vrijdag 31 oktober 2014

EEN GORDIAANSE KNOOP?



Iemand moest het engagement in de kunst nu wel aankaarten en dat werd Hans den Hartog Jager (NRC, 18-9-2014). Hij zag een ‘kleine golf van maatschappijbetrokken tentoonstellingen in Nederland’ voorbijtrekken, en werd dus gewaar dat kunstenaars zich steeds meer om autonomie en engagement bekommeren.

Zijn artikel 'Geëngageerde kunstenaars: de wereld luistert niet' beschuldigt maatschappelijk betrokken kunstenaars van een ‘vanzelfsprekend geworden linksheid’ die in deze tijd niet meer effectief is. Zij vergeten dat ‘artistieke vrijheid’ door het kapitalisme mogelijk werd en dat die vrijheid niet meer vanzelfsprekend is. In de Romantiek had de kunst haar vrijheid verkregen om nieuwe ideeën aan de maatschappij te leveren, maar daartoe zijn commerciële bedrijven, die zich wel in het kapitalisme voegen, tegenwoordig ook in staat. ‘Waar heeft de kunst die uitzonderingspositie nog voor nodig?’ Desondanks roept Den Hartog Jager kunstenaars op om voor de kunst een nieuwe rol te vinden, waarna ze pas alternatieven kunnen bieden aan de maatschappij. Dat moet NU gebeuren, nu de kunst nog vrij is!

Deze samenvatting doet al duizelen, maar het artikel kan zelfs een kleine ‘hersenstilstand’ veroorzaken, hetgeen te merken is aan reacties in de krant. De meesten beperken zich tot jij-bakken: ‘De criticus is een rechtse rakker en levert slechte kunstkritiek’. Maar Den Hartog Jager kan meer verweten worden dan rechts te zijn: hij kent de algemene geschiedenis en die van de kunst niet voldoende om de knoop van autonomie en engagement te ontwarren.

Inderdaad hebben artistieke vrijheid en engagement met het burgerlijk kapitalisme te maken. Pas vanaf eind 18de eeuw werden kunstenaars vrij van de ideologieën van kerk en staat. Zij verkochten hun werk op een anonieme markt en konden zich met ideeën naar hun keuze engageren. Maatschappij- en cultuurkritiek (links en rechts) kwamen uit de burgerlijke cultuur zelf die zich tegen de verwording van de moderniteit verzette. Ook al spreken we van avant-garde, de kunst liep hierin niet per se voorop. Zij paste in een tijd, waarin veel mensen naar een nieuwe, betere wereld, maatschappij en mens streefden. Sommige kunstenaars wilden hiertoe bijdragen door vorm te geven aan een geheel nieuwe kunst. En voor steun sloten zij zich aan bij zowel linkse als rechtse politieke bewegingen. Op den duur mislukten echter de allianties tussen kunst en politiek, omdat kunstenaars zich hierdoor beperkt voelden. Totdat zij tot propaganda werden gedwongen binnen de totalitaire staten.

De avant-garde wilde de wereld wel verbeteren, maar zij vormde slechts één van de vooruitstrevende groepen in een eeuw vol van ‘het nieuwe’, en dat wist zij. Indien kunstenaars nu, zoals de criticus hen verwijt, als naïeve wereldverbeteraars optreden, onbewust van het gebrek aan invloed van kunst, dan is hier sprake van historische vergissingen, zowel bij de criticus als de kunstenaars.

Geëngageerde kunst heeft nu een ander karakter dan bij de avant-garde. Nog steeds komt de meeste kritiek uit de maatschappij, waartegen het gericht is, maar het gaat tegenwoordig om een ‘hervonden of uitgebreid engagement’ dat ook globale aspecten heeft. Vanaf de jaren zeventig maakten grote ideologieën plaats voor eclectische, postmoderne opvattingen, waarbinnen kunst een ongekende vrijheid kreeg. Deze weelde leidde echter tot problemen, en niet alleen binnen de kunst. In westerse landen leken mensen vergeten te zijn wat daarbuiten gebeurde, totdat op 11 september 2001 met een klap een einde kwam aan deze vergetelheid.

Den Hartog Jager begrijpt het engagement, nu ‘de wereld in brand staat’, maar verwijt betrokken kunstenaars dat zij, verwikkeld in naïeve ideologieën, zich als actievoerders opstellen, waaraan het artistieke van hun werk lijdt. De huidige maatschappijkritische kunst heeft inderdaad nog niet de juiste toon gevonden en ziet ook het engagement van de avant-garde vertekend. Maar zij heeft ook andere problemen, namelijk de verhouding van vorm-inhoud van kunstwerken en de veranderde opvattingen over creativiteit. Artistieke experimenten van de 20ste eeuw hebben tot het ‘oplossen van het kunstwerk’ geleid. Concept Art en acties/performances brachten de kunst dicht bij taal en gedrag, waarvan ook actievoerders zich bedienen. Bovendien hoort creativiteit niet meer exclusief bij kunst. De tegenwoordige, geëngageerde kunst verkeert in zwaar weer, maar je kunt kunstenaars niet zomaar opdragen om een nieuwe functie voor de kunst, eigenlijk een nieuwe kunst, uit te vinden. Zoiets gaat niet op commando. Zelfs een overijverige criticus moet wachten tot er uit complexe, maatschappelijke/artistieke ontwikkelingen een nieuwe kunst ‘opdoemt’.

Katalin Herzog

Deze column is gepubliceerd in de KunstKrant, Jg. 18, Nr. 6, november/december 2014.

woensdag 3 september 2014

EEN BEELDIG MEISJE




Zoiets was in de Nederlandse museumcultuur recentelijk niet meer vertoond. De nieuwe directrice van het Mauritshuis in Den Haag, Emilie Gordenker, leek een serieus iemand te zijn. Zij initieerde geen mediaspektakel tijdens de verbouwing van het museum, maar stuurde de collectie op wereldtournee om toekomstig, internationaal publiek te garanderen. Zij overschreed het restauratiebudget niet en zorgde ervoor dat het museum op tijd kon opengaan.

Bij de opening echter werd het verzuimde spektakel dubbel en dwars ingehaald. Op 28 juni werd het Meisje met de parel van Vermeer met een cavalerie-escorte, het Residentie Orkest en een fanfare binnengehaald. Een transportkist met het ‘schilderij’ erin werd op het dak van het museum gehesen en daaruit stapte een levend ‘meisje’ met een soort rechthoek achter haar hoofd. Zag ik dat wel goed; was de achtergrond van het schilderij van Vermeer op haar hoofd gemonteerd? De dame in kwestie bleek een koorddanseres die als levend schilderij op dertig meter hoogte naar de nieuwe vleugel van het museum overstak. Dit alles werd gadegeslagen door koning Willem Alexander die het museum vervolgens ceremonieel opende.

Had het museum een reclamebureau ingehuurd om deze idiote vertoning te ensceneren? Zoiets paste toch niet bij de ingehouden stijl van de directrice of was dat ook maar een geconstrueerd imago?

Het Mauritshuis heeft een uitstekende collectie met grootse en eenvoudige werken die nu echter anders worden bekeken dan in de 17de eeuw. Juist de ‘minst aanzienlijke’ schilderijen, zoals het Meisje met de parel van Vermeer en het Puttertje van Fabritius worden tegenwoordig bewonderd. Dit is niet alleen te danken aan een veranderde smaak, maar ook aan de media die de film van Peter Webber, The Girl with the Pearl Earring (2003) en het boek van Donna Tartt, The Goldfinch (2013), waarin de kunstwerken figureren, uitvoerig celebreerden.

De museumstaf is dit natuurlijk niet ontgaan. Beide kleine schilderijen hangen niet, zoals de andere, met hun lijst direct op het damastbehang, maar hebben een extra kader gekregen, zodat ze nu groter en belangrijker lijken. Museumbezoekers verdringen zich vooral voor het ‘Meisje’, zich afvragend wie zij is en wat zij zoal denkt. Waarschijnlijk worden zij hiertoe aangezet door de film, waarin Vermeer romantische gevoelens koestert voor zijn dienstmeisje, tevens model voor het schilderij. Weinigen zullen weten dat dit een handige geschiedvervalsing is, want het schilderij is geen portret, zoals de Mona Lisa in het Louvre. Bij het ‘Meisje’ gaat het hoogstwaarschijnlijk om een tronie, een schilderij van een type mens dat kunstenaars in de 17de eeuw ter oefening maakten. Dat zij zo’n type voorstelt, wordt ook bevestigd door haar nogal vlak gezicht en de tulband die uit de verkleedkist in het atelier komt.

Daar gaan we dan. Wij verdringen ons voor een soort 17de eeuwse etalagepop die we een sterke aantrekkingskracht toedichten, zoals we dat ook doen bij gefotoshopte modellen in catalogi. Ze zijn mooi en bij Vermeer zelfs prachtig, maar ze zijn ook leeg en karakterloos.

Heeft de museumstaf dit allemaal overwogen en toen besloten om onze onwetendheid en hebberigheid te gebruiken om ons naar het museum te lokken? Zij kaderen het ‘Meisje’ op de muur extra in en personifiëren haar bij de opening door van een levend mens een schilderij in een kader te maken. Zij moeten wel beseffen dat dit geheel in de tegenwoordige, commerciële cultuur past, waarin alles om meer opbrengst gaat.

Maar is het niet oneerlijk om de museumstaf van zoiets te betichten? Is het verkeerd om commerciële technieken toe te passen om nog meer mensen met kunst in contact te brengen? Op zich is er niets mis met commerciële technieken, zolang zij op hun plaats blijven, namelijk ten dienste van de toegankelijkheid van kunst en het in stand houden van musea. Verkeerd is echter om alles kritiekloos door een commerciële bril te bezien. Dan verdwijnen alle andere waarden die bij kunst horen, waardoor extra dimensies aan het genieten ervan worden toegevoegd. Dan kunnen kunstwerken ons ook geen spiegel meer voorhouden, ter bewustwording van onze huidige, eendimensionale cultuur.

Katalin Herzog

Deze column is gepubliceerd in de KunstKrant, 18de jaargang, nr.5, sept./okt. 2014

vrijdag 4 juli 2014

U VRAAGT, WIJ DRAAIEN


Het Rijksmuseum in Amsterdam is weer aan het stunten. Nu niet met Obama voor de Nachtwacht, maar met post-it briefjes bij de kunstwerken. Alain de Botton, de Britse ‘levens-filosoof’, wil met de tentoonstelling Art is Therapy aantonen dat we door het kijken naar kunst een beter en gelukkiger leven kunnen krijgen.

Met dit doel heeft hij tweehonderd objecten in het museum van ‘filosofische graffiti’ op post-it briefjes voorzien, zodat wij onze ‘persoonlijke sores met kunstwerken in verband kunnen brengen’. Een oude kast moet ons ertoe aanzetten om ‘onze rommel (c.q. leven) op te ruimen’, een kristallen schaaltje zegt dat ‘het oké is om kwetsbaar te zijn’ en een kerkinterieur van Saenredam vertelt ons dat ‘vermaak de vijand is’.

De Botton vindt dat kunstwerken ‘troost, verlossing en catharsis’ moeten bieden. In de NRC (17/18, 5, 2014) zegt hij deze ideeën aan o.a. Aristoteles ontleend te hebben die in 4de eeuw v. Chr. al beweerde dat tragedies gevoelens van angst opwekken en zo het publiek kunnen helen. Mensen willen de wereld en zichzelf verbeteren en dat kan, volgens De Botton, tegenwoordig het beste met behulp van kunst die de vroegere rol van de godsdienst moet overnemen. Kunst is het medicijn voor al onze problemen en dient dus serieus genomen te worden.

Als tegenhanger van zijn artikel publiceerde de NRC een reactie van Marjoleine de Vos die De Botton verwijt een pleidooi te houden voor ‘indoctrinatie’ door kunst, op soortgelijke wijze als religies mensen ‘hersenspoelen’. Zij vindt het idee om kunst serieus te nemen sympathiek, maar de aanpak van De Botton niet in orde. Volgens haar is kunst ‘ongrijpbaar’ en kan niet direct troost bieden; zeker niet door de toevoeging van ‘tegeltjeswijsheden’.

Nu bevatten de teksten meer dan gemeenplaatsen; er is kennis van zowel de kunstgeschiedenis als therapie op de achtergrond aanwezig. Maar de combinatie valt wel ongelukkig uit. Bij de Dans om het Gouden Kalf van Lucas van Leyden (± 1530), waar je niet om de boodschap heen kan, wordt alleen vermeld dat sommige objecten in musea ons koud kunnen laten, terwijl een decoratief behangsel van Chris Lebeau (1911-1915) een ‘metafoor’ blijkt voor onder.aandere ’een goede relatie en een geweldig gesprek’. Je ziet de schrijver al piekeren: hoe omzeil ik dat Bijbelverhaal dat niemand meer kent en hoe moet ik een behangetje met morele waarden laden?

De Botton wil behalve therapie bieden ook ingesleten gewoonten omzeilen: belangloos genieten van kunst, autonomie van kunst (18de eeuw) en kunsthistorische nadruk op feiten, genres plus chronologie (19de eeuw). En dat kan hij in het Rijksmuseum inderdaad goed doen. Niet alleen zijn daar vele werken met moralistische boodschappen aanwezig, maar de inhoud van het museum is bij de herinrichting zodanig door elkaar gehusseld dat de kunsthistorische indeling nu onder spanning staat.

Er is niets op tegen om hardnekkige gewoonten flink op te schudden, maar wat bereikt De Botton eigenlijk met zijn tentoonstelling? Zorgt hij ervoor dat kunst toegankelijk en nuttig wordt voor iedereen of maakt hij kunst tot een soort verzoekprogramma? 'Bij liefdesverdriet hoort een liedje van Gordon. Bij problemen met alcoholisme is een liedje van de Zangeres Zonder Naam het geijkte medicijn'.

Marjoleine de Vos schrijft terecht dat kunstwerken niet direct troost kunnen bieden en dat je kennis nodig hebt om met kunst om te gaan. Dat komt echter niet doordat alle kunst ‘ongrijpbaar’ is, want dan is ook kennis overbodig. Kennis is nodig, omdat kunstwerken historisch zijn. De waarden die zij uitdragen zijn tijdgebonden en verschillen van de onze. Wij moeten dus historische kennis hebben om kunst te interpreteren en zo verder te komen dan tegeltjeswijsheden. Kennis overbrengen en bezitten wordt tegenwoordig echter als elitair ervaren; iedereen heeft immers toegang tot alles via het gevoel.

Maar dan begrijp ik iets toch niet goed: waarom zie ik alleen mannetjes op een veld rondrennen, als ik de regels van voetbal niet ken en kan ik wel zonder kennis van kunst naar het museum om mijn leven te laten verbeteren?

Katalin Herzog

Deze column is gepubliceerd in de KunstKrant, 18 jg. nr. 4, juli/aug. 2014

dinsdag 29 april 2014

SOCIAAL EXPERIMENT



Dit is precies waarop ik hoopte! Vanaf dit jaar werken kunstenaars uit vele disciplines in de Akademie van Kunsten samen om als ‘forum, stem en geweten’ de kunsten in Nederland te bevorderen. Iets dergelijks doen de leden van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) al sinds de 18de eeuw voor de wetenschappen. Waarom dan niet voor de kunsten, dachten Hans Clevers, president van de KNAW, en Jet Bussemaker, minister van OCW.

Eind april zijn de eerste negentien leden feestelijk geïnstalleerd. Nu mogen zij ‘dwarsverbanden gaan leggen tussen kunst, wetenschap en maatschappij’. De leden komen uit het brede veld van de kunsten en hebben alleen met elkaar gemeen dat zij beroemd zijn. Zij moeten ongevraagd advies geven aan de regering en ‘de band herstellen tussen kunst en wetenschap’.

De wetenschappers van de KNAW geloven dat dit zal lukken en ook Bussemaker meent dat het project kans van slagen heeft, omdat ‘kunsten en wetenschappen creativiteit, originaliteit en precisie met elkaar gemeen hebben’. De maatschappij kan deze eigenschappen goed gebruiken ‘om te overleven en om geld te verdienen’. Dergelijke akademies van kunsten en wetenschappen functioneren in het buitenland en zijn ook daar met de economie verbonden; dat moet dus ook in Nederland kunnen.

Dit is echter niet het hele verhaal. De akademies, voortkomend uit geleerde genootschappen, ontstonden in de 17de en 18de eeuw in maatschappijen, waarin strenge hiërarchie en eer algemeen geldend waren. In de huidige democratieën zijn hiervan nog sporen overgebleven, vooral in de wetenschappen die als nuttig voor de samenleving beschouwd worden. Daarom konden oude akademies, zoals de KNAW, blijven functioneren en ook succes hebben. Dit instituut heeft macht en belangrijke taken, zoals het adviseren van de regering en het besturen van onderzoeksinstituten, iets wat voor de Akademie van Kunsten niet is weggelegd.

In bijvoorbeeld Engeland, Frankrijk en Duitsland behoren sommige kunstenaars eveneens tot de akademies. Macht en invloed hebben zij ook daar niet, maar het lidmaatschap verleent wel prestige. En hoewel dit net als de Nederlandse, democratische maatschappijen zijn, gaan zij anders om met ongelijkheid dan men dat hier doet. Van oudsher hebben Nederlanders een egalitaire instelling, waarbij hiërarchieën verborgen blijven. Iedereen weet wie hoger staat in de pikorde, maar steek je echt boven het maaiveld uit, dan word je snel een kopje kleiner gemaakt. Bijzonder zijn is in Nederland een hachelijke zaak; je oogst er eerder hoon dan eer mee.

Langzamerhand echter dringen ook in Nederland andere waarden door, vooral als er economisch gewin en prestige in het spel zijn. Mede daarom zet de minister zich voor dit project in. Als PvdA-er die met neo-liberalen moet samenwerken, verbindt zij de credo’s ‘kunst is verheffend’ met ‘kunst is economisch nuttig’. Waarden als creativiteit, originaliteit en eer worden ongereflecteerd uit de kast gehaald om de al bestaande tendensen van economisering en verwetenschappelijking van de kunst institutioneel vast te leggen.

Merkwaardig is dat de negentien uitverkorenen, die het individualisme hoog in hun vaandel hebben, zich lijken te laten inpakken. Zij vinden het spannend om met wetenschappers samen te werken en voelen zich geëerd met zo’n prestigieuze positie. Zelfs de meest kritische onder hen heeft niet voor deze eer bedankt.

Met dit initiatief lopen er nu twee sociale experimenten in Nederland: Utopia van SBS6 en de AVK van OCW. Elke dag kunnen wij op de tv zien hoe de bewoners van Utopia over elkaar heen buitelen en behalve wat geld verdienen, niets utopisch tot stand brengen. Helaas zullen de leden van de Akademie geen zenders dragen en niet steeds gefilmd worden, zodat we het gekissebis niet zullen meemaken. Te voorzien is echter dat het hen niet heel anders zal vergaan dan de Utopianen. Met zoveel bijzondere en eigenzinnige individuen, zonder duidelijke taken en werkelijke invloed, is te vrezen dat deze Akademie van Kunsten, net als de eerste in de 19de eeuw, weinig voor elkaar zal krijgen en snel wegbezuinigd wordt.

Wat zullen Nederlanders dan het ergste vinden: dat de kunsten ook in het vervolg marginaal zullen blijven of dat de 700.000 euro, die aan dit experiment besteed wordt, in rook is opgegaan?

Katalin Herzog

Deze column werd gepubliceerd in de KunstKrant, 18de jg. nr. 3, mei/juni 2014, p. 7.


zaterdag 1 maart 2014

MODE IS DE NIEUWE KUNST



2013 was het jaar van Wim Pijbes. Niet alleen kreeg hij het Rijksmuseum weer aan de praat, maar hij maakte het ook tot een hedendaagse, spectaculaire publiekstrekker. Toch was het wonderlijk om hem in het tv programma Opium te horen zeggen dat zijn persoonlijk hoogtepunt betreffende het culturele aanbod van 2013, naast Anouk de tentoonstelling ‘Fashion World of Jean Paul Gaultier’ in de Rotterdamse Kunsthal was. Pijbes uitte bij deze gelegenheid de memorabele oneliner: ‘mode wordt de nieuwe kunst’. Mode en kunst komen, volgens hem, met elkaar overeen, doordat zij een tijdsbeeld tonen; ‘nu kruipen ze naar elkaar toe’. Is Pijbes met één been in de Kunsthal, waarvan hij eerder directeur was, blijven hangen of zien we nu ‘des Pudels Kern’, namelijk dat de directeur van het meest klassieke museum van Nederland meer van popsongs en mode dan van Rembrandt houdt?

Een dergelijke ‘moderne’ smaak is wel te verwachten van een echte kunstmanager. Diens persoonlijke voorkeuren doen er niet zoveel toe bij het leiden van een museum. Hij kan met alle ‘kunst’ overweg als het om fondswerving, organisatie en het lokken van een groot publiek gaat. En hierbij hoort ook het slordige idee dat mode de nieuwe kunst wordt of al is, omdat beide een tijdsbeeld tonen. Want welke cultuuruiting toont nu geen tijdsbeeld?

Om te zien wat zo’n oneliner inhoudt, kunnen we eerst naar de mode kijken. Binnen dit verzamelbegrip kan men onder andere kleding, straatmode, merkenfetisjisme, pret a porter en haut couture scharen. Hoewel tegenwoordig ook de sociologische en antropologische aspecten van kleding/mode in kunstmusea getoond worden, zijn het vooral de extravagante, ondraagbare ontwerpen van bijvoorbeeld Azzedine Alaïa of Martin Margiela die een gooi naar het etiket kunst doen. Gevestigde waarden van de hoge kunst vanaf de 18de eeuw, zoals het genie van de maker en de contemplatie van op zich nutteloze zaken door de beschouwer, worden hier door de mode geclaimd om diens status te verhogen. Maar eigenlijk past dit niet bij kleding/mode. Zij is van oudsher nuttig; zij moet het lichaam van de drager beschermen en diens identiteit en sociale status binnen de maatschappij vorm geven.

Pijbes gaat het om die ‘hoge’ mode die hij de nieuwe kunst noemt, ondanks dat de aan de kunst ontleende waarden ervan meer dan twee eeuwen oud zijn. Aan deze ‘onduidelijkheid’ is de ontwikkeling van de kunst mede schuldig. Sinds de intrede van het Postmodernisme, aan het einde van de 20ste eeuw, kan namelijk alles kunst worden, dus ook elementen van de straatmode en de hoge mode. Binnen de hedendaagse, westerse cultuur is er een sterke toenadering van het nutteloze en het nuttige en van verschillende uitingen als mode/design en kunst. Deze cultuur dreigt dan ook een soort hutspot te worden voor degenen die erin opgaan en geen moeite doen om over de karakters en functies van de verschillende vormen ervan te reflecteren. Voor wie dat wel doet, is er nog steeds onderscheid mogelijk. Mode is een belangrijk, maar blijvend aan het menselijk lichaam gebonden onderdeel van de cultuur. Kunst en mode kunnen elkaar naderen of zelfs van elkaar gebruik maken. Maar mode verkrijgt zo niet de potentie van kunst om zich tegelijk in en buiten de cultuur te bevinden. Daardoor kan kunst ons niet alleen een tijdsbeeld tonen - dat wat er is - maar ook echt nieuwe perspectieven bieden.

De uitspraak van Pijbes komt voort uit een gebrek aan onderscheidingsvermogen, waartoe onze cultuur maar al te gemakkelijk aanleiding geeft. Daarom wordt zo’n oneliner zonder morren geaccepteerd en kan zelfs voor ‘visionair’ worden aangezien. Maar van de directeur van het Rijksmuseum zou toch meer reflectie over en inzicht in de ontwikkelingen van de cultuur verwacht mogen worden.

KATALIN HERZOG

Deze column werd gepubliceerd in de KunstKrant, 18de jg. nr. 2, maart/april 2014, p. 9.

zaterdag 1 februari 2014

CIRKELGANG, in het oeuvre van Ton Mars



fig.1

Het atelier was volledig getransformeerd. In plaats van een werkruimte was het nu een ‘white cube’, overwoekerd door tondi.1 Bijna alle muren werden in beslag genomen door kleine, ronde werken, terwijl er ook grote, ronde schilderijen aan de muur hingen of er tegenaan leunden. (fig. 1) Eerder dan in een atelier, bevond ik mij nu in een combinatie van installatie en opslagplaats, waaruit nieuwe tentoonstellingen geboren kunnen worden. En dit stond ook daadwerkelijk te gebeuren, daar Ton Mars juist op dat moment voorbereidingen trof voor zijn expositie Tondi die op 2 oktober 2013 bij Daniela & Cora Hölzl Kunstprojekte in Düsseldorf zou openen.

Zoveel tondi van dezelfde kunstenaar had ik nog nooit bij elkaar gezien.2 De kleine waren overwegend donker van kleur en bedekten in een strenge slagorde de muren. Alle waren ‘beschreven’ met witte tekens en leken daardoor op elkaar, maar een inhoudelijk verband tussen al die ronde vormen kon ik aanvankelijk niet ontdekken. De grote tondi hadden primaire kleuren of wit en zwart en vormden twee groepen. De stemming van de eerste groep met onder andere rode, gele en blauwe kleuren was feestelijker en aardser dan die van de tweede groep die met twee verschillende blauwen, één wit en één zwart paneel, een koele, wat afstandelijke wereld toonde.3 De visuele indrukken ervoer ik als opwekkend en ik voelde ook dat ik door moest denken, maar deze ontwikkeling in het oeuvre van Ton Mars was voor mij zo nieuw, dat ik er weinig greep op had.

fig. 2

Toch was de kunstenaar niet pas in 2013 met tondi begonnen. De allereerste ronde compositie had hij al in 2003 gemaakt in de vorm van Fenster, een rond raam in het huis van Thomas en Isolde von Wikullil te Düsseldorf. (fig. 2) Op het wit geschilderd glas van het raam was een teken uitgespaard dat mee lijkt te tollen met de ronde vorm en zo nooit tot rust komt.4 Anders was het gesteld met de rode en blauwe tondi in de installatie Stazione II (2008). Deze gaven het vertrek- en eindpunt aan van twee lange composities die als ‘treinen’ functioneerden binnen het 50 meter lange paviljoen Field Institute op het terrein van Museum Insel Hombroich. (fig. 3) De witte tekens in de rode en blauwe tondi vormden als het ware horizontale lettergrepen en stabiliseerden zo de ronde vorm.5 Aan dit ordeningsprincipe hield de kunstenaar eveneens vast bij Stazione IV (2010) in Düsseldorf, waar op de muren hemelsblauwe tondi een groot, roestkleurig blok in het midden van de tentoonstellingsruimte vergezelden.6 (fig. 4)

fig. 3

fig. 4

Deze eerste tondi maakten deel uit van de architectuur of van installaties, waarin Ton Mars zijn eerdere schilderkunstige en sculpturale ruimtes met begaanbare ruimtes combineerde. Hun functie was om de aandacht van beschouwers op de structuur van de installaties te richten. Ondertussen was de kunstenaar al in 2008, terwijl hij ‘artist in residence’ was op Insel Hombroich, aan het project Radical Expansions begonnen, waarvan de resultaten nu de atelierwanden in beslag namen. In zijn eerdere werk ‘reisde’ Ton Mars de wereld rond om zijn tekentaal met geografische, psychologische en culturele aspecten van de werkelijkheid te verbinden en in zijn werk zo een eigen wereld te bouwen.7 Van dit macroniveau wendde hij zich in Radical Expansions naar het microniveau van de fysische, chemische en biologische processen in de natuur. De ronde vorm associeerde hij nu met de levende cel die alle genetische informatie, het DNA, van een organisme, bevat.8 Zo ontstonden ‘tekencellen’, waarbinnen de belangrijkste, tot mogelijke betekenissen leidende elementen, de tekens, via opzettelijke mutaties veranderd konden worden. Het nieuwe project was formeel al anders dan het eerdere werk, maar bracht ook een fase van bezinning met zich mee. Bij de Staziones had de kunstenaar de driedimensionaliteit en de matte oppervlakte van zijn eerdere schilderij-objecten verlaten voor vlakke, spiegelende panelen in betreedbare installaties. Nu had hij ook de culturele gerichtheid van zijn werk (tijdelijk) ingeruild voor een biologische inspiratie.

Bijna alles leek te zijn veranderd, alleen de tekens bleven stevig overeind. Kennelijk vormden zij de grond van het oeuvre - de ‘akker’ waarop alles groeide - en dit moest opnieuw bevestigd te worden, voordat hij door kon gaan met zijn werk. Maar hoe moest deze basis binnen de tondi functioneren? Nu heeft werk van Ton Mars altijd al spelregels gekend, maar voor Radical Expansions ontwierp hij een nieuw, nog strenger algoritme. Eerst stelde hij een ‘teken-substraat’ op uit alle belangrijke, eerder gebruikte tekens. Zo ontstonden er ‘stamtekens’ die tot vele ‘stamgroepen’ met verschillende generaties ontwikkeld kunnen worden. Tot de spelregels behoort dat de tekens binnen een kleine tondo (ø 19 cm.) in een rechthoek passen en wel zo dat er boven en onder ruimte overblijft en dat de tekens zich in horizontale richting kunnen verdubbelen. Via ontleding van de stamtekens kan de kunstenaar nu systematische mutaties tot stand brengen, waarbij elke volgende tekencombinatie iets van het karakter van het oorspronkelijke teken dient te bewaren. Als alle mogelijke mutaties binnen een stamgroep gerealiseerd zijn, zal er een breed uitgesponnen en complete ‘biologische evolutie’ zichtbaar worden.9

Aangezien de tekens van Ton Mars altijd uit rechte lijnen en delen van cirkels zijn samengesteld, volgen de cirkelsegmenten de ronding van de tondo en gaan de rechte lijnen er juist tegenin. Tegelijk echter accorderen de rechte lijnen van de tekens en de horizontale gerichtheid van de tekencombinaties met de horizontale delen van het omgeschreven vierkant dat door de lijst van elke kleine tondo wordt gevormd. De kleuren van een stamgroep hebben te maken met de fysische en biologische associaties die bij Radical Expansions horen, daar de kunstenaar donkere kleuren, waaronder grijs/zwart, donker rood, donker blauw en donker groen zowel verbindt met de chaos, waaruit na de Big Bang het heelal zich vormde, als met de aarde, waarop het leven zich ontwikkelt. Het werken aan de stamgroepen is nog steeds gaande en naarmate de mutaties groeien en rijpen, wordt ook de kleur van de tondi helderder, zodat het contrast tussen ondergrond en tekens gaandeweg vermindert. (fig. 5)

fig. 5

Een dergelijke werkwijze lijkt op de strenge systematiek van natuurwetenschappelijk onderzoek, maar het project Radical Expansions is hier ver van verwijderd. Het algoritme garandeert vooral dat het werk onder alle omstandigheden voortgezet kan worden. Hoewel Ton Mars naar systematiek verlangt en naar perfectie streeft, is zijn werk niet wetenschappelijk of mechanisch van aard en komt het ook niet overeen met een cerebraal soort Concept Art.10 Zijn werkmethode is duidelijk, maar blijft verbonden met het handwerk en gaat uit van spontane ingevingen. Om van de flow van het maken te kunnen genieten, wisselt Ton Mars periodes van nauwgezette planning af met pure concentratie op het werk. Binnen deze zelf gestelde kaders organiseert hij zijn tijd zo praktisch mogelijk, wat nodig is omdat hij naast zijn kunstenaarschap ook leraar is en in 2009 aan een studie filosofie is begonnen. Het maken van het werk moet dus met deze andere, tijdrovende bezigheden interfereren. Als er weinig tijd beschikbaar is, maakt hij een eenvoudige tondo en bij meer tijd kan hij aan een ingewikkelde compositie werken. In kleine tekeningen houdt hij bij wat al af is, om zich niet te herhalen. Zo wordt het mogelijk om een dergelijke Sisyfusarbeid toch speels en bijna ongemerkt te volbrengen.

Behalve dat het een voorwaarde voor het doorwerken inhoudt, biedt het project Radical Expansions ook een inhoudelijke basis voor verdere vernieuwingen in dit oeuvre. De tekens zijn ooit uit letters voortgekomen en hebben hun verband met taal en tekst altijd behouden, zodat het ‘tekensubstraat’ tot nieuwe, poëtische associaties kan leiden. Bovendien heeft de tondo binnen de kunstgeschiedenis sacrale connotaties, waarop verder doorgedacht kan worden. Terwijl Ton Mars aan Radical Expansions bleef werken, pakte hij in 2013 dan ook de beloften van dit project op en verwerkte ze samen met eerder ontstane, nieuwe tekencombinaties.

fig. 6

In 2011 had hij al veertien tekeningen met de titel Die Welle und das Wasser aan het gedichtenbundel Nachlässiger Nachlass van Claus A. Froh toegevoegd.11 (fig. 6) Deze serie toont tekencombinaties met aanvullingen die op diakritische tekens lijken. In de geschreven taal garanderen zulke tekens de juiste uitspraak van een woord, maar bij Ton Mars gaat het nooit om echte letters en woorden; zijn werk biedt slechts een illusie van leesbaarheid. Toch modificeren ook zijn ‘diakritische tekens’ de woordachtige tekencombinaties, omdat hun aanvankelijke horizontale gerichtheid zo een verticale neiging krijgt. Een dergelijke ontdekking vraagt om verdere uitwerking, hetgeen in 2013 binnen het project From Name to Name gebeurde. Zulke ideeën komen in het oeuvre van Ton Mars altijd intuitief tot stand; hij gehoorzaamt aan impulsen die tot kleine schetsen leiden. Vervolgens moet zo’n schets in een meer permanente vorm gegoten worden om te zien of de tekencombinaties in de eerste instantie visueel kloppen, waarna er inhoudelijke associaties volgen. Een combinatie van stamtekens, voorzien van ‘diakritisch tekens’, werd daarom in kleine tondi ingeschreven die in een horizontale regel, een ‘woord’ of beter gezegd een ‘naam’ vormden. Al gauw begon de kunstenaar eraan te twijfelen of zo’n naam wel juist ‘geschreven’ was, dat wil zeggen of de reeks tondi ‘typografisch’ het beste beeld opleverden.12 Daarom maakte hij ‘verbeterde’ versies van de afzonderlijke tondi die hij om en om onder en boven de aanvankelijke ‘letters van de naam’ plaatste. (fig. 7) En dit bracht een aantal, in dit oeuvre nog niet eerder gebruikte, formele en inhoudelijke vernieuwingen met zich mee.

fig. 7

Terwijl alle eerdere werken van Ton Mars als een horizontale regel ‘gelezen’ kunnen worden, ontstond nu een meervoudige kruiscompositie met één horizontale en op en neergaande verticale richtingen. Zo’n Name kan nog steeds horizontaal gelezen worden en de verbeterde, verticaal gerichte tondi blijken duidelijk uit de beginregel afkomstig te zijn. Maar hun tekens zijn of eenvoudiger of gecompliceerder geworden, zoals dat bij de verbetering van een tekst gaat, als men aan een bepaalde uitspraak of formulering gaat twijfelen. Twijfel aan de aard van dingen en de juistheid van uitspraken is in de filosofie de basis van kritisch denken en jaagt ook processen binnen wetenschap en kunst aan. Toch verdwijnen vaak de sporen van deze processen, als bij het voltooien van een product of theorie de twijfel op de achtergrond raakt.13 Mede geïnspireerd door de filosofie heeft de kunstenaar in Names de twijfel echter juist uitgebuit. Openlijk toont hij de ambivalenties die bij een werk horen en die voor beschouwers de maak- en denkprocessen van kunst beter zichtbaar en navoelbaar maken. Dan ervaart men dat een eerst zo perfect lijkend product altijd nog verbeterd, in een constellatie van mogelijkheden ingeschreven kan worden, dus dat creativiteit oneindig doorgaat.

Net als elke vernieuwing binnen dit oeuvre, brachten ook The Names verdere inhoudelijke associaties met zich mee. Voor Ton Mars zijn namen interessant, vanwege hun toepassingen en mogelijke betekenissen. Hoewel wij weten dat een naam van een ding of een mens meestal niets betekent, verbinden wij er altijd betekenissen en zelfs essenties aan. Wij hebben namelijk de neiging om te denken dat namen en dingen onverbrekelijk bij elkaar horen, hoewel namen meestal via arbitraire associaties en gewenning aan dingen gekoppeld worden. En zoiets gebeurt ook met de namen van mensen. In westerse landen worden kinderen nog vaak naar heiligen en/of familieleden vernoemd, maar men bedenkt ook steeds nieuwe variaties of geheel nieuwe namen.14 Op den duur gaat de eigennaam van een individu door gewenning met zijn uiterlijk en karakter samenvallen, zodat het idee ontstaat dat iemands naam iets essentieels over hem of haar zegt. Hoe oud dit idee is, blijkt als we in de Bijbel lezen dat Adam in het Paradijs elk levend wezen een naam gaf en zo zijn ‘bestaan’ c.q. essentie bevestigde.15 Bij The Names van Ton Mars zien we zowel de essentiële als de arbitraire opvatting van de naamgeving. De aanvankelijke, horizontale composities lijken iets essentieels te tonen, terwijl de verticale verbeteringen laten zien dat het geven van namen niet van oorzakelijkheid afhangt. Na het maken van de eerste twee Names zag de kunstenaar dat hun begintekens visueel zo sterk waren dat zij ook als afzonderlijke initialen konden functioneren. Hieruit kwamen grote tondi (ø 95 cm.) voort, in de kleuren rood, groen, zwart, geel, blauw en taupe, die elk bij een Name horen. (fig. 8) Deze Initials herhalen de ‘eerste letter’ van een Name, maar hebben enigszins andere kleuren, omdat de kleine tondi met matte acrylverf op aquarelpapier geschilderd zijn, terwijl de grote tondi hun kleuren verkrijgen door hoogglanslak op plexiglas aan te brengen. Vanwege hun isolatie bieden Initials, nog meer dan Names, het idee dat het hier om iets essentieels gaat, waarbij de kleuren en de diakritische tekens het individuele van elk afzonderlijk Initial bevestigen. En dit komt overeen met het gebruik van initialen als monogram of paraaf van een persoon, waarbij het feit dat de tekentaal van de kunstenaar ooit met TM, de initialen van zijn naam verbonden was, extra betekenis aan dit nieuwe project toevoegt.16

fig. 8

Ton Mars heeft echter ook andere associaties met de Initials. Beginletters werden in de Middeleeuwse boekverluchting op een bijzondere wijze behandeld. Heilige boeken, zoals de Bijbel, evangeliaria en getijdenboeken werden met scènes uit de Heilige Schrift of heiligenlevens geïllustreerd en ze werden voorzien van vergrote en versierde initialen. Deze benadrukten de plechtige opening van deze teksten en zetten luister bij het heilige karakter van de boeken. ‘Gehistoriseerde initialen’ combineerden een letter met een miniatuur en functioneerden zo als beeldende inhoudsopgaven van de erop volgende teksten. Een enkele keer kon een initiaal zo groot worden dat het van de tekst loskwam en een hele pagina voor zichzelf opeiste.17 Ton Mars die van dergelijke boeken, zoals de Book of Kells (9de eeuw), op de hoogte is, past de isolatie van beginletters in tentoonstellingen toe, als hij The Initials los van The Names presenteert, opdat beschouwers naar hun connectie kunnen zoeken.

Dit aanhaken bij de oude, verluchte teksten betekent niet dat de kunstenaar zijn ‘beginletters’ strikt met de initialen uit de Middeleeuwse boeken verbindt. Hoewel zijn tekentaal enigszins aan hiërogliefen (heilige tekens) doet denken, heeft hij nadrukkelijk geen heilige, maar een eigen ‘mensentaal’ ontworpen.18 Wel maakt hij bij de Initials dankbaar gebruik van de kunstgeschiedenis om zijn werk verder te brengen. En op soortgelijke wijze zet hij ook de vorm van de tondo in binnen zijn oeuvre. Hoewel zijn aandacht op deze vorm gevestigd werd door de opdracht voor een bestaand, rond raam, waarna hij de tondo meerdere functies gaf in zijn installaties, wordt Ton Mars nu ook door de sacrale connotaties van tondi geïnspireerd.

Ronde vormen die een voorstelling bevatten, komen vanaf de Griekse en Romeinse oudheid voor bij munten, zegels en portretten. In de Byzantijnse tijd en in de Middeleeuwen werd dit gebruik voortgezet, waarbij tondi vooral beeltenissen van Christus of de heiligen bevatten en ter opluistering van kerken en religieuze voorwerpen dienden. De perfecte ronde, eeuwig ronddraaiende vorm is uitermate geschikt om er het volmaakte, het hemelse mee aan te duiden, wat ook te zien is in de koepels die Christelijke kerken aan Romeinse gebouwen ontleenden. Soms hebben de koepels van kerken, zoals de Heilige Grafkerk in Jeruzalem, een oculus, een ronde opening die als hemelvenster functioneert.19 Tijdens de Italiaanse Renaissance groeide de tondo uit tot een losstaand, vrij groot schilderij, vaak met voorstellingen van Maria en het kind Jezus of de hele Heilige Familie. Zo’n tondo had de functie om de hulp van de Madonna in te roepen, bijvoorbeeld ter vervulling van een kinderwens of bij ziekte van jonge kinderen. Daarnaast bood de Heilige Familie het ideale voorbeeld voor de gewenste relaties binnen aardse families. Daarom hingen dergelijke tondi niet in kerken, maar in de privéhuizen van de rijken, soms boven het echtelijke bed.20

Nu is een tondo niet de gemakkelijkste vorm om er een compositie in te realiseren. Kunstenaars uit de 15de eeuw worstelden met dit probleem en ontwikkelden er verschillende oplossingen voor. Op den duur ontstonden steeds betere composities, zoals bij de Doni Tondo (± 1506) van Michelangelo die Ton Mars in Florence gezien heeft.21 (fig. 9) Hij merkte op dat de Heilige Familie hier in een rechthoek binnen de ronde vorm geplaatst is. Achter hen is een horizontale band, waarboven rechts de jonge Johannes de Doper verschijnt, terwijl het volgende plan voorzien is van een fries van naakte jongelingen die op een rotsachtige muur zitten of er tegenaan leunen. Deze bijzondere ordening zette de kunstenaar aan het denken over de composities van zijn eigen tondi.

fig. 9

De kruisvormige opbouw van de Doni Tondo is een echo van 15de eeuwse tondi, waar achter de Madonna zich een landschap of een interieur bevindt. Maar de compositie van Michelangelo’s’ werk is meer doordacht dan die van eerdere tondi en dit heeft ook met de iconografie van dit schilderij te maken. Maria, die hier moeder aarde vertegenwoordigt, zit op de grond en neemt het kind, dat zich in een positie tussen hemel en aarde bevindt, van de Heilige Jozef over. Johannes de Doper, die Jezus later zal dopen, kijkt naar hem op, terwijl de jongelingen waarschijnlijk naar ongedoopt gestorven kinderen verwijzen. Men geloofde namelijk dat deze kinderen niet naar de hel zouden gaan, maar in limbo (een grensgebied tussen hemel en hel) een eeuwig, jeugdig bestaan zouden leiden. De Doni Tondo kan dus ter vertroosting van de familie Doni hebben gediend die een aantal ongedoopte kinderen had verloren. Met behulp van dit schilderij konden zij zich tot de hemelse familie richten om bescherming af te smeken voor zowel hun ongedoopte als gedoopte kinderen.22

Net zoals bij de verluchte boeken heeft Ton Mars de iconografie van de Doni Tondo niet bestudeerd, voordat hij aan het werk ging. Hij wordt door de formele oplossingen van dergelijke historische werken geïnspireerd en vermoedt betekenissen die ‘materiaal’ en ruimte bieden voor de reflectie over zijn eigen werk. Vanuit het besef van de aardse en hemelse connotaties van tondi, ontwikkelde de kunstenaar in 2013 het begin van een volgende reeks, namelijk Celestial Speech die vier grote tondi (ø 90 cm.) omvat: twee blauwe (een iets warmere en een iets koudere tint), één zwarte en één witte. (fig. 10) Hierbij recyclet hij aspecten van een vroeger werk op papier en een eerder project. De eerste is The Return (to Blinky Palermo) (2008), waaraan de kunstenaar de tekens van Celestial Speech heeft ontleend. (fig. 11) De tweede is het begin van het Ab Uno/Ad Unum (Eurasia) project (vanaf 1994) die kleine tweeluiken van zwarte en witte ‘panelen’ met contrasterende tekens bevat; zij kunnen onder andere met goed en kwaad, licht en donker en dag en nacht geassocieerd worden.23 (fig. 12) Net als bij Ab Uno/Ad Unum, (Eurasia) zijn in Celestial Speech de tekens in de witte en zwarte tondi tegengesteld aan hun ondergrond, maar ze blijven wit in de blauwe tondi, zoals bij The Return (to Binky Palermo). Het hemelvenster dat gedurende de verschillende tijden van de dag een ander licht vangt, wordt hier verbonden met de taligheid van de variërende tekens en met de heldere glans van de tondi.

fig. 10

fig. 11

fig. 12

Het eerdere werk van Ton Mars had nadrukkelijk een mat oppervlak. Pas in 2007 gebruikte hij voor het eerst hoogglanslak voor de panelen van de installatie Stazione I (2007).24 (fig. 13) Dit heeft vooral te maken met de overgang van driedimensionale werken naar tweedimensionale panelen. Bij de eerdere werken ontstond er een ambivalentie door de combinatie van de vlakke, op schilderijen lijkende voorkanten en de (bijna verborgen) volume van de objecten. Waren dit nu schilderijen of sculpturen en hoe moesten ze bekeken worden? In de tweedimensionale panelen van Stazione I - en van de daaropvolgende glanzende werken - werd de ambivalentie behouden, maar elders gesitueerd. De glans dematerialiseert het werk dat eerder zijn omgeving reflecteert dan zijn eigen materialiteit toont. Om te zien wat er op zo’n aantrekkelijk, spiegelend oppervlak is aangebracht, helpt het niet om dichterbij te komen. Daarvoor moet de beschouwer een stap opzij doen om van het werk, inclusief zijn eigen spiegelbeeld, afstand te nemen. En weer weet hij niet precies hoe hij zich tot zo’n werk moet verhouden. Moet hij er op of er langs kijken? Gaat het om de ervaring van de letterlijke reflectie van de panelen of om de geestelijke reflectie over de mogelijke betekenis van de tekencombinaties?

fig. 13

De twijfel die in The Names zo duidelijk werd gethematiseerd, is door de verschillende soorten ambivalenties in al het werk van Ton Mars aanwezig. Steeds vragen de werken tegelijk om nabijheid en afstand en bieden zij zowel zinnelijke, esthetische ervaring als vragen zij om geestelijke activiteit, een oscillatie die bij Celestial Speech tot een voorlopig hoogtepunt komt. Alles in dit werk draagt namelijk bij om de dubbele, alledaagse en verheven connotaties op het spoor te komen: de activiteiten bij het kijken naar de glanzende tondi, de kleuren van de aarde en de hemel, de tekens met de horizontale rij van schuine lijnen die stabiel zijn en de kwart-cirkelvormige lijnen die daar boven uit stijgen. Terugdenkend aan de Doni Tondo valt op dat de schuine lijnen van Celestial Speech aan de fries met jongelingen achter de Heilige Familie doen denken en dat de stijgende kwart cirkels het gebaar spiegelen, waarmee Maria vanaf de grond naar het kind Jezus reikt. Nu kan een dergelijk echo bij Ton Mars nooit als een letterlijk citaat gezien worden. Wel heeft hij intuitief de aardse en bovenaardse betekenissen van de Doni Tondo opgepikt, omdat deze ook in zijn werk zo’n grote rol spelen.25

Ook al bieden de hier beschreven tondi nieuwe perspectieven, zijn het niet alleen de tekens die ze met de rest van het oeuvre verbinden. De kunstenaar blijft doorgaan op de eerder ingeslagen weg, waarbij hij de moderne kunst, vooral in haar abstracte en concrete gedaanten, verder ontwikkelt en zowel in formeel als in inhoudelijk opzicht verrijkt.26 Hiervoor put hij inspiratie uit vele bronnen: de dagelijkse werkelijkheid, maar ook de taalkunde, de biologie, de kunstgeschiedenis en de filosofie. Hoewel Ton Mars altijd al belangstelling had voor filosofie, heeft zijn studie hem geholpen om meer samenhang te zien in de voor hem eerder gefragmenteerde filosofische ideeën. Een filosofische manier van denken kan hij nu makkelijker met de artistieke uitgangspunten van zijn werk verbinden. Bovendien biedt de metafysica de thuisbasis voor zijn immer aanwezig verlangen naar transcendentie. Voorbeelden van hoe men in de geschiedenis met het transcendente is omgegaan, vindt hij in de vroegere religieuze kunst en hij verbindt dit met het door Immanuel Kant geformuleerde gebied van het ‘noumenale’. Hier kan het alledaagse denken niet bijkomen, maar er ontspringen wel ‘regulatieve ideeën’ aan die het denken aanwakkeren en verder kunnen brengen.27 Want hoewel Ton Mars beseft dat we niet zonder het alledaagse kunnen, wil hij hierboven uitreiken naar vermoede, maar nog onbekende mogelijkheden van de werkelijkheid, waarvan hij aspecten in zijn werk hoopt en tracht te realiseren.

In het oeuvre van Ton Mars zijn leven en kunst dan ook sterk met elkaar verbonden; zij vallen niet met elkaar samen, maar vullen elkaar aan.28 Het dagelijkse leven krijgt extra impulsen door het lesgeven en het studeren en de disciplinaire maatregelen zorgen ervoor dat er steeds doorgewerkt kan worden. De motor van deze combinatie van leven en kunst is echter het sterke verlangen naar transcendentie dat het denken van de kunstenaar aanjaagt en hem op zoek laat gaan naar steeds nieuwe bronnen van kennis en inzicht. Bij elke ontwikkeling in zijn oeuvre voltrekt Ton Mars een cirkelgang, waarbinnen hij de basis van zijn werk bevestigt, maar ook modificeert door de opname en verwerking van nieuw inspiratie-materiaal. Zo kan hij beschouwers de gelegenheid blijven bieden om via zijn werk iets van het ons steeds ontglippende, transcendente gewaar te worden.

KATALIN HERZOG, januari 2014


Noten:

1. Op 27 september 2013 bezocht ik het atelier van Ton Mars. Hierbij voerden wij een gesprek dat de basis is van dit artikel. De interpretaties van de verschillende werken komen voort uit een gezamenlijke inspanning.
2. De tondo, in het Italiaans ‘ronde vorm’, werd vanaf de oudheid vaak toegepast voor portretten. Vooral in de Florentijnse Renaissance waren er kunstenaars die deze vorm veel gebruikten, zoals S. Botticelli (± 1445-1510) die geschilderde en de Della Robbia’s (15de en 16de eeuw) die sculpturale tondi maakten. Bij mijn weten zijn er eerder geen kunstenaars geweest die (gedurende hun hele leven of een periode ervan) uitsluitend tondi maakten.
3. De kleine tondi hebben een doorsnede van 19 cm. Ze zijn geschilderd op een vierkant vel aquarelpapier. Vervolgens zijn ze ingelijst, zodat zij met de lijst 31 x 31 cm. meten. De tondi zijn zo op de muur aangebracht dat er 1 cm. tussen de lijsten overblijft. De eerste groep grote tondi omvat The Initials (2013), nu zes tondi in rood, geel, blauw, groen, zwart en taupe. Ze zijn met hoogglanslak op plexiglas geschilderd en hebben een doorsnede van 95 cm. De tweede groep grote tondi omvat Celestial Speech (2013), een werk bestaande uit vier tondi in twee tinten blauw, zwart en wit. Ze zijn eveneens met hoogglanslak op plexiglas geschilderd en hebben een doorsnede van 90 cm. Ze worden met een tussenruimte van 30 cm. opgehangen.
4. Een beschrijving van Fenster uit 2003 is te vinden in het artikel K. Herzog, ‘De Derde Halte: Hemelsblauw’, 2009.  
5. Stazione II uit 2008, te Neuss werd eveneens in bovenstaand artikel beschreven. De blauwe en rode tondi uit deze installatie bevinden zich nu in de Staatliche Kunstsammlungen, Galerie Neue Meister, te Dresden.
6. De beschrijving van Stazione IV (Ort der Schrift) uit 2010, te Düsseldorf is te vinden in K. Herzog, ‘The Making of Stazione IV (Ort der Schrift)’, 2010. Zie weblog van Katalin Herzog, http://Kunstzaken.blogspot.com
7. De metaforische reis van Ton Mars over de wereld is onder andere beschreven in K. Herzog, ‘Wege ins Zentrum’. Zie Ton Mars, Echos & Boundaries, Düsseldorf, Amsterdam 1994, pp. 11-21.
8. Bijna alle termen die de kunstenaar in verband met Radical Expansions gebruikt, stammen uit de celbiologie. Zo verwijzen ‘tekencellen’ naar de cellen van organismen en ‘stamtekens’ naar stamcellen.
9. Het is kenmerkend voor het oeuvre van Ton Mars dat daarin verschillende projecten parallel aan elkaar verlopen. Radical Expansions werd in 2009 begonnen en is in 2014 nog lang niet voltooid. De ‘opbrengsten’ ervan hebben de kunstenaar echter al geïnspireerd tot nieuwe projecten, zoals From Name to Name dat ook nog niet voltooid is.
10. Tot de soort Concept Art die Ton Mars bewondert, maar die niet op zijn weg ligt, behoort het werk van Hanne Darboven (1941-2009). Zij documenteerde haar levensloop in reeksen cijfers en berekeningen die gebaseerd zijn op de notatie van dag, maand, jaar van de Gregoriaanse kalender.
11. Zie C. A. Froh, Nachlässiger Nachlass, Gedichte, Filderstadt, Edition Domberger 2011.
12. Het beeld is primair binnen het oeuvre van Ton Mars en wel in twee opzichten. Elk werk begint met kleine schetsen die visueel moeten kloppen en in tentoonstellingen moeten de beschouwers eerst door de beelden aangetrokken worden, om hen zo tot denken uit te nodigen.
13. In de filosofie is de twijfel als methode toegepast door R. Descartes (1596-1650) om tot onbetwijfelbare kennis te komen. Na een sessie van radicale twijfel aan alles, kon hij slechts aan twee zaken niet twijfelen: dat hij bestond, omdat hij dacht (cogito ergo sum) en dat God bestond. Het proces van twijfel en het oplossen ervan, wordt in de kunst vaak getoond, maar in de wetenschap vaak uit het resultaat van het onderzoek geweerd.
14. Traditionele namen voor kinderen in Europa hebben tegenwoordig plaats gemaakt voor afkortingen, samentrekkingen of Amerikaanse namen die plaatsen (Dakota), beroepen (Taylor) of substanties (Amber) aanduiden. Kinderen worden ook wel naar beroemdheden (Chanel) vernoemd. Hier is het arbitraire van de naamgeving goed te zien, maar dergelijke namen vervullen wel sociale functies.
15. Zie ‘Genesis’ 2, 18-21, Bijbel, De Nederlandse Bijbelgenootschap 1954. Zie ook D. Kaufmann, ‘Adorno and the Name of God’, http://webdelsol.com/FLASHPOINT/adorno.htm.
16. Al sinds 1983 is Ton Mars bezig om een tekentaal te ontwikkelen uit aan meubels ontleende vormen. In de structuur van een stoel zag hij de letters TM, zijn initiaal, opdoemen. In 1987 verkregen de tekens hun huidige vorm van een soort letters.
17. Zie H. Brandhorst, ‘Initiaal’, http://collecties.meermanno.nl/handschriften/initiaal. Toen Ton Mars met The Initials begon, heeft hij naar reproducties van pagina’s van de Book of Kells gekeken. Op zijn reizen heeft hij in musea ook verluchte manuscripten gezien.
18. De tekens van Ton Mars ontstonden naar analogie van het westerse alfabet. Zij hebben alleen iets weg van hiërogliefen, omdat zij onleesbaar zijn, waarvoor men ook de Egyptische hiërogliefen hield, voordat J. F. Champollion ze in 1824 ontcijferde.
19. Binnen de Romeinse architectuur hadden zowel badhuizen als tempels koepels. In badhuizen diende de opening in de koepel ervoor om stoom te laten ontsnappen. Een voorbeeld van een tempel met een koepel is het Pantheon te Rome (oorspronkelijk 27 voor Chr.). Deze koepel bevat een oculus (oog), waardoor zon en regen het gebouw binnen kunnen treden. De koepel van de Heilige Grafkerk te Jeruzalem (1149) heeft een oculus, omgeven door een reliëf van zonnestralen, die naar Christus als het licht van de wereld verwijst. Naar verluidt, is deze kerk op de plaats gebouwd waar Christus gekruisigd en bijgezet werd.
20. R. J. M. Olson, ‘Lost and Partially Found: The Tondo, a Significant Florentine Art Form, in the Documents of the Renaissance'. Zie Artibus et Historiae, Vol. 14, No. 27, 1993, pp. 31-65.
21. Het paneel van de Doni Tondo (±1506) heeft een diameter van 120 cm. De originele lijst heeft een diameter van 172 cm. Het werk bevindt zich in de Galleria degli Uffizi, te Florence.
22. C. Franceschini, ‘The Nudes in Limbo: Michelangelo’s Doni Tondo Reconsidered'. Zie Journal of the Warburg and Courtauld Institutes, LXXIII, 2010, pp. 137-180.
23. Het begin van het Ab Uno/Ad Unum project is beschreven in K. Herzog, ‘De twee die een genoemd is’. Zie Ton Mars & Katalin Herzog, Ab Uno/Ad Unum, Groningen 1998, pp. 19-29. Het tweeluik NEUNG (Thai-language) (2002) dat hier als voorbeeld dient voor een deel van dit project, namelijk Eurasia, meet 32 x 24 x 10 cm. per paneel en bevindt zich in de collectie van de Staatliche Kunstsammlungen, Galerie Neue Meister, te Dresden. Het vierdelige werk The Return (to Blinky Palermo) (2008), waarvan elk deel (inclusief lijst) 31 x 31 cm. meet, bevindt zich in dezelfde collectie.
24. De installatie Stazione I werd in 2007 in Galerie Cora Hölzl, te Düsseldorf gerealiseerd. Een beschrijving hiervan is te vinden in het artikel K. Herzog, ‘De Derde Halte: Hemelsblauw’, 2009.  
25. Dat het hier niet om een letterlijk citaat gaat, wordt versterkt door het feit dat de tekens in Celestial Speech van The Return (to Blinky Palermo) afkomstig zijn. Toch is het niet de eerste keer dat Ton Mars een dergelijke intuïtieve connectie met kunstwerken uit het verleden heeft. Dit is beschreven in K. Herzog, ‘Voor Dansers, een interpretatie van de triptiek Winner, Saviour, Loser van Ton Mars’ (1994). Zie Feit & Fictie, Jg. III, nr. 3, 1997, pp. 67-82.
26. Ton Mars heeft zich altijd met de abstracte kunst verbonden gevoeld, maar hij heeft het daaruit voortvloeiende formalisme en materialisme nooit aanvaard. De abstracte kunst wilde hij verder ontwikkelen, vanaf het punt waar Piet Mondriaan (1872-1944) is opgehouden. Net als Mondriaan combineert hij de abstracte beeldtaal met symboliek, maar stelt zich ook open voor andere ontwikkelingen in de hedendaagse kunst.
27. In zijn boek Kritik der reinen Vernunft (1781) formuleerde I. Kant (1724-1804) twee gebieden van kennis, het ‘fenomenale’ en het ‘noumenale’. Tot het eerste, het gebied van de verschijningen, hebben mensen toegang via hun zintuigen, waarvan de gegevens door categorieën van het verstand, zoals tijd en ruimte, bewerkt moeten worden. Tot het tweede, het transcendente gebied (geen term van Kant) hebben waarneming en verstand geen toegang, maar het kan via de rede en het geloof wel bereikt worden. Hieruit komen de ‘regulatieve ideeën’ voort die onder andere abstracties aanduiden, waardoor zij kennis kunnen samenvatten en het denken verder kunnen brengen.
28. Leven en kunst laten samenvallen was een belangrijk doel van de vroege avant-garde. Hierbij wilden zij de kunst niet met het leven samensmelten, maar het leven opnieuw inrichten naar voorbeeld van de kunst. Zie P. Bürger, Theorie der Avantgarde, Frankfurt am Main, Suhrkamp 1974. Net als de avant-garde kunstenaars ziet Ton Mars kunst als een utopische wereld, een tegenhanger van de alledaagse werkelijkheid. Hij is er echter bewust van dat in onze tijd, waarin dergelijke hooggestemde idealen problematisch zijn geworden, het leven niet naar voorbeeld van de kunst omgevormd kan worden. Toch wil hij, als ‘reiziger tussen aarde en hemel’, de oorspronkelijke, autonome functie van de kunst als drager van het mogelijke, in zijn werk levend houden.


Illustraties:

fig. 1, Atelier in september 2013,
fig. 2, Fenster 2003,
fig. 3, Stazione II, 2008,
fig. 4, Stazione IV, 2010,
fig. 5, Radical Expansions en twee Names, in de tentoonstelling White Radiance
2013/2014,
fig. 6, Die Welle und das Wasser, 2011,
fig. 7, The Names, 2013,
fig. 8, The Initials, 2013,
fig. 9, Michelangelo, Doni Tondo, ± 1506,
fig. 10, Celestial Speech, 2013,
fig. 11, The Return, (to Blinky Palermo), 2008,
fig. 12, Ab Uno/Ad Unum, (Eurasia), NEUNG (Thai-language), 2002,
fig. 13, Stazione I, 2007.

vrijdag 31 januari 2014

MOGEN WE NOG VAN BEELDENDE KUNST GENIETEN?



Lezing:

Tegenwoordig nemen we aan dat het genieten van kunst vanzelfsprekend en vooral onschuldig is. Maar vanaf de Bijbelse en klassieke oudheid kende men de verleidingskracht en het gevaar van beeldende kunst. Men was van mening dat het afbeelden in het algemeen, en afbeeldende kunst in het bijzonder, verboden moesten worden. In onze tijd die van beelden vergeven is, is het bijna onmogelijk om voor te stellen dat men beelden zo gevaarlijk vond. Eigenlijk was men niet bang voor de beelden zelf, maar voor onze behoefte om af te beelden en om van de beelden te genieten.

Het is ontegenzeggelijk gemakkelijker om meer van een landschapschilderij dan van een echt landschap te genieten. De natuur is in het echt veranderlijk, te warm of te koud en vaak gevaarlijk, terwijl we een beeld ervan rustig kunnen bekijken en daardoor beter begrijpen. Of ze nu wel of niet tot de kunst behoren, afbeeldingen zijn door mensen en voor mensen gemaakte representaties. Ze verwijzen naar bepaalde eigenschappen van hun model, terwijl ze andere reduceren. Ze zijn meer schematisch, altijd minder dan hun model, waardoor we er meer greep op hebben. Het genot van beelden kent een esthetisch/formeel en een cognitief/emotioneel component. Hoe is het dan mogelijk, dat terwijl beelden eigenlijk minder gevaarlijk zijn dan de werkelijkheid, mensen ze vroeger als verleidelijk en zeer gevaarlijk beschouwden?

Men heeft waarschijnlijk altijd al van afbeelden en afbeeldingen genoten, maar keek er niet op een puur esthetische manier naar, zoals wij dat nu doen. Beelden vatte men op als symbolen en wel van het hogere/sacrale. Als zij te letterlijk naar hun visuele/materiele oorsprong verwezen, dan leidden ze af van het heilige, waarop je je leven moest richten. Beelden waren vanaf hun begin zeer verweven met de mythologie en de religie. Zij moesten de heersende waarden en normen overdragen. Hierin is pas in de 18de -eeuw, en alleen in de westerse wereld, verandering gekomen. Dit betekent echter niet dat het sacrale geheel uit de kunst is verdwenen. De sporen ervan duiken steeds weer op in ons spreken over kunst. Dit is een culturele erfenis die ons vroeger hielp om aan de sacrale connotaties van kunst te herinneren, maar het bestuderen van kunst kan hierdoor dwarsgezeten worden, als men haar bij voorbaat heilig verklaart.

Nu zijn er twee belangrijke bronnen voor het vermoede gevaar van beelden. Één van de bronnen is te vinden bij Plato (5de eeuw voor Chr.) die in zijn boek De Staat een voorstelling gaf van zijn ideale samenleving. In deze utopie bestonden er drie klassen. De laagste klasse wordt meestal gevormd door slaven die voor het bewerken van het land en de productie van goederen moet zorgen. Deze mensen hebben een ‘begerende ziel’, willen dingen in bezit nemen, als het ware opeten. Door matigheid moet dit in toom gehouden worden. We zien hier al het waardeoordeel tegen onontwikkelde mensen aan wie een slechte smaak wordt toegedacht. Zij willen alleen ‘consumeren’ en hebben geen mogelijkheden om tot het hogere te komen. (Dit idee is nog steeds niet helemaal verdwenen.) De middenklasse wordt gevormd door de soldaten die de staat moeten beschermen. Zij hebben een ‘strevende ziel’ en hun deugd is de dapperheid. Plato zit er kennelijk niet mee dat deze mensen de monopolie op doden hebben; hij acht dit noodzakelijk voor de bescherming van de staat. De hoogste klasse wordt gevormd door de bestuurders van de staat. Zij hebben een ‘kennende ziel’ en hun deugd is wijsheid. Dit zijn de filosofen die gericht zijn op het hogere en loskomen van het aardse, het begerende. Plato achtte de filosofen de beste bestuurders van de staat. Zij hebben de wijsheid lief en hebben toegang tot de ware kennis. De twee andere klassen hebben wel meningen, maar geen kennis, omdat zij geen toegang hebben tot het hogere, de wereld der Ideeën.

Plato stelde zich voor dat er twee werelden bestonden. De wereld van de Ideeën, waar de hoogste waarden ‘waarheid’, ‘goedheid’ en ‘schoonheid’ in grote zuiverheid schitterden en ook van alle waarneembare dingen een soort oermodellen bestonden. Dit lichtte hij toe in de ‘allegorie van de grot’. Wat mensen waarnemen is volgens Plato slechts een afschaduwing van die Ideeën; zij zien dus slechts afspiegelingen. De waarneembare wereld is slechts schijn. Als we een stoel waarnemen dan zien we een afspiegeling van de Idee van de Stoel, een soort ‘stoelheid’ in de wereld der Ideeën. Maar hoe weten we dat deze wereld bestaat? Plato heeft daar een slim antwoord op. Ten eerste stamt onze onsterfelijke ziel uit die Ideeënwereld. Als we een stoel zien, herinnert de ziel zich dit Idee. Ten tweede hebben filosofen wel toegang tot de Ideeënwereld en kunnen ons vertellen wat de echte waarheid, goedheid en schoonheid is waardoor zij ook geschikt zijn om de staat te leiden. De filosofen nemen de Ideeën niet met hun zintuigen waar, dat is onmogelijk, zij schouwen ze als het ware met hun kennende ziel.

In de tijd van Plato kwam er een nieuwe, illusionistische schilderkunst op, waarvan zo goed als niets is overgebleven. We hebben er alleen een idee van als we naar Romeinse muurschilderingen kijken die ervan afgeleid zijn. Plato vond deze kunst verwerpelijk. Als een timmerman een stoel maakt, herinnert hij zich de Idee van de stoel die hij als model voor zijn meubel gebruikt. Maar als een schilder een illusionistisch, tweedimensionaal beeld van die stoel maakt, dan is dat schijn van de schijn die de echte stoel al vormde en daardoor twee maal verwijderd van de echte werkelijkheid. Illusionistische kunst was dus, volgens Plato, gevaarlijk, omdat het de aandacht teveel op de waarneembare werkelijkheid richtte en niet op de onzichtbare, hogere werkelijkheid. Schilders hadden dan ook geen plaats in Plato’s ideale staat, omdat zij leugens verspreidden in plaats van waarheid. Illusionistische kunst, die mensen in de oudheid roemden en waarvan ze zeer genoten, werd door Plato als gevaarlijk en leugenachtig beschouwd. Muziek was voor hem de ideale kunst, aangezien die niet afbeeldend is en met de wiskunde werd verbonden. In Plato’s filosofie was al een bevoorrechting van het geestelijke, onzichtbare, boven het materiele te zien. Hij keek neer op de begeerten (van de lagere klassen) en op de waarneembare werkelijkheid die hij als schijn opvatte.

Een andere grote culturele erfenis betreffende de verleidelijkheid en het gevaar van het afbeelden en de beelden en komt uit het Jodendom. In de Bijbel (Exodus 20.4) staat als tweede van de tien geboden (± 1000 v. Chr.) (hier enigszins vereenvoudigd) het volgende: “Gij zult geen gesneden beeld maken noch van enige gestalte in de hemel, noch op aarde of in de wateren. Gij zult die beelden niet aanbidden.” En dan bedreigt God degenen die dat wel doen en belooft barmhartigheid en liefde aan diegenen die hem liefhebben. Volgens de Bijbel ontving Mozes de tien geboden van God op de berg Sinai, toen hij de Joden uit het Egyptische gevangenschap naar het beloofde land leidde. Maar waarom verbod God het maken van beelden? Het Jodendom is een monotheïsme, er wordt slechts één god vereerd; in de oudheid was dit een schaarse vorm van godsdienst. Sinds prehistorische tijden aanbad men vele geesten en goden die aanvankelijk direct van de natuur waren afgeleid, zoals zon, bliksem, rotsen, planten en dieren. De hele werkelijkheid werd als bezield ervaren. Tot op heden zijn er nog animistische religies, zoals het Shintoïsme in Japan.

In Egypte, waar de Joden in gevangenschap waren, kende men vele goden, soms in de vorm van natuurverschijnselen, zoals de zon en soms in de vorm van dieren. Zo was er een moedergodin of hemelgodin Hathor in de vorm van een koe met sterren op haar lijf en de zonneschijf tussen haar horens en er werd een jonge stier, Apis vereerd die een symbool was voor de god Ptah, de god van de kosmos. Maar er waren ook goden in de vorm van een kat, krokodil en jakhals. Voor het joodse monotheïsme, stond waarschijnlijk de aanbidding van de zonnegod (ook een monotheïsme) ten tijde van Echnaton (14de eeuw v. Chr.) model. Maar het joodse monotheïsme is wel bijzonder, omdat God hierin transcendent is; hij is onzichtbaar en onhoorbaar. Hij geeft blijk van zichzelf doormiddel van tekens, zoals ‘het brandende braambos’. Zou men van zo’n transcendent wezen een afbeelding maken in de vorm van een mens of een dier, dan zou dat een ‘idool’, een afgodsbeeld, zijn. De ware God van de Israëlieten uitte zich dan ook in zoiets abstracts als het geschreven woord waarin hij wetten aan zijn volk gaf. Het is niet verwonderlijk dat hieruit een beeldvijandige cultuur voortkwam.

Nu is het voor mensen erg moeilijk om zo’n abstracte godheid voor te stellen en te vereren. Toen Mozes te lang bij God op de berg bleef, vervielen de Israëlieten in hun oude gewoonten en maakten een beeld van een gouden stierenkalf, à la Apis, die zij aanbaden. Mozes sloeg eerst de wetstafelen kapot en dan het beeld aan diggelen, wierp de resten in het vuur en riep de Israëlieten tot de orde door ze de as, vermengd met water, te laten drinken. De boodschap is: richt je op God en niet op de schoonheid en het rijkdom van het aardse.

Hieruit zijn twee verboden voortgekomen:
-het verbod op het maken van beelden, het Joodse beeldverbod,
-het verbod op de idolatrie, het aanbidden van beelden.

Deze verboden werden vervolgens overgenomen door de godsdiensten die aan het Jodendom ontspringen: het Christendom en de Islam. Nu is het beeldverbod heel moeilijk vol te houden. Ten eerste omdat mensen hongeren naar beelden om geestelijke en materiele zaken voor te kunnen stellen en te begrijpen. Ten tweede omdat men altijd met culturen in de omgeving te maken heeft die wel beelden maken. Dit is goed te zien bij het Christendom dat de invloed van de Grieks/Romeinse beeldcultuur in zich opnam. Als binnen godsdiensten, die beide geboden aanhangen, orthodoxe krachten de overhand krijgen, leidt dit tot periodieke beeldenstormen, zoals bijvoorbeeld de 16de eeuwse beeldenstormen door de Calvinisten in de Nederlanden. Zij vernielden in de kerken de heiligenbeelden door ze omver te trekken, te onthoofden of door hun ogen uit te krabben.

Nog niet zo lang geleden, in 2001, hebben de Taliban in de vallei Bamiyan (Afghanistan) twee reusachtige Boeddhabeelden uit de 6de -eeuw opgeblazen, omdat ze zogenaamd het islamitische beeldverbod schonden. Men zag dergelijke beelden als ‘idolen’ en de vernietiging vatte men op als een puur religieuze actie. Het idee van het bewaren van cultuurgoederen, iets wat wij tegenwoordig zo belangrijk vinden, is binnen zo’n redenering geheel afwezig. Naar verluidt, ging de vernietiging van de Boeddha’s pas door, toen Zweedse deskundigen de hoofden van de Boeddha’s wilden restaureren. De Taliban wilden dat geld aan voedsel voor arme kinderen besteden, maar de Zweden weigerden. Het geld was voor de restauratie van ‘Kunst’ bedoeld. Zie hier de clash tussen een geseculariseerde opvatting van kunst (die op een seculiere vorm van verering lijkt) en het aloude beeldverbod dat tegenwoordig nog slechts door isolatie en terreur gehandhaafd kan worden.

De katholieke kerk heeft het nooit zonder beelden, in de vorm van religieuze kunst, kunnen stellen. De kerk heeft tot op heden haar zetel in Rome, het middelpunt van het oude Romeinse Rijk met zijn veelgodendom en zijn uitgebreide, van de Grieken geërfde beeldcultuur. Aanvankelijk gebruikte de kerk schilderingen, glas in lood ramen en heiligenbeelden als een Biblia Pauperum, (armenbijbel) om de ongeletterde gelovigen in het heilige schrift te onderwijzen. Kunst functioneerde ook als propagandamiddel voor het geloof en als verhoging van de status van de clerus die vanaf de vroege Middeleeuwen tot aan de 18de -eeuw, naast de adel, de grootste opdrachtgever van kunst was. En de kerk loste het beeldverbod goed op. Hoewel mensen nog steeds de neiging hadden de beelden zelf te vereren, vatte men beelden in principe op als bemiddelaars van de bemiddelaars (Jezus, Maria en de heiligen) waardoor de aandacht nog steeds op het goddelijke gericht bleef.

Op den duur echter liep dit uit de hand. God zelf werd zelden afgebeeld; vaak was alleen een handje in de wolken zichtbaar. Maar de katholieke kerk verlustigde zich in het vreselijke lijden van Christus en beeldde ook de heiligen steeds meer als echte, hartstochtelijke mensen uit. En ook de Protestanten in de Noordelijke Nederlanden ontwikkelden een manier om in prachtige beelden van alle aardse, verleidelijke zaken te genieten, waarvan ze wisten dat ze slechts ‘schijn’ waren,. Zij wezen de katholieke beelden af als afgodsbeelden, maar ontwikkelden een burgerlijke kunst waarin zij de uitbundigheid van de aardse werkelijkheid toonden, bijvoorbeeld in de Vanitas-stillevens. (Vanitas = ijdelheid, al het aardse is ijdel, vergankelijk.) Voor degenen die de codes kenden, toonden dergelijke stillevens dat men zich niet aan aards rijkdom moest hechten, zoals etenswaren, bloemen, en mooie spullen. Zintuiglijke en lichamelijke genot was zondig, maar kijkend naar de schilderijen kon men er toch van genieten. Er waren ook altijd elementen in de schilderijen die naar het hogere, vaak naar Christus verwezen, zoals bijvoorbeeld brood en wijn. Het beeldverbod werd hier dus in het bijna aanbidden van aardse goederen verpakt.

En dan komt er een grote ommekeer in de cultuur en de kunst. Vanaf de 18de -eeuw, de tijd van Verlichting en na de Franse Revolutie, verdween de patronage van adel en kerk en er ontstond een kunstmarkt, waarvan de afnemers de leden van de nieuwe, rijke burgerij waren. Zij hadden een voorkeur voor het afbeelden van hun dagelijks leven, vaak op nogal sentimentele wijze. Het idee van de 'schone kunsten', geseculariseerd en in een eigen culturele enclave, kwam op. Deze schone kunst verhoogde de sociale status van de rijke burgerij. Zij konden met de aardse en genotvolle kunst pronken, als teken van hun goede smaak en hun geld. Maar ook de geseculariseerde en op den duur autonome kunst bleef een element van het sacrale behouden, alsof de eigenheid van de kunst van haar heiligheid afhing. Kunstenaars werden als genieën gezien die door de natuur bevoorrecht waren om hoogstaande kunst te maken. In plaats van Christus en de heiligen met behulp van kunst te aanbidden, begon men nu de kunstenaar en de kunst zelf te ‘aanbidden’. Zo ontstond een ‘kunstreligie’ die tot op heden nog niet verdwenen is.

Naast de schone kunsten ontwikkelden zich de kunstnijverheid en in de 2de helft van de 19de -eeuw ook een kunst voor de massa, voortgekomen uit de volkskunst en geholpen door de industrialisatie. Nu kwamen er voor een breed publiek die luxe goederen beschikbaar die vroeger alleen voor de adel en clerus bestemd waren. De burgers vonden deze cultuuruitingen goedkoop, grof en smakeloos, getuigend van lagere driften van het volk dat op direct genot uit was (denk aan Plato).

De geheel autonoom geworden kunst van de 20ste -eeuw kreeg een groot probleem. Doordat kunst inhoudelijk vrij was geworden, konden en moesten kunstenaars zowel de vorm als de inhoud van hun werken nu zelf bepalen. Dit was zo’n grote opgave dat zij zich in kleine groepjes en in bewegingen aaneen sloten, waarbij elke beweging zich als een avant-garde zag die ultieme en uiteindelijke kunst moest maken; een kunst die alle voorgaande kunst zou uitwissen. Als men al naar vroeger teruggreep, dan was dat zelden de eigen traditie. Heel vroeger en heel ver weg, bijvoorbeeld de Afrikaanse en Oceanische kunst, waren wel legitieme bronnen.

Deze avant-garde bewegingen richtten zich op 2 tegengestelde doelen:
-de structuur en de vorm van kunstwerken; kunst werd steeds meer materieel,
-de vergeestelijking; kunst werd steeds meer immaterieel.

Vaak gingen beide strevingen samen, zoals bij Mondriaan die in de abstracte kunst, de grondbeginselen van de werkelijkheid zag (horizontaal/verticaal, zwart/wit/grijs en primaire kleuren als een soort Platoonse oervormen). De specialisaties leidden naar een steeds meer materialistische of juist ascetische kunst die de beeldende kunst tot op haar grenzen en soms er bijna overheen duwden. Het kunstwerk dreigt dan puur materie of puur idee te worden en houdt op om kunst te zijn.

Dit is het punt om de ideeën over kunst van de filosoof Theodor Adorno (1903-1969) te introduceren. Adorno in wiens neomarxistische filosofie de kunst een centrale rol speelde, zag de crisis waarin de kunst, door politieke en maatschappelijke toestanden (o.a. twee wereldoorlogen) en door haar interne ontwikkeling dreigde te belanden. Adorno was een materialist en een ongelovige, maar hij had veel eerbied voor de mogelijkheden van de menselijke geest om naar iets anders/beters (het transcendente) te streven. In de 20ste -eeuw zag hij twee spelers op het gebied van de cultuuruitingen. Aan de ene kant was er wat hij de ‘cultuurindustrie’ noemde, de populaire kunst of kunst voor de massa, zoals popmuziek (Jazz) film, tv, geïllustreerde tijdschriften en pulp-literatuur en aan de andere kant was er de ascetische avant-garde kunst. Vanuit zijn Marxistische visie zag Adorno beide als de producten van de kapitalistische maatschappij, maar terwijl de cultuurindustrie deze maatschappij bevestigde, keerde de autonome, moderne kunst zich, volgens Adorno, tegen het kapitalisme en bekritiseerde dit.

Volgens Adorno is de cultuurindustrie tegelijk pornografisch en preuts. Zij verleidt mensen door het voorspiegelen van genot, vooral van seksuele aard, dat nooit bevredigd wordt. Zo bedwelmt de cultuurindustrie mensen en verleidt ze om meer te kopen en te consumeren. Dit lijkt verdacht veel op de aanbidding van het Gouden Kalf, maar is nog steeds onze dagelijkse werkelijkheid. In de film en de televisie bijvoorbeeld biedt de cultuurindustrie ons een bepaald soort leven aan die we na moeten volgen. Je moet worden zoals de film- en pop- en sportsterren: jong, knap, rijk en beroemd. Als dit je niet lukt, is dat je eigen schuld en word je als ding terzijde geschoven. (Denk aan talentenjachten, zoals Idols). De producten van de cultuurindustrie zijn technisch perfect, maar hun inhoud bestaat uit clichés die steeds herhaald worden. De clichés tonen de waarden van de kapitalistische maatschappij, zoals winst, competitie en utiliteit, aangevuld met quasi-individualiteit, quasi-romantiek en veel sentimentaliteit die de mensen ingeprent krijgen. (Denk aan emo-tv.) Deze culturele uitingen, gebaseerd op makkelijke pseudo-emoties en het verlangen naar genot, acht Adorno zeer gevaarlijk voor de moderne, autonome kunst die immers zelf ook op weg is naar haar eigen opheffing. Maar voor Adorno kan en mag de kunst niet eindigen. Zij kan de cultuurindustrie weerstaan door erop te reageren en blijft in de maatschappij nodig om tegenstand te bieden aan de kapitalistische waarden.

Daarom heeft Adorno een voorkeur voor de meest ascetische en abstracte kunst, zoals de atonale muziek van Arnold Schönberg, het absurdistische toneel van Samuel Beckett en de surreële literatuur van Franz Kafka. Wat de beeldende kunst betreft, is hij minder radicaal. Hij waardeert het werk van Picasso en Paul Klee en niet de puur abstracte werken. Adorno meent namelijk dat puur abstracte kunst zich niets meer van de zichtbare en maatschappelijke werkelijkheid aantrekt, waaraan de kunst haar stof dient te ontlenen, als zij de maatschappij wil bekritiseren.

Adorno ziet de moderne kunst dus als tegengif tegen de clichématige en op de onderbuik gerichte cultuurindustrie. Kunst is niet voor de schoonheid, niet voor het genot, maar heeft de functie om ons de waarheid te tonen van hoe ver de kapitalistische maatschappij en ook onze manier van leven afgedwaald zijn van de connectie met de natuur. Kunst moet ons laten zien hoe we een andere/betere maatschappij en leven kunnen inrichten. Zij krijgt bij Adorno dus een utopisch doel. Adorno beseft echter dat een gerealiseerde utopie de kunst zou vernietigen, waardoor hij de utopie alleen als hoop op iets anders en beters voorstelt, waar ook nu veel behoefte aan is.

Wat gebeurde er met de tegenstelling tussen cultuurindustrie en autonome kunst na Adorno? De postmoderne kunst nam deze tweedeling in zich op. Kunstenaars gingen de producten van de cultuurindustrie als materiaal voor de kunst beschouwen en zo vermengde de avant-garde kunst zich (vanaf de jaren ’60) met de cultuurindustrie, wat bij de Pop Art te zien is. Hier was de vermenging nog onkritisch; men verlustigde zich in de verleidelijkheid van de film, de reclame en alle luxeproducten die toen de markt overstroomden. Hoewel de tendens van de opname van de cultuurindustrie of de populaire cultuur in de kunst nog steeds bestaat, keert de kunst zich nu ook tegen de uitwassen van de cultuurindustrie en diens oorsprong het kapitalisme, in een nieuwe, geëngageerde kunst, die steeds meer naar sociale interventie of sociologisch onderzoek neigt. Beelden zijn hierbij niet erg belangrijk; vaak gaan dit soort sociale projecten ten koste van het beeldende.

Ook de vergeestelijking, abstractie en ascetisme zette in de kunst door en keerde zich in de vorm van de Concept Art tegen het beeld. Kunstwerken worden nu steeds meer ideeën en naderen de wetenschappen en de filosofie. Vaak bestaan zij alleen uit taal of uit diagrammen die mogelijk nog ontoegankelijker zijn dan ooit de kunst van de avant-garde was. Zintuigelijk, esthetisch genot, zoals dat in de kunst tot aan de avant-garde nog mogelijk was, is grotendeels uitgeschakeld in de kunst die nu in musea en galeries te zien is. Terwijl onze dagelijkse cultuur vergeven is van beelden, lijkt in de kunst het beeldverbod toegeslagen te hebben. In plaats van zintuiglijk genot komt er een soort intellectueel genot die kunstwerken als puzzels probeert op te lossen, wat vaak niet lukt of waarvan het resultaat teleurstellend is. Esthetisch genot is met de cultuurindustrie naar het dagelijks leven verhuisd. Wij kunnen nu - nee wij moeten - genieten van een exquise maaltijd, een bijzondere inrichting van het huis of een televisieshow met als titel Idols. Maar het gevaar van dit soort aards genot is nog niet helemaal vergeten, getuige de recente kritische publicaties over onze doorgeschoten eetcultuur.

Nu wordt het tijd om een antwoord te formuleren op de beginvraag: mogen wij nog van beeldende kunst genieten? We kunnen nog hedendaagse, beeldende kunst tegenkomen, waarin het esthetisch genot een rol speelt, maar de positie van dergelijke kunst wordt steeds meer gemarginaliseerd. Van de kunst die in de kunstwereld belangrijk wordt gevonden, hoeft men geen esthetisch genot meer te verwachten. Dit zou wel eens kunnen betekenen dat de kunst, zoals wij die tot nu toe kenden, in haar met de religie verbonden vorm of in de vorm van de geseculariseerde kunstreligie, opgegaan is in een esthetische cultuur die nu voor iedereen toegankelijk is geworden. Hebben we daarmee eindelijk een echte democratische kunst/cultuur tot stand gebracht of kunnen we geen onderscheid meer maken tussen goedkope clichés en belangrijke/betekenisvolle culturele voortbrengselen? Voor mij is deze vraag voorlopig nog onbeslist.

KATALIN HERZOG


Deze lezing werd in het kader van de HOVO cursus: Het Genot als Kompas op 21, 10, 2013 uitgesproken.