vrijdag 4 juli 2014

U VRAAGT, WIJ DRAAIEN



Het Rijksmuseum in Amsterdam is weer aan het stunten. Nu niet met Obama voor de Nachtwacht, maar met post-it briefjes bij de kunstwerken. Alain de Botton, de Britse ‘levens-filosoof’, wil met de tentoonstelling Art is Therapy aantonen dat we door het kijken naar kunst een beter en gelukkiger leven kunnen krijgen.

Met dit doel heeft hij tweehonderd objecten in het museum van ‘filosofische graffiti’ op post-it briefjes voorzien, zodat wij onze ‘persoonlijke sores met kunstwerken in verband kunnen brengen’. Een oude kast moet ons ertoe aanzetten om ‘onze rommel (c.q. leven) op te ruimen’, een kristallen schaaltje zegt dat ‘het oké is om kwetsbaar te zijn’ en een kerkinterieur van Saenredam vertelt ons dat ‘vermaak de vijand is’.

De Botton vindt dat kunstwerken ‘troost, verlossing en catharsis’ moeten bieden. In de NRC (17/18, 5, 2014) zegt hij deze ideeën aan o.a. Aristoteles ontleend te hebben die in 4de eeuw v. Chr. al beweerde dat tragedies gevoelens van angst opwekken en zo het publiek kunnen helen. Mensen willen de wereld en zichzelf verbeteren en dat kan, volgens De Botton, tegenwoordig het beste met behulp van kunst die de vroegere rol van de godsdienst moet overnemen. Kunst is het medicijn voor al onze problemen en dient dus serieus genomen te worden.

Als tegenhanger van zijn artikel publiceerde de NRC een reactie van Marjoleine de Vos die De Botton verwijt een pleidooi te houden voor ‘indoctrinatie’ door kunst, op soortgelijke wijze als religies mensen ‘hersenspoelen’. Zij vindt het idee om kunst serieus te nemen sympathiek, maar de aanpak van De Botton is niet in orde. Volgens haar is kunst ‘ongrijpbaar’ en kan niet direct troost bieden; zeker niet door de toevoeging van ‘tegeltjeswijsheden’.

Nu bevatten de teksten meer dan gemeenplaatsen; er is kennis van zowel de kunstgeschiedenis als therapie op de achtergrond aanwezig. Maar de combinatie valt wel ongelukkig uit. Bij de Dans om het Gouden Kalf van Lucas van Leyden (± 1530), waar je niet om de boodschap heen kan, wordt alleen vermeld dat sommige objecten in musea ons koud kunnen laten, terwijl een decoratief behangsel van Chris Lebeau (1911-1915) een ‘metafoor’ blijkt voor o.a. ’een goede relatie en een geweldig gesprek’. Je ziet de schrijver al piekeren: hoe omzeil ik dat Bijbelverhaal dat niemand meer kent en hoe moet ik een behangetje met morele waarden laden?

De Botton wil behalve therapie bieden ook ingesleten gewoonten omzeilen: het belangloos genieten van kunst, de autonomie van kunst (18de eeuw) en de kunsthistorische nadruk op feiten, genres en chronologie (19de eeuw). En dat kan hij in het Rijksmuseum inderdaad goed doen. Niet alleen zijn daar vele werken met moralistische boodschappen aanwezig, maar de inhoud van het museum is bij de herinrichting zodanig door elkaar gehusseld dat de kunsthistorische indeling nu onder spanning staat.

Er is niets op tegen om hardnekkige gewoonten flink op te schudden, maar wat bereikt De Botton eigenlijk met zijn tentoonstelling? Zorgt hij ervoor dat kunst toegankelijk en nuttig wordt voor iedereen of maakt hij kunst tot een soort verzoekprogramma? Bij liefdesverdriet hoort een liedje van Gordon. Bij problemen met alcoholisme is een liedje van de Zangeres Zonder Naam het geijkte medicijn.

Marjoleine de Vos schrijft terecht dat kunstwerken niet direct troost kunnen bieden en dat je kennis nodig hebt om met kunst om te gaan. Dat komt echter niet doordat alle kunst ‘ongrijpbaar’ is, want dan is ook kennis overbodig. Kennis is nodig, omdat kunstwerken historisch zijn. De waarden die zij uitdragen zijn tijdgebonden en verschillen van de onze. Wij moeten dus historische kennis hebben om kunst te interpreteren en zo verder te komen dan tegeltjeswijsheden. Kennis overbrengen en bezitten wordt tegenwoordig echter als elitair ervaren; iedereen heeft immers toegang tot alles via het gevoel.

Maar dan begrijp ik iets toch niet goed: waarom zie ik alleen mannetjes op een veld rondrennen, als ik de regels van voetbal niet ken en kan ik wel zonder kennis van kunst naar het museum om mijn leven te laten verbeteren?

Katalin Herzog

Deze column is gepubliceerd in de KunstKrant, 18 jg. nr. 4, juli/aug. 2014