*
Toen ik van de ‘School voor Morele Ambitie’ hoorde, spitste ik mijn oren. Het bleek een soort vervolgopleiding te zijn, zoals ook in de kunsten, mede opgericht door de historicus Rutger Bregman. 1) De School voor Morele Ambitie (hierna SvMA) is bestemd voor slimme afgestudeerden aan ‘topuniversiteiten’ die opgeleid worden om hun talenten voor de wereld in te zetten. De bedoeling is dat ze na de SvMA hun huidige ‘bullshitbanen’ opgeven en aan ‘omvangrijke, onderbelichte maar oplosbare wereldproblemen’ gaan werken. 2) Dat deze wereldproblemen nu niet opgelost worden, ligt volgens Bregman aan de politieke en zakelijke elites en hun instituties die corrupt en immoreel zijn, zoals in de Verenigde Staten, of laf en onverschillig zijn, zoals in Europa. De corrosie is over de hele westerse wereld en in zowel de linkse als de rechtse politiek waar te nemen en 'de leegte' die daardoor ontstaat, wordt ingenomen door een steeds meer openlijk fascisme dat democratieën dreigt te vernietigen. Bregman ziet in plaats van deugdzaamheid een voorkeur voor ondeugden en vindt het tijd worden voor een morele revolutie. Dan kan een beweging op gang komen die morele ambitie vooropstelt, waartoe de SvMA bij wil dragen. 3)
Na kennisname van Bregmans ideeën, dacht ik aan de vroege avant-garde in de kunst van de 20ste eeuw, waarvan verondersteld werd dat zij de wereld kon veranderen/verbeteren. De connectie met kunst werd nog verstrekt door het gebruik van het begrip ‘talent’. Talent duidt op een oude munteenheid die in de Bijbel als metafoor wordt gebruikt voor Gods gaven aan mensen. Het is niet zomaar een geschenk, er hoort de verplichting bij om talenten goed te besteden. Vanaf de 16de eeuw werd talent met het individuele kunstenaarschap verbonden, dat in de 18de en 19de eeuw in de genialiteit van kunstenaars culmineerde. 4) Tegenwoordig wordt het begrip genie niet vaak en oppervlakkig gebruikt, terwijl het noemen van talent aan de orde van de dag is. Mensen hebben talenten, maar kunnen nu ook als een ‘talent’ bestempeld worden, als ze in een discipline uitblinken.
De SvMA is gericht op zulke uitblinkers; jonge getalenteerde academici die door grote accountancy firma’s, zakenbanken en advocatenkantoren ingezet worden om oplossingen te bedenken voor allerlei problemen bij bedrijven, investeerders en overheden. Als studenten hadden zij meestal grote idealen om de wereld te verbeteren, maar eenmaal ‘in dienst’ komt daar weinig of niets van terecht. Hun harde werk dient dan het bestendigen van de status quo en het bevorderen van het grootkapitaal. Nadat ze hun adviezen hebben verstrekt, hebben ze vaak weinig of geen controle over de toepassingen ervan, zodat ze snel ontmoedigd raken. Daar staat tegenover dat ze veel verdienen, waardoor ze lang in zulke banen kunnen blijven hangen 5) Besluiten ze toch hun oorspronkelijke idealen te volgen, dan kunnen ze nu bij de SvMA terecht.
Daar leren ze hun morele ambities helder te formuleren en een carrièreswitch voor te bereiden. Morele ambitie ziet Bregman als de wil om uit te blinken, niet om veel geld te verdienen, maar dom urgente wereldproblemen op te lossen, zoals het tegengaan van klimaatverandering, het snel signaleren en voorkomen van pandemieën en het verduurzamen van voedselsystemen. Tegenwoordig houdt de school zich vooral bezig met voedselsystemen en de zeer schadelijke tabaksindustrie. Zo willen Bregman c.s. een beweging van geëngageerde pioniers in gang zetten om de wereld daadwerkelijk te verbeteren. Gedurende de opleiding van zeven maanden ontvangen de deelnemers stipendia, zodat ze van inkomsten verzekerd zijn. In de eerste maand krijgen ze toegang tot wetenschappelijke informatie over wereldproblemen en bestuderen ze manieren om veranderingen door te voeren. Daarna werken ze gedurende zes maanden bij firma’s en organisaties die nu al dergelijke problemen aanpakken. 6)
Bij het lezen hiervan zag ik parallellen met de vroeg 20ste-eeuwse, Europese avant-garde. Hiertoe behoorden jonge kunstenaars die een ‘nieuwe kunst’ in een ‘nieuwe wereld’ voor ‘nieuwe mensen' wilden maken en zich aansloten bij of sympathiseerden met utopische bewegingen, zoals het socialisme en het communisme. Groepjes gelijkgestemde kunstenaars schreven politiek gekleurde manifesten, terwijl ze de kunst, zowel inhoudelijk als formeel veranderden. Hoewel dergelijke avantgardistische groepen soortgelijke idealen hadden, waren de leden individualistisch, wat zowel tot artistieke als politieke onenigheden leidde. 7)
Individualisme in de kunst manifesteerde zich in de 16de eeuw, maar ontwikkelde zich pas in de 18de euw volledig, toen ook maatschappelijke en technische vernieuwingen doorzetten. 8) Jonge kunstenaars wilden zich van het academische kunstonderwijs losmaken, hoewel dat onderwijs nog lang standhield. Pas vanaf de tweede helft van de 20 ste eeuw ontstond er een nieuw soort kunstonderwijs dat de ontwikkeling van individuele talenten centraal stelde. De tegenwoordige nadruk op collectiviteit in de kunst wil daar een einde aan maken, maar op vele terreinen van de cultuur blijven we aan het individuele talent hechten.
Zo bezien zijn er overeenkomsten tussen de strevingen van Bregman c.s. en de ambities van de Europese avant-garde, maar ook vrij grote verschillen. De SvMA is vooral maatschappelijk en moreel georiënteerd en voelt zich verwant aan 18de/19de -eeuwse bewegingen, zoals het abolitionisme (opheffen van de slavernij) en de suffragettes (verkrijgen van het vrouwenkiesrecht), geïnitieerd door kleine groepen mensen die in dezelfde, toen niet gangbare, ideeën geloofden. Bregman propageert een dergelijke 'gelovigheid', wat verband zou kunnen houden met zijn religieuze opvoeding. 9) Op de achtergrond van zijn morele oproep doemt een Apocalyptische vrees op voor de ondergang van de wereld. 10) Velen maken zich zorgen over de toekomst van de aarde en alle erop levende wezens, maar slechts weinigen zetten grote stappen. Bregman daarentegen zet zich met zijn publicaties, lezingen en de school krachtig in om het tij te keren. Hij heeft de SvMA zelfs naar de Verenigde Staten gebracht, om in het hol van de leeuw, voor morele ambitie te pleiten. In dit kader houdt hij lezingen, maakt hij reclame en werft deelnemers voor het SvMA op de Amerikaanse topuniversiteiten. 11)
Zijn engagement is indrukwekkend, maar kan vooral de SvMA echt iets uitrichten? Naast een soort avant-gardistische kunstmatigheid kent de school ook een geconstrueerde kunstmatigheid die problematisch kan worden. De avant-garde in de kunst ontwikkelde zich van onderaf, aanvankelijk nog zonder duidelijke organisatievormen. Zoiets geldt eveneens voor de groepen maatschappelijke vernieuwers die door Bregman bewonderd worden. Zij moesten zowel de problemen nog vinden en de ideeën en organisatievormen ontwikkelen, terwijl de SvMA van boven af, door Bregman c.s. gestuurd/bestuurd wordt en een ‘school’ is die getalenteerden wil ‘opleiden’ om ‘goed te doen’. Niet voor niets is de tovenaarsschool Zweinstein, beschreven in de Harry Potter boeken van J.K. Rowling, inspirerend voor hem. 12)
'Het goede' in Bregmans teksten over/voor de SvMA lijkt geïnspireerd te zijn door de klassieke deugdenleer van Aristoteles (384-322 v. Chr.). Hierin zijn vier kardinale deugden opgenomen: prudentia (wijsheid), justicia, (rechtvaardigheid), fortitudo (moed) en temperantia (gematigdheid). Dit is in de teksten niet onderbouwd en wordt vermengd met utilistische waarden. 13) Er wordt ook weinig aandacht besteed aan de overgang van ‘het slechte’ naar ‘het goede‘, waardoor de grote verleidingskracht van het welvarend leven en de bullshitbanen niet aan de orde komt. De deelnemers die eerder consultants, bankiers of advocaten waren, ontbrak het aan niets; ze waren verzekerd van veel geld en alle comfort. 14) Ze hoefden aan anderen niet uit te leggen, waarom ze voor lucratieve banen kozen. Hun nieuwe, ‘moreel ambitieuze banen’ leveren daarentegen minder geld en comfort op, terwijl hun keuze ervoor door hun omgeving bevraagd zal worden. Kunnen ze zichzelf en hun gezinnen de luxe ontzeggen ten dienste van het oplossen van wereldproblemen? En hoe moeten dergelijke ‘wereldverbeteraars’ omgaan met critici die de effectiviteit van hun idealen betwijfelen? 15)
Er is nog een belangrijk probleem. Bregmans oproep om het goede te doen is nadrukkelijk op een jonge, getalenteerde, ambitieuze, idealistische en altruïstische elite gericht. Desgevraagd zegt hij over zijn keuze voor deze elite dat dit ‘zijn soort mensen’ zijn die hij makkelijker kan bereiken dan bijvoorbeeld mensen uit de Schilderswijk. Dit klinkt praktisch, maar hierachter schuilen andere uitgangspunten. Bregman ziet veel potentie in die jonge elite vanwege hun bevoorrechte status en hanteert het principe van de noblesse oblige dat bevoorrechten verplicht om zich deugdzaam te gedragen en het goede te doen. op een gegeven moment komt zijn meest basale uitgagspunt, de ‘menselijke natuur’ naar voren. Mensen vindt hij gecompliceerde wezens die in principe goed zijn, maar eveneens verkeerde keuzes kunnen maken. Volgens hem ‘deugen de meeste mensen’, omdat de menselijke soort evolutionair een altruïstische richting is ingeslagen. 16) We weten echter niet of er zoiets als de ‘menselijke natuur’ bestaat, waarin bovendien het altruïsme voorop staat. In de discussies hierover worden mensen tegenover dieren geplaatst, maar het is steeds onduidelijker of we ons überhaupt van (andere) dieren onderscheiden. Binnen de filosofie, biologie en de sociale wetenschappen is er geen consensus over het bestaan van een menselijke natuur. 17)
De kunstgeschiedenis beziend, kunnen we concluderen dat de avant-garde kunst de wereld niet heeft verbeterd. Bij het karakter en de werking van kunst tellen niet alleen de aanleg en bedoelingen van kunstenaars, maar ook de steeds veranderende historische/culturele omstandigheden die de kunst positief of negatief beïnvloeden. 18) Waarschijnlijk zullen de deelnemers aan de SvMA ook niet in een duidelijk merkbare verbetering van de wereld slagen. Wel kan Bregman met zijn publicaties en de school bijdragen aan de verandering van ons denken over morele doelen en verrichtingen in de huidige wereld. 19) En hij is niet de enige die zoiets doet. Als protest tegen immorele en lamlendige personen en systemen komt nu een beweging op gang die van deugden, zoals moed, rechtvaardigheid en wijsheid willen uitgaan om het huidige egoïsme, onrechtvaardigheid en vijandigheid te beteugelen. 20) Bregmans strevingen maken hier onderdeel van uit en kunnen meehelpen om de wereld juist die draai te geven die nu noodzakelijk is. En misschien kan de focus op waarden ook de kunstwereld helpen om de nu vaak scheve verhoudingen tussen politieke/morele en artistieke/esthetische waarden bij te stellen.
Katalin Herzog
Een kortere versie van deze tekst is als column gepubliceerd in de KunstKrant, 29ste Jg. nr. 5 september/oktober 2025, p. 13. Omdat ik meer uit dit onderwerp wilde halen, heb ik de column als basis voor de hier gepubliceerde essay gebruikt.
* De foto: Rutger Bregman tijdens zijn zijn TED Talk in 2017. Creative Commons Attribution 2.0 Generic license. Beeld versmald.
Bron: https://www.flickr.com/photos/jurvetson/34718204481
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
NOTEN, horende bij dit essay.
1. In Nederland zijn er drie postacademische opleidingen in de kunsten: de Rijksacademie, de Ateliers en de St. Joost School for Art and Design. Alle gaan om jarenlange verdieping en specialisatie in kunst en design, waardoor deze opleidingen een ander karakter hebben dan de SvMA. Wel ben ik mij pas in de SvMA gaan verdiepen door de veronderstelde overeenkomsten van beide soorten opleidingen en ook Bregman heeft aan een academie gedacht, toen hij naar een vorm zocht voor de school die hij met geestverwanten realiseerde.
2. De SvMA is het ‘praktische’ resultaat van Bregman's boek, Morele ambitie. Stop met het verspillen van je talent en maak werk van je idealen, (De Correspondent, Amsterdam, 2024). In dit boek roept Bregman (historicus) jonge academici op om hun talenten en carrière voor een betere wereld in te zetten. Het gaat hem om ambitieuze, ondernemende mensen die idealistisch en altruïstisch, maar niet naïef zijn. Ze moeten strategisch kunnen denken en handelen om hun doelen te bereiken. Jonge academici moeten hun ‘morele cirkel’ vergroten en verantwoordelijkheid op zich nemen voor alle ‘bewuste wezens’ op aarde, nu en in de toekomst. Bregman die jarenlang artikelen/boeken schreef en lezingen hield, wil met de school nu praktisch bijdragen aan de verandering/verbetering van de wereld, net als zijn voorbeelden in de 18de en 19de eeuw. Morele ambitie is verwant aan het effectief altruïsme, een soort utilistisch denken, geformuleerd door Peter Singer (1946-), een Australische morele filosoof. (Utilisme is een ethische richting die het maximaliseren van het geluk voor zoveel mogelijke mensen voorop stelt.) Het effectief altruïsme gaat op grond van wetenschappelijke kennis op zoek naar de meest effectieve manieren om voor mensen en de natuur goed te doen.
3. Bregman heeft zijn doelen behalve in Morele Ambitie eveneens uiteengezet in zijn vier Reith Lectures Moral Evolution, 2025. Deze lezingen waren in 1948 in Engeland begonnen en worden nu door Radio 4 van de BBC verzorgd. Hun doel is om meer algemeen begrip te kweken voor belangrijke hedendaagse ideeën en gebeurtenissen.
4. Voor het geniebegrip zie de column ‘Genie en robot’, https://kunstzaken.blogspot.com/2017/12/genie-en-robot.html
Hoewel talent en genie verwante begrippen zijn – beide duiden op Gods gave – kennen ze verschillen. Talent komt met de verplichting om dat wat gegeven is goed te besteden, bijvoorbeeld aan scholing voor verdere ontwikkeling. Daarentegen heeft het genie, wiens genialiteit de hele persoonlijkheid omvat, geen verplichtingen. Bij zijn verschijnen is het genie al volmaakt en brengt het allerbeste voort dat anderen ten voorbeeld moet dienen. Genialiteit als Gods gave werd vanaf de 18de eeuw vervangen door de ‘gave van de natuur’ (bijvoorbeeld bij Immanuel Kant) en komt zo dicht bij het psychologische begrip ‘aanleg’ dat ontwikkeld moet worden. Toch is het genie in het dagelijks spraakgebruik nog aanwezig als iemand ‘een talent’ wordt genoemd. Talent omvat dan de hele persoonlijkheid, waardoor genie en talent samenvallen.
5. Veelbelovende jonge academici worden al tijdens hun studie verleid om stage te lopen bij grote firma’s, zoals het consultancybureau McKinsey, de investeringsbank Goldman Sachs of het advocatenkantoor Kirkland & Ellis. Ze krijgen diners aangeboden en hen worden prachtige ontwikkelingsmogelijkheden en carrièrekansen in het vooruitzicht gesteld. Als ze hierop ingaan, betekent dat volgens Bregman dat hun talenten verspild worden. (hier klinkt de oorspronkelijke metafoor van geld en gave mee). Zo komen ze in de ‘Bermudadriehoek van het talent’ terecht.
6. Zie: https://www.moralambition.org/nl
en: : https://zigzaghr.be/the-school-for-moral-ambition-betaalt-toptalenten-om-hun-baan-op-te-zeggen/
7. Bij de vroege Europese avant-garde waren er spanningen tussen de politieke/morele en artistiek/esthetische ideeën/ideologieën. De eerste waren afkomstig van matschappelijke en filosofische bewegingen in de hele westerse wereld en de tweede werden binnen kleine groepen van individuele kunstenaars ontwikkeld, zoals bijvoorbeeld Die Brücke (Duitsland), die zich tegen het traditionele kunstonderwijs verzetten. Hoewel de meeste vooruitstrevende kunstenaars zich op het socialisme en het communisme oriënteerden, lag hun focus in de eerste plaats op de artistieke/esthetische vernieuwingen. Daar wilden en konden ze iets nieuws tot stand brengen, terwijl de ideologie al kant en klaar aanwezig was. Ondanks de spanningen, konden ze meestal een balans vinden tussen de verschillende soorten waarden, maar er ontstonden eveneens ideologische scheuringen. Sommige groepen, zoals de Futuristen (Italië), liepen vast in desastreuze maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het fascisme.
8. De vrijheid van het individu, waarvoor Immanuel Kant aan het einde van de 18de eeuw ijverde, manifesteerde zich voor het eerst bij kunstenaars, mede door de maatschappelijke, politieke ontwikkelingen in die tijd. Met de Franse Revolutie verdwenen hun vroegere opdrachtgevers, kerk en adel en door de industrialisatie werd de macht van de gilden gebroken. Kunstenaars die eerder als getalenteerde ambachtslieden golden, 'moesten' vanaf het begin van de 19de eeuw ‘vrij zijn’, hoewel ze tegelijkertijd van de markt afhankelijk werden. Toch is de autonomie van de kunstenaar nog steeds ‘het voorbeeld’ voor individuele vrijheid. Dit ‘artistiek accent’ van de vrijheid blijft geldig, waardoor we onze afhankelijkheden van elkaar en de aarde maar moeilijk kunnen accepteren.
9. Toen Bregman in de Reith Lectures gevraagd werd hoe zo’n vooruitstrevende, maatschappelijke beweging ingericht en gehandhaafd moet worden, benadrukte hij het belang van structuur die bij ‘cults’ aanwezig is. Een cult kan het beste begrepen worden als een groep mensen die in dezelfde idealen gelooft of dezelfde ideologie aanhangt. Dit brengt gevaren met zich mee. Het delen van idealen/ideologieën garandeert namelijk geen morele juistheid. Zo’n cult kan ook de vorm van een sekte aannemen, als het zich rondom een charismatische figuur schaart die zich autoritair gaat gedragen. Bregman weet dat zo’n persoonlijkheidscultus hem ten deel kan vallen en hoe erg het dan mis kan gaan. Zijn belangrijkste voorbeeld voor zo’n cult is dan ook geen sekte, maar de 19de -eeuwse, socialistische Fabian Society (Engeland) die belangrijke maatschappelijke veranderingen heeft bewerkstelligd. Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Fabian_Society
10. Bregman heeft het nergens expliciet over de Apocalyps, maar wel over de ondergang van het Romeinse Rijk, zoals Edward Gibbons die in zijn boek Decline and Fall of the Roman Empire (1782) heeft beschreven. Dit schrikbeeld gebruikt hij in zijn eerste Reith Lecture, A Time of Monsters, om de corrosie van de westerse wereld te beschrijven. Zijn zorgen worden door velen gedeeld die vaak wel Apocalyptische ideeën aanhangen, ook al wordt de ondergang van de wereld aan verschillende oorzaken geweten.
11. Bregman heeft in de VS lezingen gehouden op Princeton University in New Jersey, Stanford University in Californië en Harvard University in Cambridge Massachusetts. Hij maakt er ook reclame en rekruteert toekomstige deelnemers voor zijn school.
12. In zijn boek beschrijft Bregman de school Charity Entrepeneurship in Londen – ook wel ‘de Zweinstein voor do-gooders’ genoemd – waar ‘een nieuwe lichting tovenaars wordt opgeleid, die de wereld ingaan om zoveel mogelijk goed te doen.’ (Morele ambitie, p. 121) Deze ‘tovenaarsschool’ is een van de inspiraties voor de SvMA.
13. Op pp. 261-263 van zijn boek vermeldt Bregman de zeven principes, waarop de beweging gegrondvest is: Actie, Impact, Radicale compassie, Ruimdenkendheid, Medemenselijkheid, Levenslust en Doorzettingsvermogen.
Actie gaat eigenlijk over het principe van noblesse oblige: mensen met privileges hebben de plicht om zich deugdzaam te gedragen en het goede te doen. Het idee is terug te voeren op het denken van Aristoteles over de rol van de elite en op het joods/christelijke idee dat talent Gods gave is. Impact duidt erop dat het niet gaat om af en toe iets goeds doen, maar om het veroorzaken van grote omwentelingen. Radicale compassie betreft het uitbreiden van de compassie voor mensen, naar de aarde en 'alles daarop wat bewustzijn heeft'. Dit komt overeen met mededogen dat zeer belangrijk is binnen het Boeddhisme en het huidige ecologische denken. Ruimdenkendheid lijkt een vermenging van twee kardinale deugden prudentia (wijsheid) en temperantia (matigheid). Medemenselijkheid omvat vooral het geloof in de goedheid van mensen en het bevorderen van het goede. Levenslust lijkt de hoge morele ambities te relativeren, door het idee dat het ‘goede leven’ meer omvat dan goed doen voor anderen. Het laatste principe Doorzettingsvermogen is weer een mengsel, van nu drie kardinale deugden, fortitudo (moed), prudentia (wijsheid) en temperantia (matigheid). Er is dus vrij veel geleend van de deugdethiek, waarbij sommige deugden vermengd zijn en justicia (rechtvaardigheid) ontbreekt. Andere principes zijn nogal persoonlijk, zoals de nadruk op de goedheid van mensen of utilistisch, zoals Impact dat vertaald kan worden als zoveel mogelijk goed doen voor zoveel mogelijke wezens. Levenslust lijkt een relativering van het goed doen voor anderen en wijst op een persoonlijke deugd. Het geheel van de uitgangspunten is dus niet systematisch. Utilisme, deugdethiek en andere soort waarden lopen door elkaar, wat niet onderbouwd wordt. De zeven principes lijken daarom meer op een ‘mission statement’, zoals bedrijven die kennen, vermengd met ‘geboden’, zoals die in de Bijbel staan.
Voor de deugdethiek, zie: P. van Tongeren, Deugdelijk Leven, Een inleiding in de deugdethiek (Boom, Amsterdam 2003).
14. De Volkskrant publiceerde op 26 juli 2025 een verslag van Mieke de Ruiter over het volgen van een ‘moreel ambitie-cirkel' door de krant, gedurende een half jaar. De titel luidt ‘Rutger Bregman begon een school voor morele ambitie. Wat hebben de deelnemers geleerd?’
Met veel jargon doorspekt, vertellen een chirurg, twee bankiers en drie consultants over hun transitie naar een moreel ambitieuze baan. Ze hebben goede bedoelingen, maar kunnen die moeilijk of slechts gedeeltelijk realiseren. Ze zouden bijvoorbeeld kleiner moeten gaan wonen, huishoudelijke hulp moeten opzeggen of dagelijks vermaak opgeven, wat ze als een offer en niet als een plicht ervaren. Ook vragen ze zich af of het om zoiets groots als de 'verandering van de wereld ' zou moeten gaan? Een van de deelnemers zegt: ‘In het boek (Morele Ambitie) lijkt dit traject als een soort tunnel van de Soundmixshow: je gaat erin en komt er anders uit’ . De transitie is echter veel moeilijker, aangezien het om een verandering van levensstijl gaat die ook consequenties heeft voor gezin, familie en vrienden van degene die wil veranderen.
Hier blijkt de mogelijke achilleshiel van de beweging en de school. Bregman hoopt dat er zich kleine groepen van geëngageerde mensen zullen vormen die de wereld samen verbeteren, zoals dat bij zijn voorbeelden in de 18de en 19de gebeurde. Maar die groepen moesten zowel de problemen nog vinden, de ideeën en organisatievormen nog ontwikkelen, terwijl Bregman met zijn school individuen opleidt die problemen al kennen en manieren van oplossingen en ideeën aangereikt krijgen. Zoiets bevordert de gedrevenheid en creativiteit echter niet.
15. Het probleem dat je als ‘wereldverbeteraar’ moet kunnen omgaan met tegenstanders (bijvoorbeeld via de haatberichten op sociale media) werd gedurende de Reith Lectures door het publiek te berde gebracht. Bregman ging hier niet op in, maar benadrukte een aantal keren dat de veranderingen veel uithoudingsvermogen zullen vergen en lang zullen duren en geleidelijk zullen gaan.
16. In 2019 kwam het boek van Rutger Bregman uit: De meeste mensen deugen (Amsterdam De Correspondent). Hij kreeg hier veel kritiek op. Wat hij wilde leek onmogelijk. Hij was zeer stellig en wilde nadrukkelijk bewijzen dat mensen van nature goed zijn. Ook al gaf hij toe dat mensen slechte/egoïstische keuzes kunnen maken, ze volgens hem ook op weg zijn naar meer altruïstisme. Zijn ‘geloof’ in de goedheid van mensen is te betwijfelen, maar zijn boodschap over hoe we anderen moeten benaderen, kan in de praktijk wel werken. Als we mensen negatief en wantrouwend benaderen, zullen ze ook zo reageren. Onze benadering wordt dan een ‘selffulfilling prophecy’, terwijl een beroep op altruïsme en samenwerking positief kan werken.
17. Het idee van een ‘menselijke natuur’ is gebaseerd op het zoeken naar de essentie van mensen. In de klassieke oudheid dachten filosofen dat essenties altijd een metafysisch oorsprong hadden en dat was eveneens het geval binnen het christelijke denken, waarin God de oorsprong van alles vormt. In Bregmans overtuiging van de goedheid van de menselijke natuur lijkt hierdoor geïnspireerd te zijn.
18. Er bestaan twee tegengestelde benaderingen van de oorsprong en werking van kunst. Bij de eerste komt kunst voort uit het talent/genie van de kunstenaar; zij/hij is als enige verantwoordelijk voor de werking van kunst. Bij de tweede komt kunst voort uit de steeds veranderende politieke/culturele omstandigheden, waarin kunstenaar en kunst zijn ingebed. Een kunstenaar kan in een bepaalde tijd iets willen bewerkstelligen, wat de omstandigheden niet toelaten. Een dialectische verhouding, waarin zowel de aanleg van de kunstenaar als de wisselende omstandigheden een rol spelen, lijkt het best met de realiteit van het ontstaan van kunst overeen te komen. (Deze overtuiging is mede gebaseerd op mijn eigen opleiding aan een kunstacademie en mijn jarenlange ervaring binnen het kunstonderwijs.)
19. De ontwikkeling van ideeën en ideologieën verloopt niet lineair; eerder hebben we met een op- en neergaande golfbeweging te maken. Voor de 19de eeuw gebeurde dit langzaam, maar door de zich steeds meer uitbreidende en kwalitatief goede communicatiemiddelen bereiken die bewegingen ons sneller dan ooit. Rondgepompt door de publiciteit, met de daarin talrijke herhalingen, worden ze even besmettelijk als veranderingen in de mode van bijvoorbeeld levensstijlen, kleding en woninginrichting. Bregman weet dit en maakt er uitvoerig gebruik van. Zelfs als zijn school zou mislukken, zouden zijn steeds herhaalde en van moraal doortrokken ideeën, veranderingen kunnen bewerkstelligen, mede doordat ze bij soortgelijke ideeën van anderen aansluiten.
20. Een voorbeeld van morele veranderingen is de wederopstanding van de deugdethiek in de zevendelige serie van de NRC over de toepassing van de vier klassieke en drie christelijke deugden in de politiek (oktober 2025 t/m februari 2026). De essays werden geschreven door historicus Beatrice de Graaf (Universiteit Utrecht) en filosoof/theoloog Rik Peels (Vrije Universiteit, Amsterdam). Beiden menen dat het huidige politieke debat gebaat kan zijn bij kennis (en toepassing) van de deugdethiek. Bij de vorming van een nieuw Nederlands cabinet in 2026 lijken Rob Jetten en Henri Bontenbal hierdoor beïnvloed te zijn, terwijl zij de neo-liberalistische gedachtengoed van de VVD (voorlopig?) gedogen.