dinsdag 17 oktober 2017

EEN SPROOKJE VAN ANALOGIEËN




Er was eens een tijd dat mensen heel anders over zichzelf en de wereld dachten en spraken dan wij dat nu doen. Zij gingen ervan uit dat alles in de wereld, net als in menselijke gemeenschappen, via gelijkenissen, vriendschappen/vijandschappen en verwantschappen met elkaar verbonden was. Vervolgens ontwikkelden zij ook ideeën over de soorten verbindingen waardoor de gelijkenissen tot stand kwamen.

De eerste soort verbinding noemden zij ‘convenientia’, wat zoiets betekent als ‘bij elkaar passen’ Zij namen aan dat dingen (in brede zin) die dicht bij elkaar stonden, ook bij elkaar pasten. Eigenlijk pasten dingen zich aan elkaar aan, doordat ze bewegingen, invloeden en eigenschappen van elkaar overnamen. Deze aanname gold ook voor mensen. Omdat de ziel zich in het lichaam bevindt, neemt zij bewegingen van het lichaam over, terwijl het lichaam als het ware besmet raakt met de gevoelens van de ziel. Op deze wijze konden er talloze verbindingen in de wereld ontdekt worden. Planten en dieren pasten bij elkaar, omdat ze beide groeiden, dieren en mensen kwamen met elkaar overeen, omdat ze beide gevoelens hadden en mensen waren met de sterren verbonden, daar ze beide intelligent waren. In die tijd ervoeren mensen dan ook een grote verbondenheid tussen henzelf en het firmament.

Vervolgens gingen zij op zoek naar andere soorten gelijkenissen en meenden dat sommige dingen ook op elkaar konden lijken, als ze zich niet dicht bij elkaar bevonden. Dit benoemden zij met de term ‘aemulatio’, wat zoiets betekent als ‘elkaar imiteren of spiegelen’. Dingen die over de wereld verspreid waren, konden dus op elkaar reageren door elkaar te spiegelen; ze vormden afbeeldingen van elkaar. Zo waren de ogen van mensen een weerkaatsing van het licht van de zon en de maan, spiegelde de mond Venus, de godin van de liefde, omdat zij kussen en lieve woorden schonk en imiteerde de neus de staf van Jupiter (de oppergod), omdat hij over het gezicht heerste. De spiegelingen ervoeren mensen in deze tijd als tweelingen, twee individuen die erg op elkaar lijken, maar wat karakter betreft enigszins van elkaar kunnen verschillen. De ene is bijvoorbeeld onafhankelijker dan de andere en dit was goed te zien bij de ‘tweeling’ die mensen en sterren met elkaar vormden. Beide waren intelligent, waaruit voortvloeit dat de menselijke geest net zo kon stralen als de sterren aan de hemel. Maar de hemel dwong mensen niet tot denken; hun innerlijke hemel was onafhankelijk van de sterren, op voorwaarde dat zij erkenden deel uit te maken van Gods wijsheid die het hele universum doorstraalde.

Een derde soort gelijkenis zagen mensen in de ‘analogie’, wat ‘gelijkheid van relaties tussen twee of meer dingen’ betekent. Onder analogie konden allerlei letterlijke en figuurlijke gelijkenissen geschaard worden, zodat alles op alles kon gaan lijken. Toch was er een centrum in de oneindige ruimte van analogische verbanden en dat waren de mensen zelf. Zij leefden op de aarde, zodat hun vlees overeenkwam met de grond, hun botten met de rotsen, hun aderen met de rivieren, hun blaas met de zee en hun ledematen met de metalen in de aarde. Tegelijkertijd echter weerspiegelden ook de mensen en het firmament elkaar. Mensen vormden dus het knooppunt van alle analogieën en waren eveneens degenen die de analogieën uitspraken en daardoor verspreidden.

De vierde soort gelijkenis zagen mensen in de ‘sympathie’ waarmee hier ‘gelijkenis van toevalligheden in van elkaar onafhankelijke dingen’ wordt bedoeld. Sympathie trok alle dingen naar elkaar toe en bracht ook hun eigenschappen bij elkaar. Vuur was warm en licht en steeg dus omhoog, maar verloor daardoor zijn droogte die het met de grond verbond. Zo verkreeg vuur de vochtigheid van de lucht, ging over in nevel en vervolgens in een wolk die in de lucht oploste. Sympathie was als principe van gelijkenis zo sterk dat hij de dingen geheel met elkaar kon vermengen waardoor ze hun eigenheid dreigden kwijt te raken. Als de sympathie dus geen tegenstand kreeg van de ‘antipathie’ zou de wereld één homogeen geheel worden. Daarom zorgden sympathie en antipathie er samen voor dat de dingen op elkaar konden lijken, maar toch hun individualiteit konden behouden.

Mensen gingen er in die tijd dus vanuit dat door convenientia, aemulatio, analogie en sympathie-antipathie in de wereld gelijkenissen tot stand kwamen, maar waar bevonden zich deze gelijkenissen en hoe konden ze worden waargenomen? God zorgde hiervoor; hij bracht‘signaturen’ (tekens van verborgen eigenschappen) aan de oppervlakte van de dingen aan, opdat mensen deze konden opmerken. Het was dus zaak om die signaturen op te sporen en ze als hiërogliefen te ontcijferen. Dit ging bijvoorbeeld als volgt: een arts zocht naar een medicijn tegen oogziekten en keek daarvoor rond in zijn kruidentuin. Hem viel op dat de monnikskap behalve mooie, blauwe bloemen ook zwarte zaden in wittige zaaddozen had en hij herkende hier ogen in. De zaden vormden dus een signatuur, opdat de arts te weten zou komen dat de monnikskap het juiste medicijn was. Signaturen konden in het kader van de vier soorten gelijkenissen ontcijferd worden, maar dan moesten mensen de gelijkenissen eerst wel opzoeken, en hoewel die er in principe altijd aanwezig waren, was het de vraag of de juiste gelijkenissen en signaturen gevonden konden worden.

Binnen deze gedachtegang zouden gelijkenissen eindeloos door kunnen gaan, als er geen kader bestond die ze omsloot, en dat was de ‘verdubbeling van de kosmos’. God had de hele wereld geschapen, zowel de grote wereld van de hemelen en de sterren (macrokosmos), als de kleine wereld van mensen (microkosmos), die elkaar nauwkeurig weerspiegelden. Beide werelden vormden samen een gesloten geheel waaruit voortvloeide dat de geschapen dingen en wezens eindig in aantal moesten zijn. Zo werden de woekerende gelijkenissen beperkt en kon ook de actieradius van het zoeken enigszins begrensd worden.

In deze tijd hadden mensen dus niet alleen een duidelijke plaats in het universum – zij waren immers de helft van de dubbele kosmos – maar waren ook bevoorrecht, want God had de wereld voor hen geschapen en zij konden haar lezen door het interpreteren van de signaturen. Vervolgens zorgde de taal ervoor dat deze kennis onder de mensen verspreid werd. Hier kwam echter een kink in de kabel, omdat mensen niet meer die ene taal uit het paradijs spraken waarin de woorden en de dingen met elkaar overeenkwamen. Vanwege hun hoogmoed bij het bouwen van de toren van Babel, had God ze gestraft met een vreselijke spraakverwarring waardoor er vele talen ontstonden. Maar deze hadden slechts vage herinneringen behouden aan de oorspronkelijke eenheid van de taal en de dingen. Bovendien spraken mensen niet alleen vele talen, maar zij spraken en schreven veelvuldig en voortdurend over van alles en stapelden zo commentaar op commentaar. Daarom moesten zij steeds de verbanden tussen al die talen en teksten verhelderen. Zij interpreteerden dus niet alleen de wereld, maar ook de teksten om weer bij die eerste gelijkenis te komen. En die moest er wel zijn, aangezien er ooit een ‘oorspronkelijke tekst’ bestond die God in de wereld had gelegd.

Dit verhaal zou een sprookje kunnen zijn, als sommige hints al niet verraden hadden dat het zich in de geschiedenis heeft afgespeeld en wel in de Renaissance. In feite is dit een verkorte en vereenvoudigde versie van hoofdstuk twee, ‘The prose of the world’ van The Order of Things, geschreven door Michel Foucault (1926-1984). Hier vraagt de filosoof zich af hoe het moderne kennen, dat ‘de mens’ centraal stelt, kon ontstaan. Om een antwoord op deze vraag te krijgen, begint hij in de 16de-eeuw, toen mensen zich langzaam los begonnen te maken van de christelijke opvattingen over God, de wereld en de mensen.

Foucault ziet het moderne kennen niet als de hoogste vorm; hij gelooft niet in de 18de-eeuwse vorm van vooruitgang. Volgens hem hebben verschillende tijden in de geschiedenis elk hun eigen episteme, hun eigen manier van kennen. In de Renaissance ging men uit van gelijkenissen waarna in de 17de- en 18de-eeuw ‘representatie’ de basis van het kennen werd. Net als in de 16de-eeuw vormden mensen ook in deze tijd het uitgangspunt van het kennen, maar wel op een andere wijze. Nu ging het niet meer om een gelijkenis tussen de woorden en de dingen, maar om hoe de wereld in de ideeën verschijnt, of anders gezegd in de ‘cogito’ (Descartes) van mensen gerepresenteerd wordt. Men onderzocht de wereld door alles op overeenkomsten en verschillen te toetsen en vervolgens in mathematische of taxonomische tabellen te rangschikken. Met behulp van zulke ordeningen konden de voorlopers van de moderne wetenschappen, zoals anatomie, kosmologie, plantkunde en zoölogie, zich snel ontwikkelen. De 18de-eeuw was dan ook de tijd van de encyclopedieën waarvan de Encyclopedie van Diderot, die alle kennis van de wereld wilde verzamelen, ‘het’ voorbeeld is.

De 19de- en de 20ste-eeuw is voor Foucault de tijd van het moderne kennen. ‘De mens’ als universeel idee, krijgt hier zijn beslag. Hij is het subject van de kennis, van hem gaat immers het kennen uit, maar hij is tegelijk ook het object van de kennis; hij wordt nu ook bestudeerd. Men vraagt zich niet alleen af wat de mens kan kennen, maar ook hoe hij het proces van kennen volvoert en welke grenzen zijn kennis heeft. Dit is de tijd van het ontstaan van de moderne wetenschappen, maar ook van de verdeling van kennis in het formele gebied van de wiskunde en de fysica, en het empirische gebied van de biologie, de economie en de filologie. Met ‘de mens’ komen ook de menswetenschappen op, zoals de sociologie, de psychologie en de taalkunde die zich op de sociale omstandigheden, de mentaliteit en de talige uitingen van de mens gaan concentreren.

Foucault legt uit dat de moderne filosofie zowel relaties onderhoudt met de empirische wetenschappen als met de menswetenschappen. De grondleggers van de moderne filosofie zijn volgens hem Friedrich Nietzsche (1844-1900), Karl Marx (1818-1883) en Sigmund Freud (1856-1939); de drie grote, kritische denkers van de 19de-eeuw die de mens bestudeerden en diens neergang al aankondigden. Zij lieten namelijk zien dat ‘de mens geen baas in eigen huis is’, maar door basale krachten als respectievelijk het leven, de economie of het onbewuste bepaald wordt.

In zijn boek vraagt Foucault zich niet af hoe de verschillende manieren van kennen zijn ontstaan of hoe ze zich uit elkaar hebben ontwikkeld. Hij behandelt de drie epistemes na elkaar en bekommert zich nauwelijks om hun historische verbanden waardoor het lijkt alsof een bestaande episteme ophoudt, als een nieuwe zich aandient. Zijn belangrijkste doel is niet de verbanden tussen de soorten epistemes te laten zien, maar om de voorwaarden van het moderne kennen te achterhalen. Hiervoor gebruikt hij de ‘archeologische methode’ waarin breuken/grenzen in de tijd (naar analogie van aardlagen) belangrijker zijn dan continuïteiten. Eerdere epistemes ziet hij dan ook als ‘media’ die het moderne kennen mogelijk hebben gemaakt. Naast zijn hoofddoel wil hij echter ook aantonen dat het moderne kennen al begon met de afbraak van het algemene idee ‘mens’, zijn eigen schepping. Foucault meent dat we ons (in de 20ste-eeuw) weer op een breukvlak in de tijd bevinden waarna de mens definitief zal verdwijnen. Hiermee beweert hij niet dat mensen op zullen houden te bestaan, maar dat de eenzijdige humanistische visie op ‘de mens’ zal verdwijnen.

Of dit nu wel of niet is ingetreden, daarover zijn filosofen tot op heden in een debat verwikkeld waarvan de uitleg hier te ver zou voeren. Wel kan een poging gewaagd worden om na te gaan of Foucaults epistemes – hier benoemd als de analogische, de taxonomische en de moderne (wetenschappelijke) manier van kennen – iets zouden kunnen verhelderen over de huidige manieren van kennen. Daarvoor is echter de aanname noodzakelijk dat epistemes niet zomaar kunnen ophouden. Met de komst van een nieuwe, overheersende manier van kennen worden de bestaande manieren wel verzwakt en kunnen zelfs bijna in vergetelheid raken. Ze blijven echter min of meer latent bestaan, kunnen in het heden invloed uitoefenen en als ze nodig zijn in enigszins veranderde vormen weer opduiken (naar analogie van Warburgs theorie van het ‘Nachleben’). Samen vormen alle epistemes een gelaagd geheel aan mogelijkheden om tot ordeningen en kennis te komen, dat we in verschillende contexten gebruiken, soms naast elkaar, dan weer elkaar overlappend of opvolgend. In een bepaalde context geven we meestal de voorkeur aan één of twee mogelijkheden van kennen, maar bij wisseling van context kunnen we ook gemakkelijk op een andere manier van kennen overschakelen.

Als de epistemes schetsmatig binnen een aantal contexten gesitueerd worden, is te zien dat we in het dagelijks leven (omgang met de omgeving in brede zin) vooral de analogische en taxonomische manieren van kennen gebruiken, omdat een strikte wetenschappelijkheid hier niet toepasbaar of zelfs ongewenst is. Op het terrein van de wetenschappen overheerst het moderne kennen, maar ook de taxonomische vorm kan voor noodzakelijke ordeningen zorgen, terwijl het analogische kennen vooral aan het begin van het onderzoek een heuristische functie heeft. In de kunsten worden de taxonomische en moderne manieren van kennen wel toegepast, maar het analogische kennen (denken, spreken, ordenen en maken) speelt hier wel de hoofdrol. Het zorgt voor gelijkenissen die in de oeuvres van moderne en hedendaagse kunstenaars in overvloed te vinden zijn. Dergelijke gelijkenissen hebben meestal historische of persoonlijke associaties tot uitgangspunt en ze manifesteren zich in artistieke keuzes van motieven en/of in hun esthetische ordeningen.

De episteme van de Renaissance werd hier niet voor niets als een soort sprookje weergegeven. Diens context en details lijken uit een verre, zelfs ‘mythische tijd’ te komen waarvan we het functioneren maar moeilijk kunnen vatten. Wel zijn we in staat om de analogieën en de daarbij horende ordeningen te herkennen. Ze komen nu poëtisch over, omdat ze op structuren en inhouden van de esthetische werelden lijken die we uit de moderne en hedendaagse kunst kennen.

Katalin Herzog

Bronnen:

-Michel Foucault, The Order of Things: An Archeology of the Human Sciences, Pantheon Books, New York 1971 (oorspronklijke uitgave: Les mots et les choses, Gallimard, Parijs 1966.)

-Stanford Encyclopedia of Philosophy, 'Michel Foucault', 2013, https://plato.stanford.edu/entries/foucault/


PARAFRASE/CITAAT:

CHINESE ENCYCLOPEDIE

Er bestaat een passage in het werk van Borges waarin onze gewoonlijke categorieën om de uitgebreidheid van de wereld te ordenen, aan diggelen vallen. In deze passage wordt een ‘bepaalde Chinese encyclopedie’ geciteerd waarin staat dat de dieren onderverdeeld kunnen worden in: “a) toebehorend aan de Keizer, b) gebalsemd, c) getemd, d) speenvarkens, e) zeemeerminnen, f) fabeldieren, g) zwerfhonden, h) die welke in deze classificatie zijn opgenomen, i) die welke tekeergaan als dwazen, j) ontelbare, k) die welke getekend zijn met een kameelharen penseel, l) enzovoort, m) die welke net een vaas gebroken hebben, n) die welke uit de verte op vliegen lijken.”

Bron: Michel Foucault, De woorden en de dingen, Boom, Amsterdam 2006, p. 7. (Eerste deel is geprafraseerd.)