zaterdag 26 maart 2022

DE BLOEMENCOMPOSITIES VAN ALIDA EVERTS



‘Liever een bos bloemen op tafel dan brood op de plank’ 

 




1.

 

Dit is een karakteristieke uitspraak voor Alida Everts. Haar laatste cent zou ze nog aan bloemen uitgeven. Dan kan zij componeren – vormen, volumes, kleuren en geuren tot nieuwe gehelen verwerken – analoog aan het componeren van klanken in de muziek.

             

Alida was van jongs af aan in bloemen en planten geïnteresseerd en eenmaal volwassen leek het haar vanzelfsprekend om het bloemistenvak in te gaan. Gedurende de jaren dat ze als bloemist werkte, vond zij het verzorgen van bloemen, het maken van boeketten en het inrichten van de winkel prachtig om te doen. Totdat zij besefte dat alle handelingen zich begonnen te herhalen en zij nieuwe uitdagingen moest zoeken. Gedurende een cursus handvaardigheid raadde een docent haar aan om naar de kunstacademie te gaan. Op haar 25ste begon zij schoorvoetend aan Academie Minerva, waar zij zich echter al snel thuis voelde.  

            

Op de academie ging zij zo op in de opdrachten, de contacten met medestudenten en docenten, de lessen kunstgeschiedenis en de eindeloze discussies over kunst dat de bloemen op de achtergrond dreigden te raken. Toch zijn ze nooit helemaal verdwenen. Om iets bij te verdienen, werkte zij gedurende haar studie in een bloemenzaak en bleef dit ook een poos na haar afstuderen doen. 

            

Na haar studie waren het de bloemen die Alida beletten om in het spreekwoordelijke zwarte gat te vallen. Zij ging bloemen schilderen en tekenen en doet dit, meer dan veertig jaar later, nog steeds. In die tijd is er wel veel veranderd. Alida werd zich bewust van het verschil tussen haar onderwerp bloemen en planten en haar thema de kringloop van het leven. Doordat ze als knop verschijnen, bloeien, verwelken en uiteindelijk vrucht dragen, zijn de bloemen die zij eerst tot boeketten schikte, voor haar symbolen geworden van de kringloop, waar alle levende wezens deel van uitmaken.

            

In een verkorte vorm bootste zij dit na, door in haar atelier een soort bloemenberg te creëren. Op een tafel had zij altijd een bos bloemen staan, maar in plaats van de uitgebloeide exemplaren weg te gooien, legde zij die steeds naast de vaas neer die zij dan van verse bloemen voorzag. In de loop der tijd vormde zich een 'bloemenberg' op de tafel die tot op de grond reikte. Dit bleef haar steeds aan haar thema herinneren en ook inspiratie voor haar werk leveren.




2.


Hoewel haar onderwerp en thema dus constant zijn, kan het oeuvre van Alida als een serie kettingreacties gezien worden. De wil tot componeren leidt haar telkens naar nieuwe ontdekkingen in het gebruik van materialen, technieken en manieren van uitbeelden die zij met elkaar contrasteert en combineert. Schilderen met acrylverf en olieverf, sjabloneren, collages en pentekeningen maken, komen vaak samen in één schilderij voor en ook naturalisme en abstractie, verfijning en een soort slordigheid worden met opzet gecombineerd. Om de natuurlijkheid van haar schilderijen te verhogen, begon Alida dikker te schilderen wat vanaf 2005 aanleiding gaf tot het boetseren met klei. Sindsdien wisselt zij het werken in twee en drie dimensies met elkaar af en soms gebruikt zij beide ruimtelijkheden samen.

            


Zoals Alida in technisch opzicht graag contrasten aanbrengt, werkt zij ook met verschillende genres. Zij maakt kleine schilderijen, soms in series, van bloemen, planten en tuinen, geschilderde, getekende en gecollageerde bloemstillevens en verschillende keramische elementen die zij los naast elkaar presenteert, maar ook tot tafel-, wand- en vloerbeelden arrangeert. Aan de hand van enkele werken van Alida zal hier getoond worden hoe zij haar bloemencomposities maakt.





‘Zwoele zomer’ (2020, 18 x 14 cm, olieverf) is een klein schilderij, zoals Alida ze vaak maakt, maar hier toont het werk zich als een reliëf van verf. Om dit te bereiken mengde de kunstenaar marmerpoeder door de olieverf die zo dik werd dat zij de voorstelling in plaats van te schilderen bijna kon boetseren. De bloemen, bladeren en vruchten lijken in ‘Zwoele zomer’ dan ook haast uit het doek te barsten. Hun kleuren zijn enigszins gedimd, alsof ze door een warme, trillende luchtlaag gezien worden. Het is onduidelijk of hier een stukje zomertuin of een gecomponeerd boeket uitgebeeld wordt. Maar deze dubbelheid sluit goed aan bij het mengsel van abstractie en naturalisme dat het resultaat is van het pasteuze verfgebruik. Abstractie ontstaat, doordat veel details in de dikte van de verf wegvallen, tegelijk is er de winst van driedimensionaliteit, zodat de voorstelling dichter bij de natuur komt.









3.



In haar bloemstillevens, waarvan sommige aan 17de tot en met 19de -eeuwse bloemstillevens doen denken, werkt Alida de contrasten en combinaties optimaal uit. Het schilderij ‘Victoriaanse vaas’ (2012, 120 x 150 cm, acrylverf, witte inkt en acrylstift) toont een eivormige blauwe vaas met een boeket erin. Het geheel staat op een ronde tafel die een voortzetting lijkt van de donkere achtergrond. Met witte inkt getekende, kantachtige bloemmotieven overwoekeren het tafelkleed. Op de vaas wordt een tafereel in rode lijnen uitgebeeld, waarbij een roofvogel aangevallen wordt door kleinere vogels en achter de tafel steekt een landschap in witte lijnen spookachtig tegen de achtergrond af. De vaas en diens omgeving zijn grotendeels naturalistisch weergegeven, maar ook hier is er een soort abstractie die het gevolg is van technische handelingen. Bij het weergeven van de vaas en de bladeren in het boeket gebruikte Alida namelijk sjablonen die de vormen algemener maken en bij de rode en sommige witte bloemen is zij van kleurvlekken uitgegaan die zij op het doek liet vallen. Vervolgens tekende zij deze vlekken in, totdat er naturalistische bloemen ontstonden die uit botanische boeken afkomstig zijn. Om het boeket verder op te vullen – zoals een bloemist dat zou doen – heeft zij hier en daar een bloem of een tak ertussen gestoken en ook fijne, met witte inkt getekende, bloemenaren toegevoegd.






Terwijl in ‘Victoriaanse vaas’ naturalisme en abstractie met elkaar verweven zijn, is het schilderij ‘Gevonden liefde’ (2021, 50 x 60 cm, olieverf) een en al abstractie. Waar Alida zich ook bevindt, zij kijkt voortdurend uit naar bloemen, bladeren en vruchten. Toen zij op een dag door het Noorderplantsoen in Groningen naar haar atelier liep, raapte zij een tak op met twee bladeren en een tak met witte bessen die samen de aanleiding werden voor ‘Gevonden liefde’. De vorm van de platte vaas is gemaakt met behulp van een sjabloon, waarvan in de restvorm verschillend gekleurde toefjes olieverf met een kartonnetje, in elkaar kruisende richtingen, zijn uitgesmeerd. Hierdoor verkreeg de vaasvorm een gestructureerde aardkleur, waaruit de gevonden takken lijken te groeien. De tak met de twee gesjabloneerde bladeren en die met de geschilderde, witte bessen steken af tegen een oudroze, van bewogen penseelstreken voorziene, achtergrond. Door de platheid van de voorstelling zou dit een decoratie kunnen zijn die steeds herhaald wordt. Maar de asymmetrische compositie, opgesloten in het bijna vierkante formaat van het schilderij zorgt ervoor dat dit een strak bloemstilleven is, zonder de levendigheid die sommige andere bloemstillevens van Alida kenmerkt.  

       


Het samengestelde werk ‘Boeket in vaas’ (2022, 140 x 40 x 18 cm, olieverf, keramiek) combineert op een andere wijze abstractie en naturalisme. De vaasvorm die uitgeknipt en op de muur aangebracht is, werd op dezelfde wijze gemaakt als bij ‘Gevonden liefde’, maar heeft hier een mengsel van zalmroze en grijsblauw opgeleverd, kleuren die bij het grijsroze van het boeket passen. Terwijl Alida in haar eerder beschreven werken de natuur wilde evenaren door illusionistische voorstellingen of door reliëfachtig verfgebruik, heeft zij hier het boeket van geglazuurde keramiek gemaakt. De bloemen hebben een zekere abstractie, omdat ze vrij geboetseerd en nauwelijks gedetailleerd zijn, maar de tegenstelling van de tweedimensionale vaas en het driedimensionaal boeket is hier daadwerkelijk aanwezig en niet gesuggereerd zoals in sommige geschilderde stillevens.


Eerder kwam ter sprake dat Alida vanaf 2005 keramische beelden ging maken. Ofschoon zij al meer dan veertig jaar tekent en schildert, is keramiek een relatief nieuw medium voor haar. Aan de klei kent zij een extra betekenis toe, omdat het letterlijk de aarde is, waaruit haar geliefde bloemen en planten voortkomen. Toch kan zij er onbevangen mee omgaan en keramiek soms met tekenen en schilderen in één werk combineren, wat een doorgewinterde keramist zelden zou doen. Net als in haar schilderijen gaat Alida in ‘Boeket in vaas’ van delen van planten uit die zij nu boetseert. Hierbij heeft zij geen voorbeelden nodig; toen zij nog als bloemist werkte, gingen er zoveel bloemen en planten door haar handen dat zij hun vormen als het ware heeft geïnternaliseerd. 





Na het bakken van de klei ordent Alida de losse vormen op verschillende manieren. Zij kan ze individueel rangschikken of er tafel- wand- en vloerbeelden mee samenstellen, voortbordurend op de bloemenberg die zij met de uitgebloeide bloemen in haar atelier liet ontstaan. ‘Red Lady’ (2022, 45 x 60 cm, keramiek) is een beeld, gecomponeerd uit bloemen, bladeren, vruchten, takken, bollen en knollen. Het beeld is echter niet uit losse elementen opgebouwd, zoals veel andere beelden van Alida. ‘Red Lady’ werd in deze specifieke vorm ontworpen en bestaat uit drie los op elkaar gestapelde delen. Het diepe roestrood van de gebakken klei, de plantachtige onderdelen en de spits toelopende vorm van de compositie werken samen met de aansprekende titel. De associatie met een vurige vrouw die als een flamencodanseres in haar volanten-rok rondzwiert, ligt voor de hand, maar het thema van Alida volgend, doet het beeld nog meer denken aan de vruchtbaarheid van moeder aarde.  









4.




De hier beschreven werken zijn onderdeel van de tentoonstelling in Galerie Block C, waarin ze binnen verschillende composities met andere werken zijn opgenomen. Net zoals Alida vele vormen van planten in verschillende materialen, technieken en manieren van uitbeelden bij elkaar brengt, zo componeert zij nu de tentoonstelling om de rijkdom van haar oeuvre te laten zien. Die loopt parallel aan de natuur, maar kan deze in haar oneindige variatie nooit evenaren. Wat Alida wel doet, is aspecten en elementen ontlenen aan de natuur – vooral aan de flora – waarna zij deze tot kunstwerken componeert om daarmee haar visie op de eeuwige cyclus van het leven te laten zien, waaraan we allen onderworpen zijn.





















KATALIN HERZOG, maart 2022

            

Deze zaaltekst hoort bij de tentoonstelling 'Uitgroei' van Alida Everts bij Galerie Block C te Groningen van 19 maart t/m. 23 april 2022.


AFBEELDINGEN:

1.   ‘Victoriaanse vaas’ (2012, 120 x 150 cm.)

2.   Detail van de 'bloemenberg'.

3.  Detail van ‘Victoriaanse vaas’.

4.  Deel van de tentoonstelling 'Uitgroei'.

zaterdag 5 maart 2022

KUNST EN DESIGN

   

*

Beeldende kunst en design zijn tegenwoordig zo met elkaar verstrengeld geraakt dat ze nauwelijks te onderscheiden zijn. We hebben wel het gevoel dat ze tot verschillende disciplines behoren, maar weten niet meer wat de verschillen zijn.

 

Deze verwarring heeft zo zijn redenen. De kenmerken van de geniale kunstenaar en de autonome kunst werden in de 18de eeuw geformuleerd in de tijd dat de Franse Revolutie de traditionele status van kunstenaars wegvaagde. Opdrachten van kerk en adel vielen weg – kunst had geen dienende functie meer – waardoor haar fictionaliteit versterkt werd. Er kwam meer artistieke en morele vrijheid, maar dit leverde kunstenaars ook uit aan de markt. Tegelijkertijd veranderde de industriële revolutie de status van ambachtslieden. Handwerkers werden fabrieksarbeiders die nu machines bedienden, waardoor massaproductie mogelijk werd.

 

In de 19de eeuw kwamen reacties hierop. Door hun afhankelijkheid van de markt gingen kunstenaars genialiteit en autonomie extra benadrukken, waarbij de opkomende avant-garde een kritische en vooruitstrevende houding aannam. Maar er kwam ook protest tegen het verlies van de ambachtelijkheid. De sociaal geëngageerde Arts and Crafts-beweging in Engeland wilde een vereniging van kunst en ambacht bewerkstelligen door een ‘terugkeer’ naar de middeleeuwen. Zie hier de bron van onze verwarringen.

 

Aan het begin van de 20ste eeuw ging het Bauhaus, een school voor architectuur en beeldende kunst in Duitsland, door op de Arts and Crafts-principes en het idee dat kunst en leven weer moesten samenvallen. Ze wilden mooie, functionele en vernieuwende gebouwen en gebruiksvoorwerpen maken voor het dagelijks leven.** Maar om dit voor alle mensen te realiseren, moest het kostbare handwerk plaats maken voor industriële productie die de aanzet gaf tot wat we nu design noemen.

 

De ‘onafhankelijke kunstenaar’ en de ‘dienstbare ontwerper’ bleven met elkaar strijden. Sommige kunstenaars trachtten kunst en ontwerpen in hun werk met elkaar te verbinden, maar de kunst won het altijd. Dit had met de mythische status van kunstenaars te maken, waarop ook ontwerpers aasden. Om dichter bij kunst te komen, moest er eerst een ‘revolutie’ plaatsvinden, namelijk het postmodernisme. De avant-gardes hadden al voorwerk verricht, maar pas in de jaren zeventig drong het gedachtegoed van het postmodernisme tot de kunst door, waarin de legitimiteit van de vernieuwing, het genie en de autonomie bevraagd werd. Kunstenaars en designers mochten nu voor hun werk uit de gehele wereldcultuur putten, wat hen zeer dicht bij elkaar bracht.

 

Zo werd design aan het begin van de 21ste eeuw een soort kunst die door de industriële productie (bijna) voor iedereen beschikbaar was. Kunst en leven leken eindelijk verenigd, maar dan wel in een kapitalistische context, wat weer reacties uitlokte. Op sociaal gebied drong het steeds sterker door dat gelijkheid en vrijheid voor velen nog niet gerealiseerd waren. Tegelijkertijd groeide het besef dat we de aarde aan het uitputten waren en als we zo doorgaan, alle leven op de planeet zullen vernietigen. De wereld moest worden ‘gered’, wat ook in kunst en design voor hernieuwd engagement en activisme zorgde. 

 

Even leek het erop dat ze samen zouden optrekken, maar er zijn redenen om kunst en design juist nu op enige afstand van elkaar te zien. Kunst is fictioneel en dankt haar kritische potentie aan haar artistieke en morele vrijheid. Door de fictionaliteit kunnen kunstenaars alle mogelijkheden van de fantasie benutten en, als dat nodig is, zich in hun werk ook amoreel of apolitiek opstellen. Kunst kan dus voor verandering van mentaliteiten zorgen, maar met behulp van haar eigen praktijk de wereld niet redden.


In de designwereld werd men zich ervan bewust dat veel design slechts decoratie was en niet tot oplossingen van de huidige wereldproblemen bijdroeg. Er kwam aandacht voor Social Design dat nieuwe taken kreeg. Net als kunst is design niet in staat om de wereld te redden, maar designers kunnen in hun praktijk veel tot een betere wereld bijdragen. De taken op sociale, economische en ecologische gebieden zijn echter zo omvangrijk en gecompliceerd dat Social Design geen individuele activiteit meer kan zijn. Designers moeten zich dus breed oriënteren en met de politiek, de technologie, de filosofie en de wetenschappen samenwerken.

 

Kunst en design kunnen nog steeds inspiratie aan elkaar ontlenen, maar hun disciplines en taken worden nu duidelijker. De nog sluimerende hiërarchie tussen kunst en design moet echter definitief verdwijnen. We hebben beide disciplines hard nodig, maar dan wel om verschillende redenen.

 

KATALIN HERZOG


Deze column is gepubliceerd in de KunstKrant, 26ste Jg. nr. 2. maart/april 2022, p. 13.


* Logo van het Bauhaus, ontworpen door Oskar Schlemmer, 1922.


** Men ging ervan uit dat mooie en goed functionerende architectuur en huisraad bij zouden dragen aan zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid van mensen.

 

 
ADDENDA

1. EEN NIEUW EUROPEES BAUHAUS*

 

Samenvatting van het artikel van Ursula von der Leyen, 2020.

 

In het kader van het Europese Green Deal pleitte Ursula von der Leyen, voorzitten van de Europese Commissie, in dit artikel voor een ‘Nieuw Europees Bauhaus’.

 

Klimaatverandering, milieuverontreiniging, toename van de vraag naar energie, digitalisering en bevolkingsgroei zijn de grootste, globale problemen van deze eeuw. Volgens Von der Leyen bieden deze problemen echter ook mogelijkheden voor de ontwikkeling van een circulaire economie, waarbij we evenveel aan de planeet teruggeven als we aan haar ontlenen.

 

Volgens Von der Leyen gaat het hier niet alleen om een project over klimaat en economie. De Green Deal is ook een cultureel project. Elke verandering van een systeem heeft een eigen esthetica en het huidige systeem moet design verbinden met duurzaamheid. De Europese Commissie neemt daarom het voortouw bij de inrichting van een 'nieuw Bauhaus', waarin architecten, kunstenaars, studenten, wetenschappers, ingenieurs en vormgevers samen zullen werken om de Green Deal op een aantrekkelijke, vernieuwende en menselijke manier te realiseren, zodat recycling, hernieuwbare energie en biodiversiteit door iedereen als ‘natuurlijk’ zullen worden ervaren.

 

Het historische Bauhaus was niet zomaar een school voor architectuur, maar had ook connecties met kunst en cultuur en de sociale uitdagingen van die tijd. Het toonde aan dat industrie en goede vormgeving het leven van miljoenen mensen kunnen verbeteren. Het 'Europese Bauhaus' moet dezelfde dynamiek hebben en laten zien dat het noodzakelijke ook mooi kan zijn, dus dat duurzaamheid samen kan gaan met stijl.

 

In de komende jaren zal het Europese Bauhaus verschillende projecten initiëren in de landen van de Unie, waarbij kunst en cultuur altijd samen zullen gaan met verschillende thema’s zoals: natuurlijke bouwmaterialen, efficiënte energievoorziening, nieuwe manieren van verkeer en vervoer, oplossingen voor demografische problemen en digitale vernieuwing. Het nieuwe Bauhaus is dus geen school, maar bestaat uit creatieve, experimentele laboratoria en basisstations voor de Europese industrieën. Deze zullen samen zorgen voor een Europees en ook wereldwijd netwerk met grote economische, ecologische en sociale gevolgen.

 

Volgens Von der Leyen zal het Europese Bauhaus een creatieve en interdisciplinaire beweging in gang zetten die zowel nieuwe esthetische als functionele standaarden zal ontwikkelen samen met nieuwe technologieën en opvattingen over milieu en klimaat. Het zal het debat stimuleren over nieuwe bouwmethoden en nieuwe vormen van design. Het zal experimenteren met en praktische oplossingen bieden voor de sociale vragen over hoe we samen moeten leven met de natuur, zodat de 21ste eeuw mooier en meer menselijk wordt. 

 

Bron: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/AC_20_1916

 

* COMMENTAAR


Het initiatief van Von der Leyen is prijzenswaardig, maar de analogie tussen het oude en het nieuwe Bauhaus gaat mank. De connectie tussen kunst/cultuur en industrie/design was kenmerkend voor het oude Bauhaus en was het resultaat van een geleidelijke ontwikkeling die zich binnen de toenmalige cultuur voltrok. Het nieuwe Bauhaus is en moet anders zijn. Ten eerste is het geen school, maar bestaat het uit losse projecten, ten tweede zijn de huidige problemen groter en hun oplossingen meer urgent dan die van het begin van de 20ste eeuw. Bij het nieuwe Bauhaus moet vanaf het begin meer studie, een strakke planning en een goede organisatie aanwezig zijn om de huidige, veelomvattende problemen het hoofd te kunnen bieden. Von der Leyen klinkt geïnspireerd, maar stapelt in haar artikel de problemen in verschillende combinaties op elkaar, waardoor het lijkt of zij niet heeft nagedacht over hun onderling verband en hun mogelijke oplossingen. Haar artikel is dus eerder een motivational speech dan een plan van aanpak (dat laat ze aan anderen over). Het zal mij benieuwen of die 'creatieve laboratoria', die over de hele Unie verspreid zijn, met de industrieën (welke?) kunnen samenwerken en of al die projecten behalve 'creatieve Spielereien' ook acceptabele oplossingen kunnen/zullen opleveren.


.....................................................................


2. AUTONOME KUNST, SOCIAL DESIGN EN DE CREATIEVE INDUSTRIE


Op 15 september 2022 schreef Hans den Hartog Jager in zijn artikel in de NRC: 'Waarom de goochelkunst van Studio Drift hypocriet is' over designers die 'met hun kitscherige social design' de kunst zouden uithollen. Hij verwijt designers (vooral die van Studio Drift) dat zij gebruikmaken van de vormen en strevingen van de  kunst om 'consumenten kitsch' te maken die engagement en diepte suggereert, maar slechts platte entertainment biedt om geld te verdienen. Ook is hij boos op het Stedelijk Museum Amsterdam omdat het werk van Studio Drift heeft aangekocht. Het museum heeft de laatste jaren een 'consumptie-kritische, geëngageerde houding ten opzichte van kunst', terwijl de design-afdeling het 'fake-engagement' van bepaalde designers naar binnen haalt. Musea zouden juist de plaats moeten zijn voor 'moeilijke kunst' en dat is volgens de criticus een geëngageerde, autonome kunst die hij niet als zodanig benoemt, maar wel met een voorbeeld illustreert.


Geen van de artikelen van Den Hartog Jager, die ik gelezen heb, blinkt uit in helderheid, maar nu bevindt hij zich wel in een hele moeilijke situatie. Eigenlijk is hij een conservatieve denker - met een grote voorkeur voor autonome schilderkunst - die tegenwoordig over een multimediale, geëngageerde kunst schrijft. Dit past niet bij zijn smaak en overtuigingen, maar om zijn werk voort te kunnen zetten, moet hij wel met de 'trends' meegaan. Soms leidt dit tot uitbarstingen, zoals in het bovengenoemd artikel waarin hij de 'moeilijke', autonome kunst verdedigt tegen de overheersing van het entertainment-karakter van wat hij voor social design aanziet.


Op het schrijven van Den Hartog Jager kwam op 22. september 2022 in de NRC een reactie van Renée Steenbergen. In haar artikel: 'Verwar autonome kunst niet met creatieve industrie' bekritiseert zij de uitspraken van Den Hartog Jager. Het probleem is volgens haar niet dat 'culturele disciplines [elkaar] overlappen en [daardoor] mengvormen hun intrede doen'. Terwijl vroeger creativiteit voorop stond, is nu toepasbaarheid het belangrijkst. Kunst moet maatschappelijk functioneren, waardoor educatie, sociaal werk, zorg en kunst samen gaan vallen. 'De kennis over en betrokkenheid bij kunst bij de belangrijkste kunstfinancier: de lokale overheid' is verdwenen en zelfs in de kunstwereld wordt over de 'culturele en creatieve sector' gesproken. Volgens Steenbergen is de 'creatieve industrie' tegenwoordig het model voor kunst, waardoor het 'verdienvermogen' van kunst het belangrijkste is geworden. Binnen deze visie moeten kunstenaars ondernemend zijn en hun werk aan de vraag [van de consument] aanpassen. Dan kunnen ze 'hun eigen broek ophouden' en zijn subsidies niet meer nodig.


Steenbergen meent dat juist de kunstwereld moet blijven benadrukken dat 'de kunsten in zichzelf waarde hebben'. Die waarde houdt in dat autonome kunst 'niet altijd makkelijk te begrijpen is, maar juist een andere ervaring of perspectief wil bieden dan we al kennen'. De grootste bedreigingen van kunst komen volgens Steenbergen dus voort uit de nadruk op de maatschappelijke toepasbaarheid van kunst en uit het rendementsdenken waardoor kunst als middel wordt gezien om oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen en om geld te verdienen. 


Beide kunstcritici signaleren enkele problemen van de hedendaagse kunst en design, maar doen dat nogal warrig. Ze cirkelen om het tegenwoordig vereiste engagement en de nog steeds aanwezige vraag naar de consumeerbaarheid van kunst, maar zijn er niet duidelijk over waarom en waar deze afgekeurd moeten worden of juist adequaat kunnen zijn. Bovendien lijkt het dat ze de ontwikkelingen van kunst en design vanaf begin van de 20ste eeuw tot nu niet goed kennen, waardoor hun ideeën ouderwets overkomen. 


Nu zou ik hier in een lange argumentatie kunnen belanden, maar ik heb besloten om voor beide critici vragen te formuleren die ik ze zou willen stellen als ik ze in levende lijve zou ontmoeten. Dat zal wel niet gebeuren, maar voor lezers kunnen zulke vragen handig zijn om over de ideeën van beide critici na te denken:


-Is 'moeilijk' het enige criterium voor de autonome kunst? (DHJ en S)

-Bestaat autonome kunst nog wel? (DHJ en S)

-Wat zijn de karakteristieken van geëngageerde kunst? (DHJ en S)

-Hoe verhouden kunst en design zich tegenwoordig tot elkaar? (DHJ)

-Verwart het Stedelijk Museum (en andere musea) kunst en design met elkaar? (DHJ) (Zie nr. 3)

-Kunnen kunst en design (of de creatieve industrie) maatschappelijke problemen oplossen? (DHJ en S)

-Wat is 'social design' en bestaat er een echte en een fake social design? (DHJ)  

-Komt social design overeen met de 'creatieve industrie'? (S)

-Is kunst de enige discipline die ervaringen of perspectieven kan bieden die we nog niet kennen? (S)

-Hoe verhoudt kunst zich tot de economie? (DHJ en S)


K.H. 25. 9. 2022.


.................................................................


3. DE DISCUSSIE GAAT VERDER


Op 29 september 2022 reageren de 'vormgevinsgconservatoren' van het Stedelijk in de NRC op beide hier samengevatte artikelen met: 'Het Stedelijk Museum is er niet alleen voor moeilijke kunst'. Ze stellen dat het Stedelijk geen aparte afdelingen meer heeft voor beeldende kunst en vormgeving. Het museum 'volgt de ontwikkelingen in de kunsten'. Het maakt niet uit welke opleidingen de kunstenaars of ontwerpers doorlopen hebben. 'Het Stedelijk wil een breed palet aan verschillende posities en stemmen tonen: van weerbarstige kunst tot meer toegankelijk werk en van autonome installaties tot gebruiksvoorwerpen'. Het museum wil 'hedendaags werk niet in hokjes plaatsen, omdat ook de makers dat zelf niet doen'.


De vormgevingsconservatoren Ingeborg de Roode, Thomas Castro en Amanda Pinatih, die dit artikel hebben geschreven, zijn net zo in de war als Den Hartog Jager en Steenbergen. Terwijl de laatsten 'de ontwikkelingen van kunst en design vanaf begin van de 20ste eeuw tot nu niet goed kennen', vinden de eersten het samengaan van kunst en design (bijna) vanzelfsprekend. Het museum heeft geen aparte afdelingen meer voor kunst en design, volgt 'de ontwikkelingen in de kunsten', hetgeen betekent dat ze alles als kunst beschouwen. Zoiets zou je kunnen zeggen als erfgenaam van Marcel Duchamp die aan het begin van de 20ste eeuw met zijn ready-mades liet zien dat alles kunst kan zijn als je het maar in een museum of galerie toont en er voor de kunst kenmerkende 'tekens' aan toevoegt, zoals een signatuur, een raadselachtige titel eof een commentaar. Maar zoals ik hiervoor heb aangetoond, 'zijn er redenen voor om kunst en design juist nu op enige afstand van elkaar te zien'. 


Gezegd zou kunnen worden dat de vormgevingsconservatoren (op een andere manier dan de critici) ouderwets zijn, omdat ze geen idee hebben van de mogelijkheden van social design en kunst en design over een kam scheren. Hen maakt het niet uit wat voor soort trainingen 'makers' hebben gehad, terwijl de trainingen van kunstenaars en designers nog steeds verschillend is. Ze willen 'hedendaags werk' niet in hokjes plaatsen, maar onderscheiden wel 'weerbarstige kunst', 'meer toegankelijk werk', 'autonome installaties' en 'gebruiksvoorwerpen'. De verschillen tussen kunst en design zijn dus net zo stevig in hun hersenen verankerd als bij de meeste mensen.


Het valt hen moeilijk om hun eigen strevingen onder woorden te brengen, waarbij ze of onderscheiden wat ze niet willen onderscheiden of alles door elkaar husselen. Zie de vermakelijke metafoor waarmee ze aangeven een breed 'palet' (schilderkust) van 'posities' (in ballet of uitgangspunten) en 'stemmen' (spraak of zang) te willen 'tonen'. En dit alles namens het Stedelijk Museum, waarbinnen blijkbaar niemand meer helder kan denken.


KH. 29. 9. 2022.




donderdag 10 februari 2022

‘ZIE DE MENS’, IN HET WERK VAN KAMILĖ ČESNAVIČIŪTĖ

 

1.

 

 









                       















De grote schilderijen van Kamilė Česnavičiūtė tonen composities van felgekleurde mensfiguren die in verschillende situaties verkeren. Soms gaat het om een enkele figuur, maar meestal om een groep, waarvan de leden een interactie met elkaar aangaan of als het ware langs elkaar heen leven. De figuren zitten een enkele keer op een stoel, vaker nog knielen, zitten of hurken ze op de grond. Hun lichaamsvormen komen compact en sculpturaal over, terwijl hun gezichten, handen en voeten meer gedetailleerd zijn. Ze bevinden zich in door kleuren of schetsmatige structuren weergegeven ruimtes, waarbij ze door dagelijkse gebruiksvoorwerpen vergezeld kunnen worden. Soms is het niet duidelijk of ze binnen dan wel buiten zijn en ze steken ook wel tegen een atmosferische of vlakke achtergrond af. 


Het lijkt of deze figuren ons iets willen vertellen – te zien aan hun houdingen, gebaren, gezichtsuitdrukkingen en expressieve kleuren – maar waar ze het over willen hebben, wordt niet zomaar duidelijk. Kijkend naar enkele, recente schilderijen van Kamilė kunnen we ons afvragen: wat doet die liggende, rode figuur op het schilderij ‘Deadline’ (2021) en waarom heeft de staande, oranje figuur in ‘Cleaner’ (2021) haar hoofd verloren? Waarom zijn de vier blauwe, zittende figuren in ‘Crying on a Hill’ (2020) zo triest en wat doet die volumineuze, gele figuur in ‘Vista’ (2020) boven op die kluwen blauwe mensen? De titels kunnen ons een beetje op weg helpen, maar we komen pas dichter bij de schilderijen als ons iets van de gedachtewereld en werkwijze van de kunstenaar bekend is.


2.

Kamilė begint niet zomaar met schilderen. De werkelijkheid waarin zij zich bevindt vormt aanleidingen voor haar schilderijen. Deze kunnen voortkomen uit haar dagelijks leven en haar praktijk als jonge kunstenaar, zoals de stemming bij het halen van een deadline of de ervaring van moeten werken naast een kunstpraktijk. Vaker nog is de maatschappij de leverancier van ergernissen over de problemen, waarmee bijvoorbeeld migranten te maken krijgen of over de uitbuiting van velen door enkele, machtige individuen. Kamilė ergert zich aan zowel kleine als aan grote zaken: van de dagelijkse onbeschoftheid van weggebruikers tot aan de grove onrechtvaardigheden binnen het huidige kapitalistische systeem. 


3.

Dergelijke irritaties kunnen in flinke boosheid uitmonden en zetten haar op twee manieren aan om in actie te komen: het maken van schilderijen en het vergaren van kennis over de werkingen van systemen, zoals het kapitalisme en de reacties daarop door bijvoorbeeld het feminisme. Op de hoogte zijn van dit laatste, vindt zij belangrijk, omdat zij de maatschappelijke werkelijkheid wil begrijpen, waarin we leven. Zoals meer van haar leeftijdsgenoten is Kamilė kritisch op haar omgeving, maar bij haar kan deze houding ook gekleurd zijn door haar afkomst uit Litouwen. Gedurende de 20ste eeuw maakte dit land onderdeel uit van de Sovjetunie; pas in 1990 werd het onafhankelijk. Hoewel Kamilė na die tijd geboren is, kan de plotselinge overgang van een communistisch naar een kapitalistisch systeem, die zich gedurende haar jeugd voltrok, haar kritische houding hebben aangewakkerd.


4.

Haar schilderijen vormen echter geen illustraties van de geschiedenis of van theorieën en ze gaan ook niet altijd over grote problemen. Ook grappige of domme dingen kunnen Kamilė prikkelen om aan het werk te gaan. Als zij met schilderen begint, heeft zij er een algemeen idee van waar het werk over moet gaan, maar pas gedurende het werken komt het onderwerp sterker naar voren. Kamilė brengt eerst een kleurlaag over het hele doek aan dat wel gegrond, maar meestal niet opgespannen is. Daarop tekent zij met acrylstiften de figuren die zij met verschillende kleuren invult. Soms behoudt een stukje van de compositie of zelfs een hele figuur in de kleur van die eerste laag. Als een houding of gebaar van een figuur haar niet helemaal zint, tekent zij die opnieuw over de al bestaande vormen heen. Deze veranderingen laat zij soms staan, waardoor haar figuren extra ledematen, hoofden of vingers krijgen. Het maken van een schilderij kan – afhankelijk van de ingewikkeldheid van de compositie – meerdere dagen duren en pas als alle vormen en kleuren op de ‘juiste plaats’ staan, begint Kamilė aan de detaillering van de gezichten, handen en voeten. 

            

Concentratie op grote mensfiguren en de soort figuren zorgt ervoor dat haar schilderijen altijd algemener en poëtischer zijn dan de aanleidingen ervoor. Van kleins af aan heeft Kamilė veel getekend en gedurende haar middelbareschooltijd heeft zij in Vilnius ook een kunstschool bezocht, waar zij leerde tekenen, schilderen, beeldhouwen en met de hedendaagse kunst kennis maakte. Op haar veertiende besloot zij naar Nederland te gaan, vanwege de rijke kunsttraditie, en op achttienjarige leeftijd kwam zij hier daadwerkelijk om aan een kunstacademie te studeren. Zij bezat toen al technische vaardigheden, maar wilde met haar werk ook ‘iets zeggen’ en had het idee dat zij daarvoor ‘nog niet genoeg kennis’ had vergaard. Gedurende de eerste jaren op Academie Minerva maakte zij tekeningen met potlood en stift van losse mensfiguren en van groepen mensen. De potloodtekeningen zijn zeer gedetailleerd, waarbij de stofuitdrukking van de kleding belangrijk is. Waarom die mensen bepaalde houdingen aannamen of bij elkaar stonden, was echter niet duidelijk. Omdat Kamilė van deze vaardige, maar nogal betekenisloze manier van werken af wilde, begon zij in het derde jaar van haar opleiding te schilderen. Met kleurvlakken kon zij veel sneller werken en ook meer samenhang, sfeer en betekenissen in haar werk brengen.

              

Nadat zij met schilderen begon, werden haar figuren steeds algemener door het weglaten van individuele gelaatstrekken, kapsels en kleding. Een figuur kan een hemdje, een broek of een schort dragen, maar dan gaat het meer om attributen – lijkend op de afgebeelde voorwerpen – dan om de gedetailleerde kleding van de mensen in haar vroegere tekeningen. Het meest specifieke in haar schilderijen zijn de opvallende ogen van de figuren die een kijkrichting, een emotie of concentratie weergeven.

            

Zoals hiervoor opgemerkt, tonen de schilderijen van Kamilė situaties, waarin de figuren ons iets lijken te willen vertellen. Waar ze het over willen hebben, wordt duidelijker als we erop gaan letten wat de kunstenaar in haar werk weglaat. Haar mensfiguren onderscheiden zich niet door hun huidskleur; ze hebben immers allerlei expressieve kleuren. Meestal is het onduidelijk wat voor gender ze hebben en hoe oud ze zijn. Bij uitzondering wordt er een vrouw uitgebeeld. Dan ontbreken kapsel en kleding, waardoor we haar sociale status niet kunnen inschatten. Sommige figuren komen nogal corpulent over, maar in plaats van karakterisering van een individu is dit ook een eliminatie, namelijk van het modieuze idee dat mensen per se slank en jeugdig moeten zijn. Kamilė is dus niet geïnteresseerd in heersende schoonheidsidealen en wil ook geen nadruk leggen op huidskleur, gender, leeftijd en sociale status. Oudere mensen met rimpels vindt zij mooi en als zij de sociale status van de figuren toont, zoals in het schilderij ‘Vista’ (2020), dan vindt zij deze juist onrechtmatig. 

            

Alles wat de kunstenaar in haar werk benadrukt en weglaat draagt dus bij aan de betekenissen van haar schilderijen. Daarmee gaat zij twee kanten op: met de eliminatie van kenmerken, waarop we elkaar beoordelen, laat zij de basale gelijkheid van mensen zien. En met de situaties, waarin zij haar figuren plaatst, toont zij hoe mensen zich in de maatschappelijke werkelijkheid kunnen gedragen en misdragen, waardoor juist ongelijkheid tot stand komt en spanningen tussen individuen en groepen hoog kunnen oplopen. 


5.



 

            

















In haar schilderij-installatie ‘Nine Seas Away’– die zij in Galerie Block C toont – werkt zij een bepaalde soort spanning uit tussen een individu en een groep. Zoiets kan ontstaan als iemand plotseling bij een groep betrokken wordt, waarvan de uitgangspunten en doelen voor haar/hem onbekend zijn. Dan gaat zo iemand onderdeel van die groep uitmaken, maar komt door gebrek aan informatie in een vreemde wereld terecht en ervaart zo de eigen individualiteit in extreme mate. 

            

Met haar installatie ensceneert Kamilė zo’n situatie door beschouwers bij binnenkomst in de galerie met de achterkant van haar schilderij-installatie te confronteren. Eerst is er dus niets te zien, maar om het werk heen lopend, staan beschouwers plotseling tegenover een aantal grote mensfiguren die hun rug naar hen toekeren. Hoewel deze mensen zich wel van elkaar onderscheiden door hun lichamen, houdingen, kleren en attributen, vormen ze toch een samenhangende groep, maar het is onduidelijk met welk doel ze bijeen zijn gekomen. Toch kunnen beschouwers zich gemakkelijk met hen identificeren, terwijl zij de rare situatie en hun eigen, afwijkende individualiteit daarin ervaren.

            

De nadruk op de gelijkheid van mensen gaat in de schilderijen van Kamilė dus gepaard met ongelijkheden die telkens in de maatschappelijke werkelijkheid ontstaan en tot problematische situaties leiden. Zo toont zij ons ‘de mens’, dit merkwaardige wezen dat in grote mate overeenkomt met alle anderen, maar zich zowel individueel als in groepen boven die anderen wil stellen en daardoor steeds kleine en grote complicaties veroorzaakt. Kamiles werk is dus betrokken, maar komt nooit belerend over. Zij legt ons geen duidelijke betekenissen op, maar doet poëtische suggesties die we kunnen volgen en waarvan we de werkingen kunnen ervaren als we ons met de figuren in haar schilderijen identificeren.


6.

 













7.














8.























KATALIN HERZOG, januari 2022


LIJST VAN AFBEELDINGEN:


1. ‘Deadline’, 2021, 73 x 103 cm.

2. ‘Cleaner’, 2021, 150 x 150 cm.

3. ‘Crying on a Hill’, 2020, 150 x 150 cm.

4. ‘Vista’, 2020, 200 x 200 cm. 

5. ‘Nine Seas Away’, 2022, detail, gehele afmeting van het werk: 11 x 2,10 m. 

6. ‘Nine Seas Away’, 2022, achterkant van de schilderij-installatie.

7. ‘Nine Seas Away’, 2022, detail.

8. ‘Nine Seas Away’, 2022, detail.


..............................................................................................................................................


INFORMATION ABOUT KAMILĖ ČESNAVIČIŪTĖ AND HER WORK*

 

Kamilė Česnavičiūtė (1996) is a painter who graduated at the Minerva Academy in Groningen. After graduation in 2019 she was invited by the Ron Mandos Gallery for the exhibition 'Best of Graduates'. In 2020 she was nominated and won the Sluijters prize for Dutch painting. While working in her studio she took part in several projects, group exhibitions and residencies. During lockdown she became co-manager and co-creator of Homescreen and later of Homezeen. In 2021 she received the Mondriaan Funds 'Artist Start' stipendium and in 2022 she had her first solo exhibition in gallery Block C in Groningen.

              

The large paintings of Kamilė show compositions of brightly coloured human figures in various situations. Sometimes there is a single figure, usually it is a group, whose members interact with each other or live next to each other without any real contact. Their body shapes appear compact and sculptural, while their faces, hands, and feet are more detailed. They are situated in spaces represented by colours or sketchy structures, where they can be accompanied by everyday utensils.  

              

It seems as if these figures try to tell us something – judging from their postures, gestures, facial expressions, and colours – but what they want to say is not immediately clear. The triggers for these paintings come from reality in which Kamilė finds herself. This can be her daily life and practice as a young artist, but also the everyday rudeness of road users or the gross injustices within the current capitalist system.


Her annoyances about situations and systems can turn into serious anger and spur her into action in two ways: by making paintings and gathering knowledge about the workings of systems, such as capitalism and reactions to it by feminism for example. Being aware of these is important to her because she wants to understand the social reality in which we live. Like many of her peers, Kamile is critical of her surroundings, but this attitude may also be coloured by her Lithuanian origins. Throughout the 20th century, this country was part of the Soviet Union; it only gained independence in 1990. Although Kamilė was born after that time, the sudden transition from a communist to a capitalist world that took place during her childhood may have fueled her critical attitude.

              

Concentration on large human figures ensures that her paintings are always more general and poetic than the triggers for them. Since childhood, Kamilė has drawn a lot and while at secondary school she attended an art school in Vilnius, where she learned to draw, paint, sculpt and became acquainted with contemporary art. Aged fourteen she decided to travel to the Netherlands because of its rich art tradition, and at the age of eighteen she came to study here. At that time Kamilė already had technical skills, but also wanted to ‘say something’ with her work and felt that she ‘did not yet have enough knowledge’ to do this. During her first years at the academy, she made detailed drawings with pencil of individual human figures and groups of people. Because she wanted to get rid of this skilful but rather meaningless way of working, she began to paint in the third year of her course. With large, coloured areas, she was able to work much faster and bring more coherence, atmosphere, and meaning to her work.

               

Once she started painting, her figures became more general by omitting individual facial features, hairstyles, and clothing. Figures may still wear shirts or trousers, but these now serve more as attributes – like the utensils – rather than the detailed clothes in her earlier drawings. Most specific in her paintings are the striking eyes of the figures, which indicate a direction of view, an emotion, or concentration.

               

As noted above, Kamilė’s paintings depict situations in which the figures seem to be trying to tell us something. What they want to say becomes clearer when we pay attention to what the artist emphasizes and omits in her work. Her human figures have a generic character because they are not distinguished by their skin colour, their gender, and their ages. But with the more specific situations   the artist shows us how people can behave and misbehave in social reality. In the paintings the emphasis on the basic equality of people is therefore accompanied by the inequalities that always arise in social reality and can lead to problematic situations.

               

Thus, Kamilė’s work is involved but never becomes didactic. She does not impose clear meanings on us, but makes poetic suggestions that we can follow, and the effects of which we can experience when we identify with the figures in her paintings.

 

KATALIN HERZOG, April 2022.  


* Dit is een samenvatting van de Engelse versie van zaaltekst die gecorrigeerd werd door Jenny Wilson.

 

woensdag 22 december 2021

EXPRESSIONISME ALS KOLONIALISME?

 

*

 


Kirchner en Nolde: Expressionisme Kolonialisme, een recente tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam, deed in de pers veel stof opwaaien. Er zou sprake zijn van een dwingend concept, beschuldigingen aan het adres van kunstenaars en het einde van het kunstmuseum.

 

De samenstellers wilden met deze tentoonstelling antwoorden krijgen op de vraag: hoe de expressionisten Ernst Ludwig Kirchner en Emil Nolde van 1908 tot 1918 ‘reageerden op de toe-eigening – en uitbuiting – van volkeren, leefwijzen en cultuuruitingen in de toenmalige [Duitse] koloniën…’. Het gaat hier dus niet alleen om de koloniale context van het expressionisme, maar ook en vooral om de morele houding van beide kunstenaars ten opzichte van het kolonialisme, waardoor de vraag heel ‘eigentijds’ wordt.

 

Dit werd ook duidelijk in het ruimtelijk concept dat Afaina de Jong voor de tentoonstelling maakte. De werken van Kirchner en Nolde moesten concurreren met grote, documentaire foto’s, lange, uitleggende teksten en artefacten uit gekoloniseerde gebieden.1) Het geluid van videopresentaties vulde de ruimten, terwijl woorden als Reveal, Reform en Challenge op poorten tussen de thematische gebieden, bezoekers op het uitgangspunt van de tentoonstelling moesten wijzen.

 

Geen gebruikelijke kunsttentoonstelling! De werken van de kunstenaars werden niet als vernieuwingen binnen de moderne kunst getoond, maar als documenten die in koloniale context racisme, uitbuiting en culturele toe-eigening konden onthullen. Hiermee wilden Dorthe Aagesen en Beatrice von Bormann, de samenstellers, een ‘donkerder, gewelddadiger laag’ aan de kunstgeschiedenis toevoegen, waarbij zij van het tegenwoordige kolonialisme-debat uitgingen.

 

Misschien zouden bezoekers door de drukte niet alles hebben meegekregen, maar in de catalogus zijn de tendensen van de tentoonstelling goed te volgen. Eerst wordt het ‘bekende’ verhaal verteld: Kirchner en Nolde wilden met hun werk ‘afstand nemen van de academische tradities, de burgerlijke samenleving en streefden naar een ‘natuurlijker’, ‘zuiverder’ en ‘eenvoudiger’ leven’. Maar volgens de schrijvers is dit een kunsthistorische constructie, omdat de kunstenaars die nieuwe soorten kunst en leven alleen door een koloniale bril konden waarnemen. Hun schetsen getuigen ervan dat zij etnografische musea, vol (geroofde) artefacten bezochten, Völkerschauen en circusvoorstellingen bijwoonden, waar mensen uit ‘primitieve’ culturen in ‘exotische’ omgevingen werden tentoongesteld. Bovendien nam Nolde in 1913 deel aan een medisch/demografische expeditie naar Nieuw-Guinea om de ‘raciale eigenaardigheden van de bevolking’ vast te leggen.2)

 

Verschillende schrijvers herhalen het streven van de expressionisten om culturen en leefwijzen van ‘natuurvolken’ na te volgen. Er zijn echter ook ‘aantijgingen’: de kunstenaars gebruikten hun, in de musea gemaakte, schetsen voor karikaturale afbeeldingen, misbruikten de ‘zwarte lichamen’ van modellen en eigenden zich de vormen van ‘primitieve’ artefacten toe. Ze volgden dus de culturele hiërarchie en de rassentheorie van het kolonialisme.

 

Kunnen Kirchner en Nolde als kolonialisten worden bestempeld, omdat zij etnografische musea bezochten en hun daar gemaakte schetsen voor hun werk gebruikten? Pleegden zij machtsmisbruik als zij in hun atelier zwarte modellen schilderden? En was Nolde in 1913 al een racist?3) Hiervoor bestaan geen harde bewijzen; wel is bekend dat Nolde het kolonialisme toen afkeurde. De aantijgingen zijn mogelijk, doordat de schrijvers het woord primitief alleen in de denigrerende betekenis van onbeschaafd opvatten. Primitief heeft echter ook de betekenis van oorspronkelijk, voortkomend uit de cultuurkritiek van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Hij beschouwde de Franse cultuur als gekunsteld en gaf voorkeur aan het natuurlijke leven van ‘primitieve' mensen.

 

Zo zagen ook de expressionisten de culturen waarmee zij via de koloniale ondernemingen in contact kwamen. Ontleningen van vormen aan ‘primitieve’ artefacten en ontmoetingen met ‘primitieve’ mensen voedden hun verlangens naar een nieuwe kunst en een eenvoudiger leven. Zij beschouwden zichzelf als ‘wilden’, maar sommige waarden golden in die tijd voor alle Europeanen. Elk land had of wilde koloniën en exotisme en primitivisme hadden al een langere geschiedenis.4)

 

De hierbij behorende waarden verdedig ik geenszins. Ze heersten echter in Europa en moeten door historici onderzocht worden om cultuur en kunst uit het verleden te begrijpen. Maar van mensen uit het begin van de 20ste eeuw kan men niet verwachten dat ze tegenwoordige waarden zouden aanhangen. Dat zo’n verwachting toch de achtergrond van deze tentoonstelling vormde, betekent een ‘vergrijp in de tijd', een anachronisme, dat historici gewoonlijk zwaar wordt aangerekend. Nu is het een praktijk geworden binnen sommige wetenschappelijke kringen die de ‘zonden’ van het verleden willen uitwissen, wat onmogelijk is.5) We kunnen ons alleen voornemen om dergelijke zonden niet meer te begaan.

 

KATALIN HERZOG

 

* Ernst Ludwig Kirchner, Frauenbildnis, 1911.

 

Deze column is gepubliceerd in de KunstKrant, Jg. 26, nr. 1, jan.febr. 2022, p. 9.

 

De onderstaande noten zijn hier na publicatie ter verduidelijking toegevoegd:


1. Hoewel de conservatoren van het Stedelijk hiertegen zouden protesteren gebruik ik de term artefact, omdat het begrip kunstwerk niet overeenkomt met opvattingen over ‘door mensen gemaakte objecten’ buiten Europa. Kunst is een Europees begrip dat een ontwikkeling kent van de aanduiding voor objecten die ‘kundig’ gemaakt waren door ambachtslieden naar ‘kunstwerken’, voortgebracht door ‘geniale kunstenaars’. Deze ontwikkeling kende zijn hoogtepunt in de 19de eeuw. 

Dit wil niet zeggen dat ik artefacten minderwaardig vind of over een kam wil scheren. Er zijn verschillende soorten artefacten en ze hebben ook kwalitatieve verschillen, maar die hebben met hun oorspronkelijke betekenissen, functies en contexten te maken en niet met de soorten en kwaliteiten die men in Europa aan deze artefacten toegekende.


2. Vanaf de late 18de tot aan het begin van de 20ste eeuw deelden etnologen de mensheid, op grond van geografische gebieden en uiterlijke kenmerken, in verschillende rassen in. Aan het begin van de 20ste eeuw was ‘ras’ nog niet zo’n beladen begrip als het tegenwoordig is. Omdat echter het Kaukasische (witte) ras aan de top van de raciale hiërarchie werd gesteld, gaf dat aanleiding tot de discriminatie van andere rassen die in de Tweede Wereldoorlog de meest vreselijke gevolgen heeft gehad. Tegenwoordig weten we dat er slechts een mensenras bestaat, de homo sapiens. De overige, zoals bijvoorbeeld de Neanderthalers, zijn uitgestorven hoewel ze nog in ons DNA voortleven.


3.  Exotisme als voorkeur voor het vreemde is een tegenhanger van angst voor het vreemde; xenofobie. Beide houdingen ontstonden door contacten (via handel, oorlogen of kolonisatie) tussen verschillende culturen. In de Europese kunst kennen we bijvoorbeeld de Chinoiserie (18de eeuw), het Oriëntalisme en het Japonisme (19de eeuw) als verschillende soorten exotismen. Het Primitivisme aan het begin van de 20ste eeuw kan eveneens als een exotisme gezien worden. De ideeën van Rousseau (18de eeuw) over de oorspronkelijkheid en onbedorvenheid van primitieve volkeren vormen het ideaal dat de basis is van het  20ste eeuwse Primitivisme. 


Een belangrijk kenmerk van exotisme is dat Europeanen meestal van hun eigen idealen uitgingen en alleen oppervlakkige kenmerken van artefacten of culturele verschijnselen uit buiten-Europese gebieden overnamen. Ze hadden zo goed als geen kennis van de oorspronkelijke betekenissen, functies en contexten van de artefacten of andere culturele verschijnselen die ze 'gebruikten'. Dit is een eurocentrische en van empathie gespeende houding die vermeld moet worden, maar achteraf niet gecorrigeerd kan worden.

 

4.  Dat Nolde in 1913 een racist was (in de koloniale zin), is niet bewezen. Wel had hij antisemitische neigingen.* In 1909 werd zijn schilderij ‘Phingsten’ voor een tentoonstelling van de Berliner Secession afgewezen. Nolde voelde zich gekwetst en gaf de schuld voor de negatieve ontvangst van zijn werk aan de door ‘joden gedomineerde’ kunstinstituten en pers. In de jaren dertig werd Nolde lid van de Deense nazipartij en bleef tot het einde van de Tweede Wereldoorlog de nazi-ideologie aanhangen. Toch kreeg zijn werk in 1937 een prominente plaats op de door de nazi's georganiseerde tentoonstelling Entartete Kunst en in 1941 werd hem een ‘beroepsverbod’ opgelegd. Na de oorlog werd zijn antisemitisme toegedekt en gold hij als een slachtoffer van de nazi’s. 


Hier is de gecompliceerdheid en rommeligheid van het verleden goed te zien. Wil een historicus de geschiedenis op een eerlijke manier beschrijven, dan moet zij/hij hiermee rekening houden. 


* Antisemitisme is een 19de -eeuws begrip dat haat tegen joden betekent. Naar aanleiding van de nazi-ideologie en de gevolgen daarvan wordt het tegenwoordig gelijkgesteld met racisme. Maar antisemitisme als houding komt al vanaf de oudheid voor en had vooral een godsdienstige basis. De verspreiding van de joden over de aarde, diaspora genoemd, begon al in de oudheid en was zeer hevig in de 1ste en 2de eeuw als gevolg van de joodse opstanden tegen de Romeinen. Waar de verdreven joden zich ook vestigden, kregen ze beperkingen opgelegd, werden ze slachtoffers van discriminatie en functioneerden ze vaak als zondebok.


5.  Het letterlijk corrigeren van het verleden hoort niet thuis in westerse musea die in de 19de eeuw zijn opgericht om de overeenkomsten en verschillen tussen heden en verleden te bestuderen en aan bezoekers te tonen. Toch gebeurde dit in de catalogus bij deze tentoonstelling letterlijk door het 'verbeteren' van titels van kunstwerken. Indien die titels vroeger door musea aan kunstwerken zijn gegeven, zou het corrigeren verdedigbaar zijn om te laten zien dat musea tegenwoordig hun koloniaal en racistisch verleden achter zich hebben gelaten. Als de titels echter door de kunstenaars zelf aan hun werken zijn gegeven, is het ontoelaatbaar dat de tentoonstellingsmakers deze titels corrigeren, ook al worden de originele titels soms tussen haakjes vermeld. Met zulke correcties grijpen musea in het werk zelf in, aangezien titels en werken in de kunstgeschiedenis bij elkaar horen. Een hieraan verwante ingreep, het doorstrepen van woorden, werd in de catalogus toegepast bij sommige citaten van kunstenaars. In wetenschappelijke kringen was iets dergelijks tot voor kort onmogelijk; ook nu nog kan het gelden als geschiedvervalsing. 

woensdag 10 november 2021

‘AARDE’ IN DE TWEEDE KAMER


*


 
























Op het journaal verscheen Mark Rutte voor een wand van kluiten aarde. Langzaam drong het tot mij door dat hij in het parlement stond. De Tweede Kamer op het Binnenhof wordt gerenoveerd, waardoor alles naar het vroegere Ministerie van Buitenlandse Zaken verhuisde. Behalve de paars-rode schilderijen die Rudi van de Wint in de jaren negentig voor de plenaire zaal maakte en die soms als een Hollands landschap worden opgevat. Het werk bleek te hoog voor de tijdelijke zaal en vanwege de percentageregeling kon bij de verbouwing een nieuw kunstwerk worden besteld.

 

De kunstcommissie van de Tweede Kamer gaf deze opdracht aan de filmmaker Jos de Putter die ging ‘onderzoeken’ hoe hij kluiten grond uit heel Nederland op verticale panelen kon vastzetten. Volgens De Putter vertellen zijn vijf panelen, samen Aarde genoemd, een ‘geschiedenis’ vanaf de onbewerkte grond tot aan de omgeploegde aarde. De aarde wordt van buiten naar binnen gehaald om haar met nieuwe ogen te bekijken. Zij staat rechtop, zodat zij kan meekijken met wat er in het parlement gebeurt en kan uitnodigen om over de verhouding van mens en planeet na te denken.

 

Op de sociale media begon het moddergooien met de benoeming ‘klimwand’ en het ‘vastlopen van de formatie in de modder’. Sommigen klaagden over de 200.000 euro die de modder had gekost, maar anderen vonden dat we over kunst niet moesten oordelen. Dat over kunst niet geoordeeld kan en mag worden, is wijdverbreid in Nederland. We kunnen het niet, omdat kunst persoonlijk is en we mogen het niet, omdat kunst verheven is. Deze bejaarde ideeën worden steeds herhaald, terwijl er voortdurend over kunst geoordeeld wordt. Laten we eens kijken of over Aarde te oordelen valt.

 

De Putter maakt verstilde filmbeelden, onder andere over het voorbijgaan van de tijd in het Hollands landschap. Daarom koos de kunstcommissie hem als pendant van Van de Wint. Toen de videowand Hollands licht die hij eerst wilde maken, niet doorging, belandde hij van de hemel op aarde. Maar filmen of stilstaand werk maken zijn verschillende disciplines. Tijdsverloop en beweging zijn reëel in filmbeelden, terwijl ze in stilstaande beelden gesuggereerd moeten worden. Er zijn kunstenaars die beide disciplines aankunnen, maar dit geldt niet voor De Putter. Hij heeft nooit eerder een ‘sculptuur’ gemaakt en had moeite met het vertellen van zijn verhaal. De oorzaak hiervan wordt duidelijk bij vergelijking van zijn werk met dat van Van de Wint.

 

Alle vijf schilderijen in de Tweede Kamer zijn met elkaar verwant door hun kleuren, vormen en hun licht-donker werking. Ze zijn aangebracht op coulissen-wanden, waarbij smallere delen van de schilderijen op de volgende coulissen doorgaan. De wanden zijn schuin geplaatst, waardoor ze de cirkelvorm van de banken voltooien. Alles werkt samen om tijdsverloop en beweging te suggereren, zodat de abstracte schilderijen van Van de Wint een ‘verhaal’ over parlementaire grandeur kunnen oproepen.

 

De panelen van Aarde zijn op een vlakke wand aangebracht en hoewel ze alle aardkleuren hebben, verschillen hun tonen te veel van elkaar om een geheel te vormen. Het derde paneel zou in het midden moeten staan, maar wordt voorafgegaan door een groot hiaat, omdat daar een zuil voor de muur staat. De Putter werd dus door de architectuur tegengewerkt om zijn verhaal te vertellen. Er zijn echter meer redenen, waarom zijn boodschap niet overkomt.

 

Bij het maken van documentaires past De Putter filmische kunstgrepen toe om het verloop van een verhaal te verbeelden. Nu richtte hij zich direct op de materie, maar gebruikte geen beeldende kunstgrepen om tijdsverloop en beweging te suggereren. Daarom wordt in Aarde de grond niet tot een verhaal getransformeerd. Noch de composities noch de opstelling van de panelen suggereren dat er ‘grond’ naar binnen werd gehaald om mee te kijken met het parlement en dat de ‘aarde’ mensen uitnodigt om over relaties tussen mens en planeet na te denken.

 

Hier is veel misgegaan. De kunstcommissie hield te veel vast aan het idee van het Hollands landschap en vertrouwde op de reputatie van De Putter als filmmaker die niet overeenkwam met zijn mogelijkheden om een stilstaand kunstwerk te maken. Toch is er iets gebeurd wat in geen ander land mogelijk is: een parlement zonder vlaggen, wapenschilden of ander nationalistisch vertoon, maar met het tonen van de Hollandse aarde zelf. Helaas in de vorm van een kneuterig werk, maar ook dat is erg Hollands.

 

KATALIN HERZOG



* Voor het plaatsen van deze foto werd toestemming gevraagd en verkregen van de fotograaf, Dirk Hol. 


* Onlangs zag ik dat er een miezerige vlag op kleine afstaand van Aarde is opgesteld. In 2017 vroegen de kamerleden van de SGP en PVV in een motie om in het parlement een 'symbool voor de natie' op te stellen, zoals dat in veel andere landen gebruikelijk is. Helaas! 


Deze column werd gepubliceerd in de KunstKrant, 25ste Jg. nr. 5, november/december 2021, p. 13.