafel’.4 De vazen op beide werken zijn dezelfde, maar ze zijn links en rechts uit het midden geplaatst en zo opgesteld dat hun zijkanten op een lijn liggen met de zijkanten van de tafels. Individueel zijn ze asymmetrisch, maar doordat ze gezamenlijk symmetrie vertonen, gaan ze bij elkaar horen. De op het eerste gezicht herkenbare voorwerpen zijn samengesteld uit ovalen, waarvoor de kunstenaar al lange tijd een voorkeur heeft. Ovalen vormen de basis van zowel zijn vroegere houtdrukken, als zijn beeldhouwwerken en recente meubelontwerpen. Visueel heeft een ovaal namelijk karakteristieke kenmerken, terwijl een cirkel alleen een maat heeft.



Afb. 1



Afb. 2

De vazenschilderijen zijn egaal dekkend geschilderd met alkydverf , die ook huisschilders gebruiken, terwijl de vormen afgeplakt zijn. Na het weghalen van de tape, zag de kunstenaar dat de witgeschilderde ovaal op een vel wit papier gelegd, een donkere schaduw langs de rand vertoonde. Vanuit deze ontdekking ontstond in 2006 een reeks werken, waarbij de echte schaduw van de beeldhouwkunst, maar nu toegepast in schilderijen, centraal stond. Uiteindelijk ging het de kunstenaar tegenstaan dat hij vooral met compositie op een plat vlak bezig was. Compositie ziet hij als een specifiek kenmerk van de schilderkunst om de vormen en kleuren sterk naar de hand van de schilder te zetten. Marinus Augustijn wil ons echter tonen wat hij visueel binnen een reeks vorm- en kleurvariaties kan ontdekken, waarna hij het werk aan ons overlaat om te aanschouwen en om zijn ontdekkingen mee te beleven.



Afb. 3

Als zo’n experiment niet voldoende oplevert, kan hij het ook gedecideerd vernietigen of uitwissen om opnieuw te beginnen. In het voorjaar van 2006 maakte hij een onbevredigend werk schoon met terpentine en zette de glasplaat rechtop om de verf eraf te laten druipen. Alkydverf vloeit egaal uit en de afgedropen verflaag liet een prachtige, doorschijnende waas achter die de kunstenaar nieuwe mogelijkheden bood. In september 2006 bracht hij met een kwast een halve boog verdunde verf aan de bovenkant van een glasplaat aan en liet dat naar beneden druipen. Zo ontstond een waas die diepte krijgt door er dekkende, zwarte verf achter aan te brengen.



Afb. 4

Deze transparante verfsluiers brachten het werkproces in een stroomversnelling. Nu zijn er al ‘druipschilderijen’ bekend uit de kunstgeschiedenis. Zo maakten Morris Louis en Kenneth Noland in de jaren zestig doeken, waarop zij verdunde verf in banen naar beneden lieten druipen.5 Maar dergelijke werkingen worden door schilders expliciet ontworpen, terwijl ze bij Marinus Augustijn uit de experimenten als het ware vanzelf tevoorschijn treden. Ze lijken innerlijke wetmatigheden van de verf, veroorzaakt door de moleculaire structuur en de viscositeit, maar ze moeten wel op een speciale manier toegepast worden om in kunstwerken te kunnen functioneren.



Afb. 5



Afb. 6

Eerst accepteerde de kunstenaar de druipsels zoals ze ontstonden, hoogstens bracht hij meerdere tonen verf aan op het glas, zodat er zich bijvoorbeeld een zebramotief aftekende. Al gauw draaide hij het glas met een gedroogd druipsel een kwartslag en liet anders gekleurde lagen erover heen druipen, waardoor meer gelaagde schilderijen ontstonden. Net als bij de druipsels kwam hier een schilderkunstige werking tevoorschijn, namelijk de verticale zip die Barnett Newman in de jaren vijftig toepaste om de kleurbanen in zijn werk van elkaar te scheiden.6 De zips in de achterglas schilderijen kwamen echter spontaan voort uit het experimenteren, want ze ontstonden als kleurranden op de plaats waar zich pigment had opgehoopt na het afdruipen van de verf. Niet de virtuositeit van de schilder of een vooropgezet idee waren er de oorzaak van; de zwaartekracht en de adhesie van de verf hadden de kunstenaar hier een handje geholpen.



Afb. 7

Zo kwamen in 2007 drie schilderijen tot stand die overwegend groen, oranjebruin en paars lijken, maar uit geel met blauwe en rood met blauwe mengsels zijn opgebouwd. Zij werden vertikaal gemaakt en daarna een kwartslag gedraaid, zodat er horizontale composities met ritmische verticale banen ontstonden. Links en rechts worden ze besloten met fel gekleurde zips. De zwarte verf achterop zorgt ervoor dat de kleuren, die door de verschillende lagen prachtig met elkaar gemengd zijn, diepte verkrijgen en dat de kleurcompositie een geheel wordt. Dit wordt nog versterkt door de wijze van presenteren. Terwijl de eerste achterglas schilderijen nog in conventionele lijsten gevat zijn, maakt de kunstenaar vanaf 2007 ondiepe zwarte kistjes van mdf voor zijn werken, waar het glas precies invalt. Zo hebben ze meer lichamelijkheid en vormen ze een echte kruising tussen schilder- en beeldhouwkunst.



Afb. 8

Toen de zips zich eenmaal kenbaar hadden gemaakt, besloot Marinus Augustijn ze bewust op te roepen en bracht randen kit aan of plakte het glas met tape af om het vloeien van de verf te beïnvloeden. Behalve dat er zips ontstonden, bleken de kleursluiers zich door de ‘obstakels’ ook in een veelheid van kleinere banen te scheiden, zodat de over elkaar aangebrachte kleurlagen een prismatisch effect opleverden.



Afb. 9

Hoewel Marinus Augustijn veel toelaat in zijn werk, past hij ook even vaak een systeem toe om de toevallige en al te subjectieve werkingen in te dammen. Op een gegeven moment begonnen de gevoelsmatig gekozen afstanden van de strepen hem te storen en hij bracht de druipsels met een breedte van vijf centimeter aan, totdat hij tien eenheden kreeg of telkens vijf centimeter bij een baan optelde, zodat de gehele breedte van het werk vijftig centimeter bedroeg. Toch heeft de visuele werking hier de overhand, want als een schilderij met kleurbanen hem niet bevalt, wijkt de kunstenaar van het systeem af of zet de glassnijder in de plaat.



Afb. 10

In deze werken uit 2007 is de kleur diep, maar ook zeer gemengd wat de kunstenaar begon te storen; hij wilde zich weer op de zuiverheid van kleuren richten. Daarom voerde hij in 2008 een experiment uit op aparte glasplaatjes. Ieder plaatje heeft drie kleurlagen. Er zijn er drie met drie dezelfde lagen: drie maal rood, drie maal blauw en drie maal geel. De overige twaalf plaatjes vormen overgangen tussen deze primaire kleuren, waardoor er een soort regenboog ontstaat. Sinds kort zit deze kleurwaaier in een houten doos, alsof het een monsterkast van een handelsreiziger is of in een laboratorium thuishoort.



Afb. 11

Ondertussen had de kunstenaar geprobeerd om de verf sneller te laten drogen door glasplaten op de radiator te leggen. Van de gebieden waar het glas warm werd, trok de verf weg naar koelere plaatsen, zodat er een patroon tevoorschijn kwam dat de vormen van de radiator volgde. Toen hij dit experiment in 2007 uitvoerde, had Marinus Augustijn er geen idee van welke mogelijkheden erin scholen, maar hij wilde meer greep op dit proces krijgen. Daarvoor bevestigde hij vier houten stokjes van twintig centimeter op een plaat en zette hier een waxinelichtje tussen. Toen hij op dit komfoortje een glasplaat met verdunde verf verhitte, werd er een ovale opening zichtbaar. Het duurt ongeveer een kwartier, voordat zo’n vorm zich bestendigt, want als de warmtebron weggehaald wordt, voordat de verf genoeg gedroogd is, vloeit het weer terug. Bovendien brandt een waxinelichtje niet egaal, zodat er zich verschillende randjes om de centrale vorm vormen, waardoor deze meer ruimtelijk wordt.



Afb. 12



Afb. 13

Na deze eerste, blauwe ovaal wilde de kunstenaar proberen om de opening groter te maken. Daarom zette hij een cirkel van acht waxinelichtjes in een kring om het midden. Zo’n glasplaatje wordt zeer warm en trekt op den duur hol, waardoor de verf steeds naar het midden terugvloeit. Daarom verschoof de kunstenaar de waxinelichtjes steeds om het proces door te laten gaan. Zo ontstond in 2009 het eerste werk in de reeks Species for Darwin in zwart met een witte achtergrond. De titel werd geformuleerd in het Darwinjaar en kwam van pas, aangezien deze werken dicht bij natuurvormen komen. Er is echter nog een connectie met Charles Darwin. Net als deze ‘naturalist’ voelt Marinus Augustijn zich een ontdekker van wat in de werkelijkheid verscholen ligt .



Afb. 14

Van deze ‘achtvoeters’ maakte hij een reeks van vier, waarbij zich weer een nieuwe ontdekking voordeed. In plaats van hol, trok een glasplaat op een gegeven moment bol, zodat de verf naar de randen wegvloeide. Om de reeks te vervolgen, experimenteerde de kunstenaar net zolang totdat hij de bolling van de glasplaat met opzet kon bewerkstelligen. Na deze serie ontstonden nog een aantal werken waar, naast een waxinelichtje, ook een föhn werd gebruikt om visuele werkingen op te roepen. Hierdoor kwamen ronde vormen met verschillende randen tot stand in blauw, geel en rood, nu weer met een zwarte achtergrond. Zij doen aan verschijnselen in de kosmos denken, waardoor de kunstenaar al langer geboeid is.



Afb. 15



Afb. 16

Hiermee besloot Marinus Augustijn voorlopig deze reeks uitvindingen. Er zijn nu verschillende terreinen verkend, waarvan nog lang niet alle mogelijkheden benut zijn. Omdat ze zich echter zo overvloedig opdringen, zal er een nieuwe ontdekkingstocht moeten volgen, waarin ze verder uitgewerkt kunnen worden.

Nu al staat echter vast dat met de achterglas schilderijen enkele constanten in dit denken en oeuvre duidelijk op de voorgrond zijn getreden. Marinus Augustijn wil ons met zijn werk niet in de eerste plaats ontroeren. Hij wil niet zijn eigen emoties tonen, maar laten zien wat er allemaal in de wereld van de kunst mogelijk is, als je experimenteert met de eigenschappen van materialen en de natuurkrachten voor je laat werken. Zo gebruikte hij in zijn druipschilderijen onder andere de zwaartekracht en in de Species for Darwin het verwarmen en afkoelen van materie. Maar hij is geen wetenschapper die experimenteert om deze krachten te leren kennen. Zijn methodes en keuzes komen voort uit esthetische overwegingen en uit voorselecties die hij gedurende zijn kunstenaarschap gedaan heeft. De meest basale daarvan zijn primaire kleuren en geometrische vormen met een grote voorkeur voor de ellips. Deze voorselecties zijn in zijn geheugen opgeslagen en zorgen zowel voor de uitgangspunten van zijn experimenten als voor de herkenning van zijn voorkeuren, als deze binnen het werkproces opduiken. Dan kunnen de resultaten van de exprerimneten aanleidingen vormen voor werken die binnen het oeuvre geaccepteerd kunnen worden.

Omdat deze ontdekkingstocht, met behulp van enige informatie over de artistieke houding van de kunstenaar, in het werk navolgbaar is, kunnen beschouwers van de spannende uitkomsten genieten. En dit genieten is niet alleen een meevoelen met de gelukte experimenten. De druipschilderijen zijn bijvoorbeeld mede door de achterglas techniek vaak mysterieus en de vormen van de Species for Darwin doen zozeer aan basale matuurvormen denken dat het werk beschouwers diep kan raken.

Marinus Augustijn is een kunstenaar die enige overeenkomsten vertoont met een natuurwetenschapper: hij experimenteert, wil kennis en ervaring vergaren en gebruikt natuurkrachten in zijn werk. Maar het gaat hem om een esthetische zoektocht in de werkelijkheid die tot beeldende kunst leidt en niet om academische kennis. Daardoor resulteren zijn uitvindingen in een persoonlijke beeldwereld die ons informeert over het ontstaan van visuele werkingen en ons ontroert door de rijkdom aan esthetische mogelijkheden. 8

Noten:

1. K. P. Kavafis, ‘Ithaka’, 1910. Uit het Grieks vertaald door H. Warren en M. Molengraaf, Gedichten, Amsterdam 1991, p. 25. In dit gedicht herkent de kunstenaar zijn artistieke houding, waarin het meer om de avontuurlijke reis dan om de eindbestemming gaat.
2. In 1969 zag de kunstenaar een overzichtstentoonstelling van Constantin Brancusi in het Haags Gemeentemuseum. Hij vond het prachtig en besloot op twaalf jarige leeftijd om beeldhouwer te worden. In hetzelfde museum bekeek hij vaak werken van Piet Mondriaan.
3. Marinus Augustijn studeerde in 1981 af aan de lerarenopleiding tekenen/handenarbeid van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden.
4. De vaasvormen komen voort uit het beeldhouwwerk van de kunstenaar gedurende de jaren 2000-2004.
5. Dergelijke experimenten werden binnen het Abstract Expressionisme uitgevoerd om de eigenheid van de schilderkunst te benadrukken en om de menselijke vrijheid te symboliseren.
6. De zips hadden bij Barnett Newman behalve een compositorische ook een inhoudelijke functie. Zij grensden niet alleen de kleurvlakken af, maar openden ook de kleurruimte waar de beschouwer als het ware in werd getrokken.
7. Vanaf zijn jeugd is de kunstenaar gefascineerd door de ruimtevaart als een mogelijkheid tot extreme vrijheid. In zijn eerdere beeldhouwwerken gebruikte hij titels als Corona en Eclips, waarin zijn kosmische interesse blijkt.
8. Veel informatie die in dit artikel is verwerkt, komt uit een gesprek tussen schrijver dezes en Marinus Augustijn op 13 juli 2010.

Afbeeldingen:

1. Z.T., 2003, 40 x 37 cm., hout, alcyd, koper.
2. Z.T., 2006, 2 x 80 x80 cm., glas, alcyd, hout.
3. Z.T., 2006, 70 x 70 cm., glas, alcyd, hout.
4. Z.T., 2007, 75 x 50 cm., glas, alcyd, hout.
5. Z.T., 2007, 30 x 20 cm., glas, alcyd, hout.
6. Z.T., 2007, 30 x 44,5 cm., glas, alcyd, hout.
7. Z.T., 2007, 72 x 40 cm., glas, alcyd, hout.
8. Z.T., 2007, 50 x 75 cm., glas, alcyd, hout.
9. Z.T., 2008, 50 x 75 cm., glas, alcyd, hout.
10. Z.T., 2007, 88 x60 cm., glas, alcyd, hout.
11. Z.T., 2008-2010, 15 x 40 x 10 cm., glas, alcyd in houten doos 48 x 48 x 10 cm.
12. Z.T., 2007, 30 x 21 cm., glas, alcyd, hout.
13. Z.T., 2007, 27 x 27 cm., glas, alcyd, hout.
14. Species for Darwin, 2009, 50 x 50 cm., glas, alcyd, hout.
15. Species for Darwin, 2009, 50 x 50 cm., glas, alcyd, hout.
16. Z.T., 2009, 40 x 40 cm., glas, alcyd, hout.

KATALIN HERZOG

Dit artikel werd geschreven voor de website van Marinus Augustijn: www.marinusaugustijn.com