zaterdag 17 april 2010

EEN KWESTIE VAN INHOUD



INLEIDING

Tijdens zijn colleges moderne kunst aan de Rijksuniversiteit Groningen gebruikte Hans Locher veelvuldig het analyseschema van zijn leermeester Henri van de Waal, waardoor inhoud, vorm en functie van het kunstwerk besproken konden worden. Hoe bedreven hij ermee omging en hoe fascinerend dit schema voor mij ook was, het riep vele vragen op. Het was duidelijk dat de drie componenten altijd samen bekeken dienden te worden, maar ik had de neiging om ze afzonderlijk te beschouwen. Dit kwam mede doordat ik de termen en hun verband niet helemaal begreep. 'Vorm' en 'functie' leverden aanvankelijk weinig problemen op, maar ik wist niet wat met de 'inhoud' van het kunstwerk bedoeld werd. Waren 'functie' en 'inhoud' niet ongeveer hetzelfde? Hoe zorgde de maker ervoor dat de 'inhoud' in het werk kwam en hoe haalde de beschouwer die er weer uit? Was 'inhoud' hetzelfde als de som van alle betekenissen in het werk? Dergelijke vragen bleven mij bezig houden.

Toen ik verder ging nadenken over de 'inhoud' stootte ik op fundamentele problemen. Ik begon eraan te twijfelen of Van de Waal het schema op dezelfde wijze gebruikte als Locher. Daarom ging ik eerst na wat Van de Waal ermee bedoeld kon hebben. Nu had ik een nadeel ten opzichte van Locher; hij heeft zijn leermeester immers in levende lijve meegemaakt, terwijl ik alleen beschikking had over diens publicaties. In Vormgeving en structuur, zijn proefschrift, vermeldt Locher dat Van de Waal zich in zijn colleges vrijer voelde en daarom duidelijker was dan in zijn geschriften.1) Na het lezen van Van de Waals publicaties, denk ik toch dat ik op het spoor ben van één van de bronnen van mijn onbegrip.

In Traditie en Bezieling, zijn inaugurele rede, benadrukt Van de Waal dat hij de iconologie toegevoegd wil zien aan de beoefening van de kunsthistorie in Nederland. Haar taak ziet hij als: 'bestudering van de functie, die "het beeld" (de af- of uitbeelding) in een bepaalde samenleving vervult'.2) Leest men echter zijn hele rede, dan blijkt dat hij met functie waarschijnlijk de 'inhoud' bedoelt, of nauwkeuriger: 'het gesloten geheel' dat de kunstenaar via een persoonlijke interpretatie van de traditie van de kunst en van de algemene aspecten van de menselijke existentie in het kunstwerk tot stand brengt.3) Daarmee komt hij dicht bij E. Panofsky, volgens wie de iconologie tot taak heeft om tot 'de wezenlijke betekenis of inhoud' van kunstwerken door te dringen.4)

Locher brengt in Vormgeving en structuur de opvattingen van Van de Waal in verband met de visies van Claude Lévi-Strauss op kunst. Voor Lévi-Strauss is kunst een vorm van structurering van de werkelijkheid : 'het gebeuren, waarin wij als mensen geplaatst zijn'. Structurering betekent 'met betekenissen laden' van het 'gebeuren', dat daardoor in het kunstwerk kan worden vastgehouden.5) Maar bij Lévi-Strauss zijn de functies van kunst het belangrijkst. Het kunstwerk ziet hij als een 'miniatuur-model' van een knutselaar, waardoor het werk ook een cognitieve functie heeft om de werkelijkheid te leren kennen.6) Ook kan kunst een realisering zijn van maatschappelijk niet toegestane verlangens.7) Geheel volgens zijn structuralistische uitgangspunten, blijkt in zijn analyse van kunstwerken dat Lévi-Strauss de algemene functie van kunst gelijk acht aan die van de mythe, namelijk het bijeenbrengen en opheffen van de fundamentele tegenstellingen die voortkomen uit de structuur van de menselijke geest.8) Een van de oorzaken van mijn onbegrip van het schema van Van de Waal, zoals Locher dat interpreteerde, tekent zich nu af. De term functie bij Van de Waal en bij Lévi-Strauss kent nuanceverschillen. Terwijl het begrip bij de eerste tendeert naar de 'inhoud', heeft het bij de tweede eerder de betekenis van 'bestaansrecht' of 'doel' van kunst, zowel in een samenleving als voor de hele mensheid.

Nu had Locher wel oog voor deze discrepantie, toen hij Van de Waal karakteriseerde als een 'puur kunsthistoricus' die het gaat om 'het verstaan van de kunstwerken zelf' en niet om kunst als 'manifestatie van een grondstructuur', zoals een culturele antropoloog het zou benaderen.9) Hoewel Locher zijn proefschrift zowel op Lévi-Strauss als op Van de Waal baseert, kreeg ik de indruk dat het in zijn colleges vooral om het verband tussen vorm en inhoud van kunstwerken ging. Dit had er ook mee te maken dat hij voornamelijk moderne en eigentijdse kunst behandelde met een, binnen de westerse kunst vanzelfsprekende, esthetische functie. Maar hiermee waren mijn vragen betreffende de 'inhoud' nog niet beantwoord.

Toen ik verder ging zoeken, bleek dat Locher mij al ingrediënten voor de antwoorden had aangereikt. Toch heb ik zelf nog enig theoretisch en praktisch werk moeten verrichten. Ik ging op zoek naar het proces van interpretatie van hedendaagse kunstwerken en bestudeerde de vorming van taal- en beeldmetaforen, waarbij ik dankbaar gebruik maakte van Lochers verwerking van het denken van Max Black en Nelson Goodman.10) Door atelierbezoek en gesprekken met kunstenaars kreeg ik ook zicht op het proces van 'betekenismaken' in de praktijk. Hierop voortbouwend, wil ik nu ingaan op theorieën die de betekenisdragende elementen van kunstwerken benoemen en hun transformatieprocessen en organisaties behandelen. Vervolgens zal ik aangeven hoe deze elementen in een historisch kader passen, waarna ik terugkeer tot de term 'inhoud', om deze verder te problematiseren.

Om misverstanden te voorkomen, wil ik opmerken dat de theorieën die ik hier gebruik, voortkomen uit het denken van theoretici en dat kunstenaars ze niet als 'handleidingen' voor het maken van kunst gebruiken. Net als anderen, leven kunstenaars temidden van betekenissen en 'maken' ze ook voortdurend nieuwe. Door hun aanleg en gespecialiseerd werk, zijn ze echter vaak meer alert op het transformeren van betekenissen en zoeken ze deze activiteit expres op. Zij zijn dus experts in het 'maken' en 'vermaken' van betekenissen.11) Laten we eens kijken met welke elementen kunstenaars ‘betekenissen maken’ en hoe zij deze transformeren in kunstwerken.

VORMING EN TRANSFORMATIE VAN BETEKENISDRAGENDE ELEMENTEN

Theorieën die vooral van toepassing zijn op betekenissen in taal, zoals de semiotiek, kennen hun beperkingen als ze voor beelden worden gebruikt. Zo meent Richard Wollheim dat een van de problemen van de taal-beeld analogie hierin gelegen is dat, terwijl in taal betekenissen tot stand komen, doordat kleine eenheden via syntaxis en semantiek gecombineerd worden in grammaticaal correcte gehelen, beelden niet op te delen zijn in onderdelen die wel of niet correct bijeengevoegd kunnen worden.12) Hoewel hij op het niveau van de 'grammatica van beelden' gelijk heeft, is de semiotiek wel te gebruiken als zij verbonden wordt met de retorica en interpretatie. Dan biedt zij ook inzicht in de transformatie en de interpretatie van de betekenisdragende elementen bij beelden.

Daarvoor wend ik mij nu tot Rudi Kellers boek Zeichentheorie.13 ) De semiotische theorie die hierin wordt uiteengezet, is een combinatie van ideeën uit verschillende bronnen (vooral van Ferdinand de Saussure en Charles Sanders Peirce), maar door zijn samenvattend vermogen is hij zeer geschikt om mij instrumenten te bieden. Keller is uit op een taaltheorie die echter gebaseerd is op een algemene tekenleer en daardoor geschikt is om het karakter en de werking van beeldende tekens achterhalen.

Net als andere semiotici, gaat Keller ervan uit dat mensen in staat zijn om al het waarneembare als tekens te interpreteren en dat zij dit onder andere gebruiken om te communiceren. Dit gebeurt direct in de dagelijkse omgang met elkaar, maar dezelfde mogelijkheden kunnen mensen ook inzetten om fictieve werelden te maken (bijvoorbeeld in de beeldende kunst). Keller gaat uit van een pragmatische, retorische visie op communicatie. Het communicatieproces ziet hij niet als een transportprobleem van zender, boodschap en ontvanger, maar als een retorisch/logisch probleem: het voortbrengen van zintuigelijk waarneembare zaken om anderen te 'verleiden' tot interpreterende gevolgtrekkingen. Behalve aan de communicatie, besteedt Keller veel aandacht aan de metamorfose van tekens, wat voor het begrip van 'betekenismaken' in kunstwerken belangrijk is.

Zowel de directe als de indirecte communicatie geschiedt door middel van tekens die niet als containers van betekenis moeten worden opgevat. Betekenis is gebaseerd op de systematische samenhangen, waardoor de tekens gevormd en geïnterpreteerd worden. Keller onderscheidt drie van deze samenhangen: 'oorzaak, gelijkenis en regel'. Aansluitend op de terminologie van Peirce noemt hij de hierbij behorende drie manieren om tekens te vormen en te interpreteren het symptomatische (bij Peirce het indexicale), het iconische en het symbolische proces. De eerste maakt gebruik van causale, de tweede van associatieve en de derde van op regels gebaseerde gevolgtrekkingen.

Het 'symptoom' dat bij het eerste proces hoort, is eigenlijk nog geen teken. Gapen kan bijvoorbeeld een symptoom zijn van verveling. Symptomen worden echter niet met opzet gemaakt en zijn pas tekens als wij ze interpreteren. Er zijn drie soorten symptomen: een deel van een geheel kan een symptoom zijn, waaruit iets over het geheel kan worden afgeleid, een spoor van iets of iemand kan een symptoom zijn, omdat een relatie kan worden gelegd met de oorzaak of de veroorzaker, een middel kan een symptoom zijn om eruit af te leiden dat men een doel wil bereiken. Degene die een symptoom interpreteert, maakt een causale gevolgtrekking.

Anders dan een symptoom is een 'icoon' van het begin af een teken dat als communicatiemiddel dient. Iconen worden in de semiotiek gedefinieerd op grond van de gelijkenis tussen het teken en datgene waarnaar het verwijst. Hoewel sommige denkers hiertegen bezwaar hebben aangetekend, meent Keller dat we hier van gelijkenis kunnen spreken, als we het begrip maar niet al te letterlijk opvatten.14) Het gaat namelijk niet om de mate van gelijkenis. Iconische tekens werken eerder als impulsen tot associaties; ze verleiden daartoe. De associatie om tot een interpretatie te komen, is niet aan bijzondere kennis of aan regels gebonden, maar wordt door Keller opgevat als een 'vrije inval'. Een icoon is dus een 'impuls tot associatie' die voor zijn interpretatie echter sterk afhankelijk is van een context.

Volgens Keller is dat anders bij een 'symbool'. Dit teken kan slechts geïnterpreteerd worden op grond van kennis van de regel, volgens welke het meestal gebruikt wordt. In de communicatie weten we onder welke omstandigheden en tot het bereiken van welk doel een symbool inzetbaar is. We komen dus tot de juiste interpretatie van een symbool op grond van kennis van de 'gebruiksregels' ervan. Die regels staan niet vantevoren vast, maar worden in de communicatie geleerd als tekens steeds weer op dezelfde manier gebruikt worden.

Tot zover voegt Keller niets nieuws toe aan de semiotiek. Maar zoals hiervoor vermeld, legt hij sterk de nadruk op de metamorfose van tekens, waarbij hij de semiotiek en de retoriek nog sterker met elkaar verbindt.15) Alle tekens kunnen in de communicatie (en bij het maken van fictieve werelden) van karakter veranderen. Symptomen kunnen door simulatie iconen worden. Gapen kan een symptoom zijn van verveling, maar als iemand het gapen simuleert om zijn verveling aan een ander kenbaar te maken, wordt het een icoon. Ook is het mogelijk om symptoom te ensceneren. Een dure auto kan een symptoom zijn van rijkdom, maar als men een 'dure' auto tweedehands koopt en voor zijn deur parkeert, kan het een symbool van rijkdom worden. Zoals gezegd, kan een icoon door regelmatige herhaling in een symbool veranderen als de 'gebruiksregel' ervan doordringt tot de collectieve kennis. Als een icoon in een symbool verandert, wordt het minder afhankelijk van gelijkenis en dus minder context-gebonden. Een symbool met een iconisch verleden, zoals het woord koekoek, heeft een groot voordeel: het benoemt de vogel en toont tegelijkertijd een eigenschap ervan, waardoor het een grotere semantische dichtheid bezit dan bij gewone symbolen het geval is.

Symptomen kunnen dus in iconen of in symbolen veranderen en ook iconen kunnen in symbolen worden omgezet, als ze vaak gebruikt worden. In de communicatie ondergaan tekens een toenemende symbolisering. De omgekeerde weg is bijna onmogelijk. Een symbool of een icoon kan niet meer een symptoom worden, want als men een teken expres toepast, houdt het op een symptoom te zijn. Zolang een symbool regelmatig gebruikt wordt, kan het geen icoon worden; gebruik frist namelijk kennis van de regel voortdurend op. Indien een symbool in onbruik raakt en men de regel vergeet, is er eerder sprake van een nieuwe icoon dan van een symbool dat in een icoon veranderd is.

Door frequent gebruik in de communicatie worden dus alle tekens vaster van vorm. Volgens Keller is er echter een mogelijkheid om symptomen, iconen en symbolen, als het ware bovenop de drie basistekens te vormen. In een proces van verdere symbolisering worden 'metatekens' geconstrueerd met rijkere betekenissen. Wanneer men op symbolen die uit symptomen voortkomen het symptomatische (causale) proces toepast, verkrijgt men metonymieën, zoals bijvoorbeeld in de zin: 'duizend zeilen naderen de kust'. Indien men op symbolen die uit iconen voortkomen het iconische (associatieve) proces toepast, verkrijgt men metaforen, zoals bijvoorbeeld in de zin: 'Egon is een papegaai' (Egon is hier een mens). De metonymische en metaforische processen zijn ook te combineren. 'Hij is een leeghoofd' is een metaforische metonymie en 'hij is het boegbeeld van de firma' is een metonymische metafoor. Zelfs symbolen ontkomen niet aan verdergaande symbolisering, als ze geciteerd worden.

De hier samengevatte theorie van Keller is sterk gericht op de vorming en transformatie van tekens binnen de dagelijkse communicatie in taal. De schrijver benadrukt dat wie slechts verstaan wil worden, gebaat is bij een vrij letterlijk taalgebruik, maar hij zegt ook dat er bij communicatie meer komt kijken. Het is niet alleen belangrijk om te zeggen wat men te zeggen heeft, maar ook om te bereiken wat men bereiken wil. Voor dit retorisch doel maken mensen vaak gebruik van metaforen of metonymieën, ook wanneer voor dezelfde begrippen letterlijke uitdrukkingen voorhanden zijn. Want beeldspraak is onder andere expressief. Het voordeel hiervan werkt Keller verder uit voor de metafoor.

Metaforen worden (in de retorica) vaak als verkorte vergelijkingen gezien, maar dat is onjuist. Als men zegt 'Egon is een papegaai', wordt een mens niet met een papegaai vergeleken, maar als het ware via een bepaalde 'aspect' van de papegaai-achtigheid (imitatievermogen of bonte kleding) gezien.16) De metafoor zet ons aan om Egon als een papegaai te zien en is daardoor expressief. Verder definieert Keller de metafoor als een 'kennismodel'. Vaak vormen metaforen namelijk de enige mogelijkheid om iets abstracts of emotioneels te bespreken, maar ook in verband met concrete zaken leveren ze meer kennis op. Keller ziet metaforen als 'iconische karakteriseringen' die de expressiviteit en informatiedichtheid van begrippen vergroten. De associatieve gevolgtrekking, die ook bij metaforen hoort, zorgt eveneens voor een verrassingseffect, dat vooral in nieuwe metaforen blijkt.

Hoewel beeldende kunstwerken niet geheel volgens dezelfde principes zijn 'gebouwd' als talige vormen, kunnen 'symptomen', 'iconen' en 'symbolen' er met gemak in worden onderscheiden. Voor de transformaties van tekens is Kellers metamorfose, samen met een meer uitgebreide metafoortheorie goed te gebruiken.17) Maar de door Keller genoemde tekens en hun metamorfoses zijn zowel in de dagelijkse communicatie als in alle kunstwerken te vinden. Voor een goed begrip van 'betekenismaken' in deze context moeten de tekens meer met de 'wereld van de beeldende kunst' geassocieerd en historisch ingebed worden. Bovendien dienen de procédés om combinaties en organisaties te maken aan de orde te komen om te achterhalen hoe in het beeldende kunstwerk betekenissen met elkaar verbonden worden. Aangezien een uitgebreide behandeling een te grote uitwijding zou betekenen, geef ik hier slechts een globaal beeld aan de hand van voorbeelden uit de moderne en hedendaagse kunst.

HISTORISERING EN PROCEDÉS

De kunst van de avant-garde aan het begin van de twintigste eeuw was heterogeen. Achteraf bekeken, tekenen zich hierin echter wel enige gemeenschappelijke uitgangspunten af. Het verbreken van de banden met de westerse traditie en het zoeken naar 'primitieve', metafysische en utopische betekenissen, leidde tot het verlaten van conventionele beeldende symbolen en het omarmen van nieuwe iconen. Na de Tweede Wereldoorlog kwam daar een weigering van betekenissen bij die in de minimal art gerealiseerd leek te worden. Nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, blijkt dat geen van deze veranderingen exclusief is blijven bestaan. Ze hebben de beeldende kunst wel beïnvloed, maar de huidige kunst is niet meer gebonden aan de waarden van de avant-gardes.18)

Kunstenaars kunnen tegenwoordig weer conventionele symbolen toepassen, naast symbolen en iconen uit de romantische kunst en uit de populaire cultuur als film. televisie, internet, stripverhaal en reclame. De populaire cultuur vormt een rijke bron van 'materiaal'. Hierin zijn vele commerciële iconen, symbolen ontstaan en de populaire cultuur heeft oudere symbolen vaak in een geseculariseerde en profane vorm bewaard.

Verbonden met de bovengenoemde tekens werden sinds het begin van de twintigste eeuw in toenemende mate ook de 'uiterlijke eigenschappen' van beelden betekenisvol. Kleur, lijn en vorm werden binnen de abstracte kunst in staat geacht zelf betekenis te dragen, zonder conventionele afspraken of ingebedding te zijn in onderwerpen en thema's. Niet alleen de eigenschappen van beelden, maar ook van de artistieke middelen werden na de Tweede Wereldoorlog betekenisvol. Vooral binnen het abstract expressionisme in Amerika en de fundamentele schilderkunst in Europa werden de eigenschappen van deze middelen gethematiseerd. Op dit moment wordt het medium van het internet door kunstenaars op zijn betekenismogelijkheden onderzocht.

Na de Tweede Wereldoorlog gingen kunstenaars ook materialen gebruiken die oorspronkelijk niet tot de middelen van de kunst behoorden. Zo werden bijvoorbeeld steenkool, vet of bloed voor kunstwerken gebruikt, vanwege de natuurlijke, culturele en/of voor de kunstenaar persoonlijke betekenissen. De betekenismogelijkheden van de eigenschappen van beelden en van de artistieke middelen staan tussen symbolen en symptomen in. Sporen van het werkproces zijn echte symptomen die vanaf het expressionisme een belangrijke rol spelen in de beeldende kunst. Sinds de jaren vijftig van de twintigste eeuw werden de sporen van het werkproces zelf betekenisvol. En hedendaagse kunstenaars kunnen handelingen en gereedschappen die sporen achterlaten verder modificeren en symboliseren. Zij kunnen ook hun werkproces ritualiseren en hun middelen verbinden met persoonlijk getinte, existentiële betekenissen.

Terwijl het spoor als symptoom met het werkproces in verband kan worden gebracht, heeft het symptoom als deel van een geheel meestal te maken met de getoonde beelden of de in het kunstwerk opgenomen dingen. Dergelijke gesymboliseerde symptomen en metonymieën zijn meestal fragmenten van een beeld of een ding die een belangrijke functie vervullen in de kunst. Sinds de romantiek hebben fragmenten zowel een ontologische als een esthetische betekenis: ze verwijzen naar het fragmentarische karakter van de werkelijkheid, en naar de schoonheid van het fragment zelf.19) Fragmenten van allerlei soort zou men dan ook als het meest voortkomende 'materialen' kunnen zien van de hedendaagse kunstenaar.

Nu enkele betekenisdragende elementen globaal in een historisch kader zijn geplaatst, is het van belang om iets te zeggen over hun combinaties en organisaties. Hoewel er voor beelden geen equivalent bestaat voor de grammatica in de taal, bepaalden thema's, genres en kunstsoorten tot in de negentiende eeuw de grenzen van betekeniscombinaties in beelden. De in de zeventiende eeuw zorgvuldig opgebouwde hiërarchie van hoge en lage genres met de daaraan gekoppelde onderwerpen en thema's is echter in de twintigste eeuw ingestort. Genres in de schilderkunst als het figuurstuk, landschap, portret en stilleven bestaan nog wel als termen, maar ze zijn als het ware lege 'symbolen' geworden die kunstenaars kunnen vermengen en met nieuwe betekenissen kunnen 'vullen'. Thema's ondergingen hetzelfde lot. Een hedendaagse kunstenaar kan bijvoorbeeld een thema als de 'kruisiging' gebruiken, maar hij past dit wel toe samen met andere, meestal persoonlijke symbolen, waardoor het een gewijzigde betekenis krijgt. Sinds de grenzen tussen de kunstvormen in de negentiende eeuw, en nog radicaler na de Tweede Wereldoorlog, overschreden werden, kan alles met elkaar in verband worden gebracht. Schilderkunst en beeldhouwkunst zijn bijvoorbeeld in installaties opgenomen en schilderkunst en textielkunst worden met elkaar vermengd. De grenzen tussen de zogenaamde 'vrije en 'toegepaste' kunsten worden steeds vaker overschreden. Hoog en laag, verheven en banaal zijn inmiddels veelvuldig met elkaar gecombineerd.

Ondanks het ‘oplossen’ van de conventionele kaders is er toch een overheersende manier aan te wijzen in de moderne en hedendaagse kunst om combinaties en organisaties te maken. Aan het begin van de twintigste eeuw werd het combineren van fragmenten uit vele contexten in de collages van de kubisten tot een algemeen procédé verheven. De collage is niet alleen een beeldende techniek, maar ook een probaat middel om met behulp van reeds betekenisdragend materiaal nieuwe betekenissen te verkrijgen. Collage, met de eraan verwante fotomontage en assemblage, is het procédé dat hedendaagse kunstenaars bij uitstek gebruiken om 'betekenissen te maken'. De combinaties beperken zich echter niet tot de traditionele westerse genres, thema's en kunstvormen. Zowel de hele westerse als de niet westerse kunst en de uitgebreide beeldproductie van de populaire cultuur, staat hedendaagse kunstenaars ter beschikking.

Vóór alles is de hedendaagse kunst dus een product van deze ver doorgevoerde 'ars combinatoria', terwijl de kunstenaar meer dan ooit een 'knutselaar' of een 'allegoricus' is. Volgens Lévi-Strauss verzamelt de knutselaar (‘bricoleur’) heterogene materialen en gereedschappen en hij gebruikt deze om miniatuur-modellen te construeren.21) De allegoricus is, volgens W. Benjamin, iemand die fragmenten uit diverse historische contexten verzamelt, deze bij elkaar voegt en daar willekeurige betekenissen op projecteert. De fragmenten vat hij op als delen van een nog verborgen, nieuwe orde.22) Deze werkwijzen, waarbij van bestaande fragmenten 'iets' anders wordt gevormd, zijn niet nieuw, maar de radicaliteit en veelvuldigheid waarmee men deze procédés tegenwoordig toepast, hebben verstrekkende gevolgen voor de ontologie van het kunstwerk. Een hedendaags werk kan namelijk niet meer als een 'gesloten geheel 'gekarakteriseerd worden. Eerder is het een meer of minder tijdelijk 'conglomeraat' dat ook uit elkaar kan vallen. Dit heeft consequenties voor de betekenis en het gebruik van de term 'inhoud', waarop ik hierna zal ingaan.

TERUG NAAR DE ‘INHOUD’

'De inhoud van het kunstwerk' acht ik om diverse redenen een problematische omschrijving. Tegen het gebruik van 'inhoud' in verband met beeldende kunst heb ik algemene en historische bezwaren. De algemene houden in dat 'de inhoud van het kunstwerk' gebaseerd is op de metafoor 'kunstwerken zijn containers', waardoor aan de term de voor- en nadelen van zijn metaforische oorsprong blijven kleven. Door kunstwerken als containers op te vatten, kan er een vorm en een inhoud onderscheiden worden, maar dit kan de gebruiker van de metafoor er ook toe verleiden om beide te scheiden. Dan lijkt het alsof een kunstwerk als een fles leeggegoten kan worden om de 'inhoud' te verkrijgen. Maar wat te doen met de lege vorm en de vormloze inhoud?

Dat de term 'inhoud' tot dergelijke fouten bij de benadering van kunstwerken kan leiden, is helaas in kunstkritieken en ook historische studies te merken. In verband met moderne en hedendaagse kunst pleit ik ervoor om niet over inhoud, maar over 'betekenissen' te spreken. Voor deze meervoudsvorm is welbewust gekozen. Bij de analyse van kunstwerken is die ene 'wezenlijke betekenis of inhoud', waarnaar de iconologie op zoek is, slechts met veel moeite te construeren. De 'mogelijke betekenissen' die men wel vindt, komen pas in de interpretatie naar voren en blijken dan meer of minder prominent te zijn. Het interpretatieproces is zeer belangrijk voor de 'betekenissen' van het kunstwerk; deze liggen dus niet alleen bij de maker. Tekens, uit zeer verschillende bronnen, zijn wel door hem in het kunstwerk opgenomen, getransformeerd en georganiseerd, maar slechts in de interpretaties van het werk worden de betekenissen steeds opnieuw 'geactualiseerd' en daardoor veranderd.22)

Het probleem met term ' inhoud' komt dus mede voort uit de ambiguïteit van betekenissen. Moderne en hedendaagse kunstwerken zijn door het gebruik van de hierboven beschreven procédés in hoge mate ambigue. Het is namelijk de bedoeling dat het werk tot interpretatie uitnodigt, dat het verleidt tot betekenisvorming. Dit doen alle kunstwerken, maar de moderne en hedendaagse kunst is , zoals Umberto Eco beweert, extreem 'open'. Het is zeer 'betekenisvol'; de interpretatie ervan leidt echter niet tot conventionele symbolen.23) Extreme ambiguïteit is een wezenskenmerk van de moderne en hedendaagse kunst.

Ambiguïteit is vooral in taal onderzocht en wordt meestal aangemerkt als een karakteristiek van poëzie. Nu is meerduidigheid een normale eigenschap van alle taaluitingen, waardoor taal in zeer verschillende contexten kan functioneren. Taalgebruikers in het algemeen en dichters in het bijzonder, kunnen er echter opzettelijk gebruik van maken. In dat geval wordt het als een voorbode van een esthetische ervaring beschouwd. Eco formuleert dit als volgt: ' ...ambiguïteit is een zeer belangrijk middel, daar het als een soort introductie van de esthetische ervaring functioneert; als [het], in plaats van pure wanorde te produceren, […] mijn aandacht richt en mij aanzet tot interpretatie (terwijl het tegelijkertijd suggereert hoe ik moet decoderen) [en] het me uitnodigt om een onverwachte flexibiliteit te ontdekken in de taal waarmee ik te maken heb.'24)

Er bestaan verschillende soorten ambiguïteit in taal, waarvan de behandeling ook voor beelden verhelderend kan werken. In hun artikel 'Aesthetic Ambiguity', behandelen Ernst Kris en Abraham Kaplan onder andere 'conjunctieve ambiguïteit', 'integratieve ambiguïteit' en 'projectieve ambiguïteit' die van toepassing zijn op poëtische taal.25) 'Conjunctieve ambiguïteit' treedt op als verschillende betekenisvelden tegelijk actief zijn in een tekst, maar elkaar uitsluiten in de interpretatie. Bij een grap, bij ironie en ook in poëzie wordt hiervan vaak gebruik gemaakt, omdat de samen voorkomende betekenisvelden de verbeeldingskracht sterk aanspreken. 'Integratieve ambiguïteit' is actief als vele betekenisvelden elkaar oproepen in een tekst. Geen ervan is de 'de ware betekenis'; ze werken alle samen en produceren een complex en wisselend patroon van betekenissen, waarvan de samenhang pas in de interpretatie blijkt. 'Projectieve ambiguïteit' treedt op als de samenhang van de betekenisvelden in een tekst minimaal is en de betekenissen niet zozeer door het werk worden aangereikt, als wel door de interpreet op het werk worden geprojecteerd.

De ambiguïteit in de moderne en hedendaagse kunst lijkt zich te bewegen tussen de door Kris en Kaplan genoemde 'integratieve' en 'projectieve ambiguïteit'. Bevat het werk voornamelijk kant en klare metaforen of veel 'materiaal' om metaforen te maken, dan hebben we met het eerste te maken. Bevat het werk veel metonymieën, dan is sprake van het tweede. Ze kunnen ook gemengd voorkomen. Dit zorgt voor een 'openheid' van het kunstwerk die Barend van Heusden aan de orde stelt in zijn artikel 'Halve tekens' en in zijn proefschrift Why Literature?.26)

Van Heusden breidt de semiotiek van Peirce uit, vooral betreffende het iconische karakter van de werkelijkheid, en ziet een overeenkomst tussen het ervaren van kunstwerken en de werkelijkheid. Volgens Peirce gebruiken mensen, net als andere wezens, tekens (verwachtingen en conventies) om de werkelijkheid te begrijpen. Maar mensen weten ook dat er altijd iets in de werkelijkheid is wat zij nooit zullen vatten. Waarnemingen en verwachtingen komen niet met elkaar overeen en hierdoor ontstaat twijfel. Nu is twijfelen problematisch voor mensen; het sluit namelijk handelen uit. Om te kunnen handelen, proberen zij de twijfel op te heffen door nieuwe tekens te maken. Betekenisproductie ('semiosis') wordt dus opgeroepen door de twijfel die voortkomt uit de spanning tussen waarneming en verwachting. Het opheffen van deze spanning geeft een sterke schoonheidservaring. Dit hoeft echter nog geen kunstervaring te zijn; het kan ook optreden bij het oplossen van wetenschappelijke problemen. Van Heusden noemt dit de 'esthetische semiosis', waarbinnen het gaat om de schoonheid van de semiosis zelf.

Bij kunstwerken is, volgens Van Heusden, sprake van een andere soort semiosis: de 'artistieke of mimetishe semiosis'. Deze komt ook voort uit twijfel, nu niet aan de werkelijkheid, maar aan bestaande tekens die (zoals we bij Keller zagen), een steeds verdergaande tendens tot symbolisering vertonen. Kunstwerken bieden daarmee overeenkomsten met ervaringen van de werkelijkheid. Ze hebben eveneens een voornamelijk iconisch karakter en leveren geen kant en klare betekenissen, maar 'betekenisproblemen' aan de lezer of beschouwer. Op mimetische wijze stellen zij de 'semiosis' zelf aan de orde. Kunstwerken zijn 'open' of 'ambigue', opdat lezers/beschouwers uitgenodigd worden om vanuit het werk nieuwe betekenissen te vormen. Volgens Van Heusden zijn kunstewerken dan ook 'halve tekens' die op zich geen betekenis [inhoud] hebben. De tekens waaruit zij zijn opgebouwd, hebben wel betekenissen die door de combinatie in de werken echter onstabiel worden. Van Heusden neemt aan dat alle kunstwerken ‘betekenisproblemen’ presenteren, maar onderkent dat moderne en hedendaagse werken dit in grotere mate doen dan premoderne.

TOT SLOT

Mijn vragen over de term 'inhoud' in het algemeen en het gebruik ervan binnen het analyseschema van Van de Waal kunnen nu beantwoord worden. De term 'inhoud' acht ik niet goed te gebruiken in verband met beeldende kunst, omdat hij op een 'verkeerde' metafoor gebaseerd is en omdat het niet meer past bij de ontologie van vooral hedendaagse kunstwerken. Zoals hierboven bleek, kunnen zulke werken opgebouwd zijn uit 'materiaal' afkomstig van vele, uiteenlopende bronnen. Door de radicaliteit en veelvuldigheid van de aan de collage ontleende procedés om dit 'materiaal' te combineren en te organiseren, is het kunstwerk geen 'gesloten geheel' meer. Bovendien is het werk met opzet 'gemaakt' om extreem open te zijn en bevat dus vele ambigue elementen. Deze zijn door de kunstenaar weliswaar in het werk opgenomen en op een voor zijn oeuvre specifieke wijze omgevormd, maar pas in de interpretatie, die per interpreet en tijd verschillend kan zijn, worden ze geactualiseerd. De kunstenaar 'doet de inhoud' dus niet in het werk en de beschouwer 'haalt het er niet uit'. Er is ook geen sprake van 'de inhoud' als de som van alle betekenissen die al 'in' het kunstwerk aanwezig zou zijn. Mijn eerste vragen bleken dus naïef te zijn, gebaseerd als ze waren op de 'container' metafoor.

Toch was het niet vreemd dat ik naar aanleiding van het analyseschema tot dit soort vragen kwam. Locher omschrijft de relatie tussen inhoud, vorm en functie in het schema als volgt: 'In een kunstwerk gaat het om een creatie van een relatie tussen één van de bestaande inhouden, één van de bestaande vormen, en één van de bestaande functies. De essentie van een kunstwerk, de esthetische spanning, wordt bepaald door de wijze waarop deze drie elementen zo met elkaar in relatie gebracht zijn dat ze samen een gesloten geheel gaan vormen. In het schema is dit geheel, het eigen gebied van het kunstwerk, de ruimte binnen de driehoek.'27) Hier wordt duidelijk dat het om relaties tussen drie in het kunstwerk omgevormde componenten gaat, maar blijkt ook dat er weinig rekening wordt gehouden met de vele en vrij los met elkaar verbonden elementen van het werk dat als een 'gesloten geheel' wordt gekarakteriseerd. Hierdoor ontstaat de indruk dat de kunstenaar het werk 'gesloten' heeft en dat de beschouwer de 'essentie' er weer uit moet halen. Nu is dit schema niet specifiek bedoeld voor de analyse van moderne en hedendaagse kunst, waarvoor Locher het voornamelijk gebruikte. Toch bleek het in de praktijk een redelijk heuristisch instrument om ook die kunstwerken te 'benaderen'. Maar de 'klassieke' ideeën over kunst, waarop het schema gebaseerd is, zorgen voor vele vragen, waardoor het niet voor diepgaande analyse en interpretatie van vooral hedendaagse kunst gebruikt kan worden. Hier was het slechts mogelijk om de 'inhoud' enigszins te problematiseren. Op de vragen omtrent 'vorm', 'functie' en hun verband zal ik elders moeten ingaan.

Overigens acht ik de vragen belangrijker dan de antwoorden. Dit is namelijk wat een goede docent aan een student kan meegeven: een basis voor veel interessante vragen die deze zelf moet beantwoorden. Dat is de erfenis die goed beheerd moet worden. Van de Waal gaf een dergelijke erfenis mee aan Locher en hij op zijn beurt gaf het, rijkelijk aangevuld, door aan zijn studenten. Ik hoop dat ik dit 'kapitaal' verder vrucht kan laten dragen.

Noten

1- J.L. Locher, Vormgeving en structuur, Amsterdam 1973, 24.
2- H. van de Waal, Traditie en Bezieling, Rotterdam 1946, 25.
3- Ibidem, 22.
4- E. Panofsky, 'Ikonography und Ikonologie’,in: E. Panofsky, Sinn und Deutung in der bildenden Kunst, Köln 1979, 36-37.
5- J.L. Locher, op.cit., (noot 1),14-15.
6- C. Lévi-Strauss, Het wilde denken, Amsterdam 1990.
7- C. Lévi-Strauss, Het trieste der tropen, Nijmegen 1985.
8- Ditkomt naar voren in: C. Lévi-Strauss, The Way of the Masks, Seattle 1988.
9- J.L. Locher, op. cit., (noot 1), 24.
10- K. Herzog, 'Wie is er bang voor interpretatie?', Kunstlicht, 2/3, (1998), 33-39. K. Herzog, 'De metaforische cirkel', in: J.L. de Jong en E.A. Koster (red.), Onverwacht bijeengebracht, Groningen 1996,
57-67.
11- N. Goodman, 'Words, Works, Worlds', N. Goodman, Ways of Worldmaking, Indianapolis 1988, 1-22.
12- R. Wollheim, Art and its Objects, New York 1980.
13- R. Keller, Zeichentheorie, Tübingen/Basel 1995.
14- Dit bezwaar wordt uitgewerkt bij N. Goodman, Languages of Art, Indianapolis 1968.
15- Een soortgelijke verbinding van semiotiek met retorica is ook te vinden bij R. Barthes, 'Rhetoric of the Image', in: R. Barthes, The Responsibility of Forms, Berkeley/Los Angeles 1985, 21-40.
16- 'Zien of opdoemen van een aspect' is ontleend aan: L. Wittgenstein, Philosophical Investigations, Oxford 1963.
17- Die uitbreiding van de metafoortheorie is vooral noodzakelijk om het karakter van beeldende metaforen te begrijpen en na te gaan hoe deze in een kunstwerk met elkaar samengaan. Zie: K. Herzog, op. cit., ‘Wie is er bang voor interpretatie’, (noot 10).
18- Dit is verder uitgewerkt in: K. Herzog, 'Een artistiek land van Kokanje', Bzzlletin, 241-242, 1996-1997, 74-85.
19- L. Pikulik, Frühromantik, Epoche, Werke, Wirkung, München 1992.
20- C. Lévi-Strauss, op. cit. (noot 6).
21- W. Benjamin, Ursprung des deutschen Trauerspiels, Berlin 1928.
22- H.G. Gadamer, Wahrheit und Methode, Tübingen 1960.
23- U. Eco, The Open Work, Harvard 1989.
24- U. Eco, A Theory of Semiotics, Bloomington 1979, 263.
25- E. Kris, A. Kaplan, 'Aesthetic Ambiguity', in: E. Kris, Psychoanalytic Explorations in Art, Madison 1952, 243-264.
26- B. van Heusden, 'Halve tekens', in: H. van Driel (red.), Het semiotisch pragmatisme van Charles S. Peirce, Amsterdam 1991, 75-91. B. van Heusden, Why Literature?, Groningen 1994.
27- J.L. Locher, op. cit., (noot 1), 25.

Dit artikel werd gepubliceerd in: J. van Es en M. Kyrova (red.), Jaarboek Gemeentemuseum Den Haag 1999-2000, pp. 66-73.

KATALIN HERZOG

zaterdag 13 maart 2010

NIEUWE INSTALLATIE VAN TON MARS





Persbericht





Van 5 maart tot 21 maart 2010 vindt in Galerie Cora Hölzl te Düsseldorf de tentoonstelling Stazione IV (Ort der Schrift) plaats, waarbij de Nederlandse kunstenaar Ton Mars zijn nieuwste installatie Stazione IV (Ort der Schrift) toont.


Middenin de galerie heeft de kunstenaar beschilderde plexiglazen panelen geplaatst die een 2 m. hoog, 10 m. lang en 2 m. breed blok vormen. Het glanzende oppervlak van deze massieve, roestbruine vorm is beschreven met witte, uit rechte en gebogen lijnen bestaande tekens die de kunstenaar steeds gebruikt. Op zoek naar betekenis kan men om het blok heen lopen en dan ontdekken dat de tekens veel aan letters doen denken, maar nooit leesbaar worden. Toch tekenen zich als het ware verwante ‘zinnen’ af op de beide lange kanten, gecentreerd rond een S-vormig teken dat zich tussen haakjes bevindt. Hetzelfde teken sluit de beide kopse kanten af en benadrukt zo de ontoegankelijkheid van deze constructie.

Op de wanden van de overblijvende ruimte zijn helder turkooiskleurige tondo’s met een diameter van 1 m. opgehangen, waarvan het glanzende oppervlak eveneens beschreven is met witte tekens. De eerder genoemde S-vorm heeft ook hier een belangrijke rol en vertoont zich in combinaties met steeds andere tekens.



Na enkele malen rondgelopen te hebben, kan men via de kleuren en de weerspiegelingen een verband leggen tussen het blok en de tondo’s die als luchtige satellieten om een aardse kern cirkelen. De witte regels op het roodbruin lijken dan als een landschap te golven, waarvandaan de tekens als het ware naar de tondo’s zijn geprojecteerd om variaties op het centrale S-vormige element te vormen. Zo worden hier aarde en lucht als het noodzakelijke kader van onze werkelijkheid gethematiseerd en ontstaat er een nieuwe halteplaats binnen het oeuvre van Ton Mars.

Deze nieuwe Stazione IV werd voorafgegaan door drie eerdere installaties met dezelfde titel die de recente, meer naar sculptuur neigende ontwikkeling in dit schilderkunstig oeuvre laten zien. De eerste halteplaats, Stazione (2007), eveneens in Galerie Cora Hölzl te Düsseldorf, had een totale lengte van 15 m. en vormde een alternatieve visie op de bestaande ruimte. De spiegelende, 1,40 m. hoge, zwarte panelen met de contrasterende, witte tekens gingen in op de functie van de galerie, een plaats om naar kunst te kijken, waar men even verblijft om geïnspireerd weer huiswaarts te keren. Stazione II (2008) in Insel Hombroich te Neuss was gemaakt voor het smalle en zeer lange paviljoen The Field Institute op het Raketenstation. De totale lengte van dit werk was 21,40 m., terwijl de hoogte 1,80 m. bedroeg. Door de aard van de ruimte was het hier mogelijk om het reizen tot het thema van deze installatie te maken. Beschouwers konden verschillende aspecten hiervan ervaren, daar de contrasterende rode en blauwe panelen aan voorbijschietende treinen deden denken, terwijl de ritmisch gecomponeerde witte tekens een stevig cadans vormden. Stazione III (2009) te Groningen (Nederland) was nog het minst afhankelijk van de bestaande ruimte in het voormalige Groninger Museum. Hoewel de installatie, met zijn totale lengte van 23,70 m. en hoogte van 2 m. perfect in de zaal paste, was het ook zelfstandig. Dit kwam door de open U-vorm, de weidse, hemelsblauwe kleur met de weinig contrasterende witte tekens en het landschappelijke karakter van dit werk. In tegenstelling tot Stazione II konden beschouwers nu moeilijk uitmaken waar zij zich in begaven. Zij werden een heldere blauwe ruimte binnen geleid die zowel een aardse als een hemelse plaats zou kunnen aanduiden.

Met het zware, roodbruine blok van Stazione IV lijkt Ton Mars weer stevig op de aarde te zijn teruggekeerd. Toch brengt hij hier hemel en aarde samen en ontleedt hij het geheel weer in de verschillende elementen waaruit dit universum bestaat. Zo beschrijft hij zowel de kaders van de bestaande werkelijkheid als zijn eigen artistieke plaats daarin.

KATALIN HERZOG

Een uitgebreid artikel, met de titel Derde halte: hemelsblauw van Katalin Herzog over de installaties van Ton Mars en hun voorgeschiedenis, zal tijdens de tentoonstelling in de galerie verkrijgbaar zijn. Op de website www.tonmars.com zijn meer artikelen van Katalin Herzog over het werk van Ton Mars te vinden.

vrijdag 5 maart 2010

GRENZEnLOZE VERWARRINGEN




Lingam, Ruud-Jan Kokke

Soms word je met je neus gedrukt op de eigenaardigheden van de westerse cultuur. Een daarvan is het gemak waarmee we kritiekloos niet-westerse cultuurgoederen gebruiken. Dit blijkt weer uit de tentoonstelling Lingam. 122 hedendaagse vruchtbaarheidssymbolen, te zien in Museum Catharijneconvent in Utrecht. Het initiatief hiertoe werd genomen door Ruudt Peters die op zijn reizen in Zuid-Oost Azië lingams tegenkwam, mannelijke vruchtbaarheidssymbolen, die binnen het Hindoeïsme vereerd worden. Peters is als kunstenaar bezig met de alchemie, waarin het mannelijke en het vrouwelijke principe belangrijk zijn en de lingams verbond hij daarmee.

Van moderne en hedendaagse kunstenaars zijn we gewend dat zij geïnspireerd worden door ‘exotische’ en/of ‘primitieve’ kunstvormen. Het primitivisme dat daaruit voortvloeit, bewondert het vreemde, zonder er veel van af te weten. Om onze verdorven westerse cultuur te verbeteren, gebruikt men niet-westerse cultuuruitingen die als zuiver en oorspronkelijk worden ervaren. Tegenwoordig kennen kunstenaars wel de achtergronden, maar stappen ze onbekommerd over culturele verschillen heen, om nieuwe dingen te kunnen maken. Dergelijke verbindingen in een persoonlijk oeuvre horen bij het hedendaagse kunstenaarschap. Verwarrend wordt het echter als men dit ook tot uitgangspunt kiest voor een expositie, zoals nu in het Catharijneconvent. Peters vroeg 122 kunstenaars om eigentijdse vruchtbaarheidsymbolen te maken. Vanuit hun “belevingswereld hebben zij een statement gegeven ten aanzien van vruchtbaarheid.” Om tegenwicht te bieden tegen “onze oversekste, westerse beeldcultuur” werd hun werk in een museum voor christelijke kunst en cultuur tentoongesteld. Ter benadrukking van de “oorspronkelijke, religieuze context” toont men daar “de hedendaagse vruchtbaarheidssymbolen samen met hun historische voorgangers”.

De verwarringen zijn nu klaarblijkelijk. Binnen de westerse cultuur heersen er ten opzichte van seksualiteit ten dele nog christelijke moralistische opvattingen. Seks werd met zonde en schaamte verbonden en slechts vanwege de voortplanting getolereerd. Vanuit deze strikte moraal is seksualiteit tegenwoordig in de tegengestelde sferen van sensatie en commercie terechtgekomen. De beelden die de kunstenaars ‘vanuit hun belevingswereld’ maakten, kunnen dus geen remedie zijn voor onze ‘verdorvenheid’, aangezien ze daaruit juist voortkomen. Het helpt ook niet om hun beelden te combineren met lingams uit Zuid-Oost Azië, want dat zijn niet de historische voorgangers van westerse kunstwerken. De religieuze connotatie van de lingams wordt hierbij zelfs tenietgedaan, waarbij de sensatie alleen maar toeneemt. Dat de tentoonstelling in het Catharijneconvent plaatsvindt, zorgt niet voor meer inbedding in de religie, maar laat zien dat de museumdirecteur, die deze tentoonstelling verwelkomde, zich al rijk rekende bij het vooruitzicht aan een massaal toestromend publiek naar deze ‘sensationele tentoonstelling’.

Bij de deelnemers is er slechts een ontwerper, Ruud-Jan Kokke, die de hier beschreven verwarringen heeft begrepen en te boven is gekomen. Hij toont een beeld van een injectienaald die bij in vitro fertilisatie wordt gebruikt, als een hedendaagse, westerse lingam. Daarmee laat hij zien hoe onze opvattingen over vruchtbaarheid steeds meer losgekoppeld zijn van seksualiteit en spiritualiteit. Kan men tegenwoordig geen kinderen krijgen, dan bidt men niet tot heiligen, maar ondergaat men biologische en technische handelingen. Wetenschap heeft hier de religie vervangen. Maar om zoiets te laten zien, is een andere tentoonstelling nodig.

KATALIN HERZOG

Deze column werd gepubliceerd in KunstKrant, 14 jg., maart/april, 2010, p. 5.

VISUELE INTELLIGENTIE, WAT IS DAT?



Roken, in de reclame lange tijd geassocieerd met de zucht naar genot en avontuur, wordt steeds meer gezien als een misdrijf tegen zichzelf en anderen. Als de reclame zich tegenwoordig nog aan rookwaren waagt, maakt zij zich belachelijk vanwege de combinatie van verleidelijke beelden met het 'schadelijke' onderschrift. Bovendien gebruiken anti-rookcampagnes de middelen van de reclame nu zo effectief dat de tabaksindustrie binnenkort allen nog op de ernstig verslaafden hoeft te rekenen.

Een tijd geleden waren er drie anti-rookaffiches te zien in de Nederlandse steden. Eén ervan toonde een zeer bleke jonge man met een soort hoedje op zijn hoofd. Omdat hij mij wel bevreemdde, keek ik er nog eens naar en ontdekte dat zijn haar plaats had gemaakt voor de askegel van een sigaret. Een andere affiche liet een verleidelijke jonge vrouw zien die ook tot een tweede blik uitnodigde. Tussen haar sensueel geopende lippen was dan een kerkhof van tandstompjes te zien die uit afgebrande sigaretten was samengesteld. Beide affiches zetten mij dus tot nauwkeuriger kijken aan, maar pas door de erbij behorende tekst begreep ik dat het om een anti-rookcampagne ging. De derde affiche echter sloeg in als een bom. Daarop stond beeldvullend een lijkbleek gezicht met opengesperde ogen, gevangen in een masker van prikkeldraad. Als de huid van een stekelvarken was het masker bezet met brandende stompjes sigaretten. Bij nader kijken, bleek dat de sigaretten niet alleen op de kruisingen van het prikkeldraad-raster waren aangebracht, maar ook uit het vlees zelf leken te groeiden. De bijbehorende tekst was eigenlijk overbodig en bevestigde alleen de boodschap van het beeld. Alle drie affiches wezen op nicotine-verslaving en de eventuele dodelijke gevolgen daarvan, maar slechts het derde was schrikbarend. Het beeld kwam mij niet alleen als fraai en interessant, maar ook als zeer intelligent voor. Ik vermoed dat dit te maken heeft met de grote mate van interactie tussen de beeldende elementen en de erbij betrokken clusters van emoties, ideeën en ik zou dit met de term visuele intelligentie in verband willen brengen. Op de affiches kom ik later terug, nadat ik dit begrip verder heb geproblematiseerd.

Visuele intelligentie is op het eerste gezicht een contradictio in terminis. Het verbindt visuele waarneming met denken, terwijl slechts aan de laatste gewoonlijk intelligentie wordt gerelateerd, en dit vraagt om uitleg.1 Intelligentie wordt als potentie en als kwaliteit gebruikt, dus om de actieve, creatieve mogelijkheden van het denken te beschrijven en om aan te geven dat sommige mensen deze in meerdere of mindere mate bezitten. Naar analogie hiervan zouden we ervan kunnen uitgaan dat het bij visuele intelligentie om de actieve, creatieve mogelijkheden van de visuele waarneming gaat en dat sommige individuen meer of minder visueel intelligent zouden kunnen zijn. Wordt dit 'talent' met behulp van vakmanschap in producten gerealiseerd, dan zou iemand ook meer of minder visueel intelligente producten kunnen voortbrengen. In het hier volgende zal ik eerst nagaan wat onder visuele intelligentie verstaan zou kunnen worden, alvorens ik verder inga op de kwalitatieve opvatting en de eventuele ontwikkeling ervan ten behoeve van het kunstonderwijs. Mijn zoektocht begin ik met een beknopte weergave van inzichten van Rudolf Arnheim over de visuele waarneming, waarna ik theorieën van cognitieve psychologen over cognitie en waarneming en theorieën over het vormen van metaforen in taal en beeld behandel.2 Vooropgesteld moet worden dat de huidige verbindingen van waarnemen en denken vooral teruggaan op de kentheorie van Immanuel Kant. In zijn Kritiek der reinen Vernunft (1790) stelde hij dat pas met behulp van de a priori bijdragen van onze zintuigelijkheid (te weten: ruimte en tijd) en die van ons verstand (de kategorieën) zinvolle percepties mogelijk zijn.

Een moderne denker die zich sterk maakte voor het begrip visuele intelligentie is Arnheim. In zijn boek Visual Thinking (1969) gaat hij ervan uit dat visueel waarnemen niet alleen een automatische stimulering van het oog is bij contact met de werkelijkheid, maar dat het kijken actieve en creatieve cognitieve processen omvat.3 Net als het geheugen en het denken (meestal als de hogere cognitieve activiteiten aangeduid) is het zien betrokken bij het ontvangen, bewerken en opslaan van informatie, die daarbij wordt onderworpen aan selectie, combinatie en aanvulling. Daarom noemt Arnheim de visuele waarneming op zich een 'intelligent' proces en spreekt hij van 'visueel denken' dat gebruik maakt van 'visuele concepten'. Wat hij hieronder verstaat, varieert echter in zijn verschillende geschriften.4 Soms heeft hij het over eenvoudige patronen, waarin het ruwe stimulus-materiaal wordt georganiseerd en soms rekent hij hier ook de in het geheugen opgeslagen kennis en ervaring toe.

Deze onduidelijkheid komt voort uit de oorspronkelijke Gestalt-psychologische uitgangspunten van Arnheim. Volgens de Gestalt-psychologie (jaren twintig en dertig), die zich op de fysica en de biologie inspireerde, dient de waarneming het evenwicht en het behoud van organismen en is het resultaat van psychofysische processen die ook zonder ervaring en culturele kennis zou kunnen werken, zoals dat bij dieren waarschijnlijk gebeurt. Gestalt-psychologen ontkennen de invloed van kennis en ervaring op de waarneming niet, maar werken de verbanden niet precies uit.5 Er is echter ook een voordeel aan Arnheims Gestalt-psychologische basis. Hierdoor kan hij ingaan op de rol van de dynamiek en de fysiognomische kwaliteiten binnen de waarneming. Volgens hem wordt dynamiek bij het zien ervaren als 'deformatie', een afwijking van een norm: de eenvoudige visuele concepten, volgens welke de geest het ruwe stimulus-materiaal organiseert. Wijkt een rond object bijvoorbeeld af van een perfecte bol, dan ervaren we 'krachten', zoals duwen en trekken; we 'voelen' dus een verandering optreden in de spatiële coördinaten van het object. Krachten kunnen echter 'vijandig' of 'vriendelijk' zijn en hiervan is elk organisme voor zijn overleven afhankelijk. Binnen de visuele waarneming wordt daarom de voorrang gegeven aan de fysiognomische kwaliteiten, dus aan de expressieve (gelaats-)trekken, niet alleen van mensen, maar van alles in de werkelijkheid. Arnheim verbindt dus het zien met het denken en met het ervaren van dynamiek en fysionomische eigenschappen, wat ik als het emotionele respons op de werkelijkheid zou willen aanduiden. Toch blijft visuele intelligentie bij hem een vaag begrip. Binnen het waarnemingsproces legt hij immers slechts het organiseren van de ruwe stimuli en de betrokkenheid van de emoties uit, terwijl hij de rol van kennis en ervaring verwaarloost.

In de voetsporen van de Gestalt-psychologen hebben de huidige waarnemings-psychologen ontdekt dat het visuele systeem inderdaad stimuli organiseert in lijnen, hoeken, contouren en stereometrische vormen, met andere woorden: in 'visuele schema's'.6 Een ander deel van het proces: het gebruik van kennis en ervaring, wordt nader belicht door cognitieve psychologen als Ulrich Neisser. In zijn boek Cognition and Reality (1979) zet Neisser uiteen dat de waarneming een doelgerichte activiteit is die uitgaat van vooronderstellingen en verwachtingen, dus van reeds aanwezige kennis en ervaring.7 Waarnemen (vooral het visueel waarnemen) ziet hij als een soort handeling, waarvoor de waarnemer 'anticiperende schema's' heeft. Deze richten zijn aandacht en brengen hem in gereedheid om bepaalde zaken te zien. In contact met de omgeving accepteert een schema de beschikbare informatie en wordt op zijn beurt door het surplus ervan weer bijgesteld. De directe waarneming is dus een continu en cyclisch proces, waarbij de waarnemer in verbinding staat met de werkelijkheid. Reeds verworven informatie wordt in clusters van schema's ('cognitieve kaarten') in het geheugen opgeslagen en vormt de inzet van elke nieuwe waarnemingscyclus. Zo beïnvloedt het verleden de toekomst, want de clusters bepalen vervolgens waar de aandacht op gericht zal worden. Toch kunnen we, volgens Neisser, zowel onze aandacht bewust richten als zaken waarnemen die we op grond van onze schema's niet verwachten. In het eerste geval besluiten we om een bepaald schema in te zetten, dus om een nieuwe in plaats van de oude codering te gebruiken. In het tweede geval trekt de omgeving onze aandacht. Op deze manieren kunnen nieuwe waarnemingscycli geïnitieerd worden. Schema's werken in de directe waarneming, maar daaruit losgemaakt, kunnen ze eveneens gebruikt worden binnen de hogere cognitieve activiteiten, zoals denken, voorstellen en fantaseren. Hierbij kunnen wij ze combineren en manipuleren en onze onbewuste cognitieve mogelijkheden ook bewust toepassen.

Na deze uiteenzettingen wordt het duidelijk dat het cognitieve systeem, waarvan de visuele waarneming deel uitmaakt, zeker actief en creatief genoemd kan worden. Het is creatief in die zin dat het ruwe stimuli organiseert en bewerkt tot 'visuele schema's', en in die zin dat kennis en ervaring worden ingezet in de vorm van 'cognitieve schema's'. Beide soorten schema's worden telkens automatisch bijgesteld; bovendien kunnen ze actief 'uitgezonden' en gemanipuleerd worden. Maar hoe hangen al deze bewerkingen samen? Dit wordt duidelijk door de theorie die Bipin Indurkhya in zijn boek Metaphor and Cognition (1995) uiteenzet.8 Indurkhya gaat uit van de 'interactie-theorie van de cognitie' die inhoudt dat de werkelijkheid mede gecreëerd wordt door onze concepten (enigszins gelijkend op Neissers schema's), maar dat deze creatie op de een of andere manier toch door de werkelijkheid beïnvloed wordt. Deze paradox, die sinds Kant steeds weer in de filosofie opduikt, lost Indurkhya op met behulp van inzichten van onder anderen Jean Piaget, aan wie hij enkele mentale bewerkingen in de omgang met de werkelijkheid ontleent. Volgens Indurkhya wordt in de cognitie een interactie voltrokken tussen twee componenten. Aan de ene kant is er materiaal afkomstig van de 'werkelijkheid op zich' (ontleend aan Kants 'Ding an sich'), dat door het 'perceptueel-motorische systeem' reeds bewerkt is; overeenkomend met de eerder genoemde visuele schema's. Aan de andere kant bevinden zich 'concept-netwerken'; lijkend op de cognitieve kaarten, die het aangeboden materiaal kunnen conceptualiseren. Beide ingrediënten worden met elkaar verbonden in 'cognitieve modellen', waarbinnen concept-netwerken en omgevingen (van een ontologie voorzien materiaal) participeren. Wil iemand een dergelijk cognitief model succesvol inzetten voor voorspellingen en handelingen in de werkelijkheid, dan moet er tussen model en werkelijkheid een 'coherentie' bestaan, wat vaak niet het geval is. Indien er nu door het cognitieve systeem incoherentie wordt gedetecteerd, kunnen de mechanismen van 'accomodatie' en 'projectie', los van elkaar, maar ook samen, oplossingen bieden. Accomodatie werkt van 'onderen naar boven': het concept-netwerk wordt van een nieuwe structuur voorzien en projectie werkt van 'boven naar onderen': de omgeving krijgt een nieuwe ontlogie; beide om de noodzakelijke coherentie tot stand te brengen.

Indurkhya stelt het cognitieve systeem als gelaagd voor: de werkelijkheid op zich is de eerste laag en daarboven bevinden zich perceptuele en cognitieve lagen die steeds abstracter worden. De perceptuele laag zelf is, volgens hem, ook gelaagd en kan als volgt gedacht worden: laag 0 is de scène die iemand ziet, laag 1 het beeld op het netvlies, laag 2 de scène opgevat als lijnen, hoeken en contouren en laag drie als de scène in termen van objecten. Met behulp van een gelaagd cognitief systeem is het ook mogelijk om het directe waarnemen en begrijpen van de omgeving (waarbij het perceptuele systeem samenwerkt met hogere cognitieve lagen) te stellen naast indirecte cognitieve processen als denken, voorstellen en fantaseren. Dan houden we ons als het ware op in de hogere, meer abstracte lagen. Door de mechanismen van accomodatie en projectie te gebruiken, wordt het mogelijk om onze concept-netwerken te bewerken en zo verschillende 'werelden' te creëren. Deze werelden kunnen we dan weer bij elkaar brengen in bijvoorbeeld metaforen, die speciale projecties, ter behandeling waarvan Indurkhya zijn interactie-theorie van de cognitie ontvouwt.

Dergelijke cognitieve theorieën laten zien hoe de visuele waarneming deel uitmaakt van het cognitieve systeem en hoe perceptuele gegevens onlosmakelijk verbonden zijn met schema's of concepten. Het cognitieve systeem van mensen werkt weliswaar meestentijds automatisch en onbewust, maar kan ten dele ook bewust ingezet worden om de werkelijkheid te decoderen. Ook maken beide hiervoor behandelde theorieën een nuttig onderscheid tussen de directe waarneming, waarbinnen wij contact hebben met de werkelijkheid en de indirecte cognitieve activiteiten, waarbij we onze geheugeninhouden kunnen bewerken. Merkwaardig echter is dat de theorieën niet aangeven welk belang mensen hebben bij het goed werken van hun perceptueel/cognitief systeem. Eerder zagen we dat Arnheim hier wel een notie van heeft, via het ervaren van een emotioneel respons op de werkelijkheid. Om dit verder te verduidelijken, ga ik te rade bij Nico Frijda's boek De emoties (1986).9 Emoties zijn, volgens Frijda, cognitief van aard, omdat zij 'taxatieprocessen', dus waarderingen inhouden. Zij bewaken de relevantie van gebeurtenissen en passen handelingen, gedrag en denken bij onze belangen aan. Hoewel emoties algemene mogelijkheden zijn voor de belangenbehartiging, zijn ze ook afhankelijk van socialisatieprocessen binnen een cultuur, dus van aangeleerde waarden en normen.10 Volgens Frijda ervaren we emoties als komende vanuit de omgeving, dus uitgaande van een perceptueel appèl, waarop dan emotioneel gereageerd wordt. Hier lijkt dus sprake te zijn van soortgelijke mechanismen als die van de accomodatie en projectie bij Indurkhya. Emoties breder opgevat als waarderingen, waarmee wij continu onze omgeving evalueren, ter behartiging van onze belangen, zouden dus goed in te passen zijn binnen Indurkhya's gelaagd cognitief systeem. We kunnen ze dan voorstellen als een waarderende laag tussen de perceptuele en de conceptuele lagen in en/of als een functie van elke laag zelf. Zo wordt het inzichtelijk dat het cognitieve systeem de wereld voortdurend tegelijkertijd opneemt, begrijpt en evalueert, dus hoe waarnemen, denken en waarderen met elkaar samenhangen. Dit gebeurt in het directe contact met de werkelijkheid, en analoog daaraan, eveneens binnen de hogere cognitieve activiteiten.

In de loop van mijn relaas is het begrip visuele intelligentie steeds vanzelfsprekender geworden: visueel waarnemen is een deel van de cognitie, behoort dus tot de actieve, creatieve potenties van het cognitieve systeem en is ten dele van de wil afhankelijk, kan dus bewust ter creatie worden ingezet. Om het begrip verder uit te diepen, zal ik nu één van de hogere cognitieve activiteiten: het maken van metaforen, aan de orde stellen. De metafoor houdt sinds de oudheid filosofen en retorici bezig. Hij wordt gezien als één van de vele tropen, figuurlijke wendingen, die men in gedichten en redevoeringen gebruikte. De eerste definitie ervan stamt van Aristoteles die de metafoor zag als het toekennen van een 'verkeerde naam' aan iets. Volgens Aristoteles dient de metafoor in de poëzie en de retorica hoofdzakelijk voor de versiering van de taal, maar helpt ook om inzicht te verschaffen en anderen te overtuigen. Aristoteles vatte de metafoor daarenboven op als het teken van het genie; hij begreep dus al de creatieve en cognitieve mogelijkheden ervan.11 Tot en met de negentiende eeuw hebben zijn ideeën het denken over de metafoor beheerst, waarbij de waardering ervoor steeds meer afnam. Met de achteruitgang van de retorica en de opkomst van een empirische wetenschapsopvatting keerden filosofen zich namelijk tegen de metafoor, als oneigenlijk taalgebruik. Vanaf de romantiek echter veranderde de waardering vooral bij dichters en denkers die de metafoor zagen als het creatieve principe van de taal dat ons uittilt boven onze alledaagse begrip van de werkelijkheid. Friedrich Nietzsche meende zelfs dat taal van oorsprong metaforisch is, omdat zij de vloed van zintuiglijke indrukken in algemene begrippen vat.12 Hier kondigt zich een ommekeer aan in het denken over de metafoor die pas vanaf de jaren vijftig van deze eeuw vervolg kreeg.

De eerste die nieuwe wegen in het theoretiseren over de metafoor insloeg was I.A. Richards in de jaren dertig. Volgens hem heeft de metafoor niet alleen met taal, maar vooral met denken te maken. Aan deze taalfiguur liggen twee concepten ten grondslag die met elkaar een interactie aangaan; het resultaat hiervan is de betekenis van de metafoor.13 Max Black werkte deze ideeën in de jaren vijftig verder uit in zijn interactietheorie, waarbij hij de metafoor opvatte als een predicatieve structuur. In bijvoorbeeld de metafoor de mens is een wolf functioneert mens als het 'primaire onderwerp' en wolf als het 'secundaire onderwerp'. Elk van de onderwerpen is ingebed in een systeem van 'geassocieerde gemeenplaatsen' die elkaar overlappen en zo een interactie aangaan. Rond wolf worden hierbij 'implicaties' geactiveerd die toegepast op mens, sommige eigenschappen benadrukken en andere onderdrukken. De mens is dan een wild en agressief wezen, maar geen viervoeter.14

Blacks theorie kreeg een vervolg en verduidelijking bij George Lakoff. Samen met Mark Johnson ontwikkelde hij in de jaren zeventig een theorie waarin het verband tussen het denken en de metafoor verder uitgewerkt wordt.15 Volgens Lakoff en Johnson maken metaforen deel uit van ons, grotendeels onbewust, conceptueel systeem; zij zijn gebaseerd op onze biologische mogelijkheden en ervaringen met zowel de fysische als de culturele werkelijkheid. De dagelijkse taal is helemaal doortrokken van metaforische uitdrukkingen, waarvan we meestal niet bewust zijn, maar die op hun beurt onze werkelijkheid structureren. Volgens Lakoff en Johnson gaat het in de metafoor om 'het begrijpen of ervaren van iets in termen van iets anders'.16 Zij zien de metafoor als een conceptuele projectie van structuren met een duidelijke richting die als volgt werkt: vanuit een onmiddellijk te begrijpen 'oorsprongs-domein' wordt er een projectie uitgevoerd naar een meer abstract of meer emotioneel 'doel-domein' dat we wel direct kunnen ervaren, maar slechts in termen van iets anders kunnen begrijpen. Elk oorsprongs-domein heeft een topografie van 'kinesthetische beeldschema's'; geen echte beelden, maar schematische structuren die gevormd zijn door waarnemingen, ervaringen en bewegingen in de ruimte. Enkele hiervan zijn: 'begrensde ruimte' of 'container' met een omtrek, een binnen- en een buitenkant; een 'geheel' met delen en een 'weg' of 'pad' met begin, voortgang en einde. De projectie van het ene domein naar het andere volgt deze topografische structuur, waarbij een 'conceptuele metafoor' ontstaat, bijvoorbeeld: liefde is een reis. Zoiets wordt niet uitgesproken, maar maakt het mogelijk om een liefdesrelatie als een reis te begrijpen, waardoor een heel cluster van 'metaforische uitdrukkingen' kan worden gegenereerd. We spreken bijvoorbeeld over een relatie die op de klippen is gelopen of een huwelijk dat gestrand is.

De ideeën van Lakoff c.s. over de vorming van metaforen is verhelderend en over de kinesthetische schema's inspirerend, maar deze theorie bevat ook problemen. Het maakt niet echt duidelijk waarom sommige oorsprongs-domeinen direct te begrijpen zijn en waarom alleen vanuit die schema's geprojecteerd kan worden. Vervolgens is het niet helder hoe het doel-domein bepaalde projecties weerstaat; in de theorie zijn dergelijke domeinen immers conceptueel ongestructureerd. Deze problemen kunnen opgelost worden door de metafoor-theorie van Indurkhya. Volgens Indurkhya is de metafoor een bijzondere vorm van projectie, dus passend in het eerder aangeduide interactie-model van de cognitie. Het doel ervan is om een object, een gebeurtenis of situatie (echt of voorgesteld) op een onconventionele manier te beschrijven of te representeren. Het object dat gerepresenteerd wordt noemt Indurkhya het 'doel' (bijvoorbeeld mens) en het object dat gebruikt wordt voor de onconventionele beschrijving noemt hij de 'oorsprong' (bijvoorbeeld wolf). Beide objecten hebben een ontologie in een omgeving (we weten wat mensen en wolven zijn) en onderhouden een conventionele relatie met een concept-netwerk (we hebben allerlei opvattingen over beide). Deze relatie vormt een 'cognitief model' en kan, zoals reeds hiervoor uiteengezet, gebruikt worden in de normale omgang met de werkelijkheid. De metafoor nu bestaat in de asymmetrische relatie tussen het concept-netwerk van de oorsprong en de omgeving van het doel die tijdens deze relatie wordt herstructureerd. In metafoor de mens is een wolf (geen voorbeeld van Indurkhya) ziet dit er als volgt uit: uit het concept-netwerk van wolf wordt wildheid en agressiviteit eerst geprojecteerd op het concept-netwerk van mens, waarbij de dierlijke anatomie wordt uitgesloten. Dit bijgestelde netwerk kan dan op mens geprojecteerd worden. Zo creëert de metafoor een beperkte analogie of gelijkenis tussen wolven en mensen.

Indurkhya's theorie bevestigt Lakoffs inzicht dat elke metafoor slechts één richting heeft (de mens in een wolf is een andere metafoor dan de wolf is een mens), maar lost bovendien diens problemen op. Het wordt nu duidelijk hoe sommige 'eigenschappen' tijdens het maken van de metafoor uitgesloten worden en dat er geen sprake is van direct te begrijpen oorsprongs-domeinen. In de metafoor gaat het om het asymmetrisch verbinden van elementen van twee cognitieve modellen met elkaar. Vanaf elke oorsprong kan dus naar elk doel geprojecteerd worden, maar meestal wordt er geprojecteerd van het bekende naar het vreemde. Wel is er, volgens Indurkhya, een onderscheid tussen metaforen die een meer of minder nieuw perspectief op een object, gebeurtenis of situatie bieden. Hieraan aansluitend, onderscheidt hij drie soorten metaforen: op analogie gebaseerde, analogie creërende en creatieve metaforen. De eerste soort gaat uit van bestaande analogieën tussen oorsprong en doel, die we beide kennen. Deze metafoor vergemakkelijkt het denken, maar biedt geen nieuwe inzichten. De tweede soort maakt een doel die we slecht kennen toegankelijker door een analogie te creëren; hierdoor wordt 'het vreemde bekend' gemaakt. De derde soort negeert de struktuur van het doel en projecteert daar een geheel nieuw concept-netwerk vanuit de oorsprong op. Vooral deze laatste soort metafoor maakt nieuwe inzichten mogelijk door 'het bekende als vreemd' te presenteren.17 Zoals eerder aangegeven mist Indurkhya's theorie een waarderend component, maar als dit erin is opgenomen, wordt de affectieve/cognitieve kracht van metaforen, met andere woorden: hun intelligentie duidelijk. Zij maken het mogelijk dat wij met behulp van onze cognitieve modellen, dus reeds bestaande affectief/cognitieve classificaties van de werkelijkheid, nieuwe werkelijkheden tot stand brengen. En hoewel het metaforiseren tot onze onbewuste cognitieve potenties behoort, kunnen we metaforen ook bewust gebruiken om in het dagelijkse leven, maar vooral in wetenschap en kunst nieuwe werelden te creëren.

Op dit punt aangekomen, wordt het ook mogelijk om door de behandeling van de principes van de beeldende metaforen, het begrip visuele intelligentie verder uit te diepen. Het bestaan van beeldende metaforen wordt sinds de jaren zestig door filosofen aangenomen binnen de beeldende kunst, die men als per se metaforisch beschouwt. Dit metaforische karakter wordt echter verschillend gedefinieerd: beeldende kunst 'transfigureert' een medium in iets anders, het voorgestelde en het medium gaan met elkaar een interactie aan, er zijn altijd meerdere voorstellingen tegelijk actief in een beeld, of de (schilder-) kunst is metafoor voor het lichaam.18 Deze inzichten zijn wel waardevol om het transformerende karakter van kunst te belichten, maar ze zijn te algemeen om te laten zien hoe een beeldende metafoor werkt. Op grond van de aanname dat de metafoor een cognitieve activiteit is, dus dat dezelfde principes ten grondslag liggen aan taalmetaforen en beeldende metaforen, onderzoekt Charles Forceville de laatste in zijn boek Pictorial Metaphor in Advertising (1996).19 Hij gebruikt de theorieën van Black en die van Lakoff en Johnson om te laten zien hoe in reclamebeelden bepaalde 'eigenschappen' worden overgebracht van een secundair onderwerp (of oorsprongs-domein) naar een primair onderwerp (of doel-domein).

Forceville hanteert hierbij een strikte afbakening van de metafoor; lossere associatieve ketens rekent hij hier niet onder. Als probleem bij beeldende metaforen signaleert hij dat er een predicatieve volgorde (A is B) ontbreekt en het dus moeilijk is om vast te stellen wat het primaire en wat het secundaire onderwerp is. Forceville lost dit op met behulp van steeds wijdere contexten om het reclamebeeld heen. Allereerst is er de beeldende context van de reclame zelf, dan de bij de reclame behorende tekst en vervolgens de 'kennis van de wereld' die de reclameboodschap veronderstelt, waardoor we weten hoe de projectie moet verlopen. Omdat het om reclames gaat, wordt het primaire onderwerp meestal gevormd door het te verkopen product, terwijl er bijna altijd een tekst aanwezig is die de boodschap ondersteunt, bevestigt of herhaalt. Deze omstandigheden dragen in grote mate bij tot het begrijpen van deze beeldende metaforen, waarvan Forceville er verschillende onderscheidt. Volgens hem zijn er metaforen met slechts één beeldend component (de tweede wordt slechts opgeroepen), met twee beeldende componenten (die een interactie aangaan) en ook hybride talige-beeldende metaforen. Bij deze metaforen is de tekst geen contextueel ondersteunend of redundant element, maar beeldende en talige componenten vormen samen de metafoor. Forceville benadrukt in zijn onderzoek, dat hoewel beelden meer 'internationaal', dus meer cultuur-onafhankelijk zijn dan taal, het begrijpen van een beeldende metafoor in de reclame tot stand komt door een keten van metonymieën en clichés, dus op kennis van de culturele context berust.

Hoe staat het echter met het mengsel van cultuur-onafhankelijke en cultuur-afhankelijke betekenissen die beeldende metaforen overbrengen? Bij Indurkhya bleek dat er binnen de metafoor sprake was van een asymmetrische projectie van concept-netwerken uit het ene domein op omgevingen van een ander domein, en deze voorstelling van zaken werd door mij aangevuld met waarderende componenten. Elke metafoor, zowel in taal als in beeld, brengt dus zowel culturele als emotionele betekenissen over, maar de karakteristieken van beelden zijn juist zeer geschikt voor het overdragen van het laatste. Dit is niet verwonderlijk als we met Arnheim aannemen dat de fysionomische kwaliteiten primair zijn binnen de visuele waarneming. Wij reageren direct en emotioneel op dynamiek en uitdrukking van configuraties die we in de werkelijkheid, maar ook die we in beelden tegenkomen. Beelden kunnen namelijk opgevat worden als 'substituten' van zaken in de werkelijkheid, waardoor we beide soortgelijk benaderen.20 Een maker van beelden kan deze expressieve werkingen uitbuiten en in beeldende metaforen nog verhevigen door het gebruik van bepaalde metaforische strategieën. In beelden is het immers mogelijk om reeds aanwezige analogieën te benadrukken of om daadwerkelijk gelijkenissen tot stand te brengen. Zo kan iemand in een beeldende metafoor verschillende vormen aan elkaar aanpassen, door ze naar elkaar toe te buigen en alle niet relevante visuele kenmerken weg te laten of weg te halen. Hij kan vormen door elkaar vervangen (substitutie), met elkaar versmelten, over elkaar leggen (impositie) of tegenover elkaar plaatsen (juxtapositie).21

Aan de eerder beschreven affiches kunnen deze zaken gedemonstreerd worden. De directe boodschap van de drie affiches zou geparafraseerd kunnen worden als de conceptuele metafoor: roken is sterven, terwijl de indirecte betekenissen bij analyse van de affiches blijken. Alle betekenissen komen tot stand door toepassing van enkele van de hierboven genoemde metaforische strategieën: substitutie of impositie en versmelting die toegepast zijn op de directe fysionomische uitdrukking van iemand, nog eens door make-up verstrekt. Toch is er een kwalitatief verschil tussen de drie beelden. Bij de affiche van de bleke jonge man heeft het haar plaats gemaakt voor de askegel, waardoor hij een sigaret wordt en zijn ziekelijk gezicht met de dodelijke gevolgen van het roken in verband kan worden gebracht. Maar dit begrijpen we pas door de tekst, want de man met het vreemde hoedje op zou net zo goed een soort clown kunnen zijn. Het probleem is dat de beeldende componenten van de metaforische keten: zieke man is dodelijke sigaret op een enkelvoudige wijze en daardoor onduidelijk met elkaar in verband zijn gebracht. Bij de verleidelijke jonge vrouw is er een gelijkenis tussen haar zwarte tanden en misschien wel grafstenen. De verleiding van het roken wordt hier dus met de dood bekocht. Maar ook dit wordt pas door de tekst duidelijk, want de sigarettenstompjes die als rotte tanden overkomen, zouden eventueel ook naar het gebruik van teveel zoetigheid kunnen verwijzen. De metaforische keten is hier zo enkelvoudig geconstrueerd dat de affiche moeilijk is om te begrijpen. Beide affiches creëren wel analogieën, maar zowel hun conceptuele gehalte als hun vormgeving is te simpel, waardoor ze pas via de toevoeging van de tekst, dus door tautologie werken. Daarentegen is de reclame van het gezicht met het 'sigarettenmasker' als beeldende metafoor een voltreffer. Het gezicht zelf heeft een angstige uitdrukking wat een direct fysionomisch signaal uitzendt. Het is bovendien tegelijkertijd verscholen achter het masker en als in een concentratiekamp gevangen in het prikkeldraad van de verslaving. Net als bij de twee andere affiches wil de maker tonen dat de verslaving iemand in 'bezit' kan nemen, maar hier slaagt hij daar echt in door de sigaretten uit de huid te laten groeien. Masker: je bent niet meer jezelf, prikkeldraad/ concentratiekamp: je bent gevangen en ter dood veroordeeld, en het samengroeien van de bleke huid met de brandende sigaretten: je wordt je verslaving en dat betekent de dood, dragen via verschuivingen van verwante, maar te onderscheiden betekenissen bij tot de verschrikkelijke boodschap die ook zonder woorden volledig duidelijk is.22 Dit alles is te danken aan een projectie van meerdere soortgelijke emotionele en culturele betekenissen op elkaar, dus aan een gelaagdheid, tot stand gebracht met behulp van een zeer kundige vormgeving. Ziehier een gecompliceerde beeldende metafoor die terecht als een visueel intelligent product aangemerkt kan worden, omdat het een interessant en fraai gemaakt beeld combineert met krachtige emoties en ideeën. Maar er is meer, want de meesten van ons kennen dit beeld al van de film Hellraiser (Clive Barker, 1987), waarin de demon Pinhead een soortgelijk masker draagt. De maker van de reclame gebruikt dus onze herinnering van iets vreselijks om zijn boodschap nog heviger te laten overkomen.

Hiermee ben ik overgegaan naar een kwalitatieve betekenis van visuele intelligentie. Wel moet er nog een onderscheid en een verbintenis gemaakt worden tussen een visueel intelligente beschouwer en maker. Iemand zou als visueel intelligente beschouwer kunnen gelden als hij zijn perceptieve, affectieve, cognitieve potenties en zijn culturele/historische kennis optimaal kan gebruiken bij het begrijpen van beeldende metaforen. Gebruik betekent hier reflectie op de eigen mogelijkheden en interpretatie van andermans uitingen. Kan iemand de hiervoor genoemde mogelijkheden via vakmanschap en beeldende metaforische strategieën optimaal inzetten voor het realiseren van werkzame beeldende metaforen, dan is hij ook een intelligente maker. Een goede maker is echter tevens een goede beschouwer, want tijdens het maken zijn er momenten van reflectie en interpretatie, waarin de werkzaamheid en begrijpelijkheid van het beeld voor beschouwers moeten worden beoordeeld en zo nodig bijgesteld. Reflectie en interpretatie blijken dus de gereedschappen te zijn, waarmee de potentie van visuele intelligentie in een kwalitatief hoogstaand gebruik ervan kan worden omgezet.

En hieruit volgt dan ook een project voor het kunstonderwijs. Bij de toelating van vormgevers/beeldende kunstenaars in spe, zou men effectieve testmethoden moeten gebruiken ter beoordeling van iemands perceptieve, affectieve en cognitieve mogelijkheden, van zijn aanleg voor projectie, accomodatie, reflectie, interpretatie en van zijn talent voor het maken van metaforen in taal en beeld.23 Vervolgens zou men in het onderwijs deze mogelijkheden verder moeten ontwikkelen door het aanleren van vakmanschap en van metaforische strategieën, terwijl de ontstane producten voortdurend aan reflectie en interpretatie zouden moeten worden onderworpen. Theoretische en culturele/historische kennis zijn hierbij onontbeerlijk, voor de ondersteuning van reflectie en interpretatie, om er waarden en normen aan te ontlenen en om als metaforisch materiaal te gebruiken. Wil men echter een dergelijk project kunnen uitvoeren, dan zullen de docenten, die deze zaken vaak slechts uit praktijkervaring kennen, verder theoretisch geschoold moeten worden. Zij zijn het immers die studenten de gereedschappen moeten aanreiken om hun eigen visuele intelligentie te ontwikkelen.

NOTEN

1. J. Khalfa (ed.), What is Intelligence?, Cambridge 1994.
2. Dit artikel bevat enigszin bewerkte delen van K. Herzog, 'De metaforische cirkel', in: J.L.de Jong en E.A.Koster (red.), Onverwacht bijeengebracht, Groningen 1996, pp. 57-67.
3. R. Arnheim, Visual Thinking, Berkeley/Los Angeles/London 1969.
4. R. Arnheim, Toward a Psychology of Art, Berkeley 1966 en idem: Art and Visual Perception, London 1974.
5. D. Katz, Gestaltpsychologie, Basel 1969.
6. J.A. Michon, 'Waarnemen: werken aan een wereldbeeld', in: L.Feenstra et.al. (red.), Waarnemen, Meppel/Amsterdam 1989, pp.39-58.
7. U. Neisser, Cognition and Reality, San Francisco 1979.
8. B. Indurkhya, Metaphor and Cognition, Dordrecht/Boston/London 1992.
9. N. Frijda, De emoties, Amsterdam 1993.
10.H. Pott, De liefde van Alcibiades, Amsterdam 1992.
11.Aristoteles, Poetica, Cambridge 1982.
12.F. Nietzsche, 'Over waarheid en leugen in buiten-morele zin', in: Waarheid en Cultuur, Meppel 1992, pp. 109-123.
13.I.A. Richards, The Philosophy of Rhetoric,, New York 1965.
14.M. Black, Models and Metaphors, Ithaca 1962.
15.G. Lakoff and M. Johnson, Metaphors We Live By, Chicago 1980.
16.Ibid. 5.
17.B. Indurkhya, Metaphor and Cognition, Dordrecht/Boston/London 1992.
18.V. Aldrich, 'Visual Metaphor', in: Journal of Aesthetic Education, 2 Jg., nr.1.1968, pp. 73-86, R. Wollheim, Painting as an Art, London 1987, C.R. Hausman, Metaphor & Art, Cambridge, 1989.
19.Ch. Forceville, Pictorial Metaphor in Advertising, London/New York 1996.
20.E.H. Gombrich, Meditation on a Hobby Horse, London 1963.
21.Zie ook Ch. Forceville, 'Pictorial Metaphor in Advertisements', in: Metaphor and Symbolic Activity 9 (1), 1994, pp. 1-29.
22.E. Cleven, 'Image betekent beeld.', in: Feit & Fictie, Jg. III, nr.1, 1996, pp. 86-105.
23.Het is mogelijk dat metaforen in de beeldende kunst door hun richtingloosheid en ambiguïteit afwijken van metaforen in de reclame die immers een duidelijker boodschap moeten overdragen. Zie hiervoor: K. Herzog, 'De metaforische cirkel', in: J.L. de Jong en E.A.Koster (red.), Onverwacht bijeengebracht, Groningen 1996,pp. 57-67.

KATALIN HERZOG

Dit artikel werd geschreven ter gelegenheid van de conferentie: The New Academy, in 1997 te Barcelona. Het initiatief hiertoe stamt van Hugues Boekraad, toen verbonden aan de Academie St. Joost in Breda.

maandag 22 februari 2010

DE METAFORISCHE CIRKEL



Wie verwondert zich nog over een stoelpoot? Hoogstens verwensen we hem als we onze tenen gestoten hebben; een stoelpoot goed bekijken of erover nadenken, doen we zelden. Anders is dat als iemand zich expliciet met taal of met het maken van dingen bezig houdt. Een taalwetenschapper kan een dergelijke uitdrukking een catachrese noemen, een uit taalnood geboren overdracht van een woord, in dit geval poot voor de stut waarop dieren staan naar de stut van meubels.1 Een meubelmaker kan de stut van een stoel de vorm van een leeuwenpoot geven. In beide gevallen lijkt het om hergebruik van iets bestaands te gaan. Maar wat was er eerder: het woord of het ding? Bestond het woord stoelpoot en heeft de meubelmaker het in hout verbeeld of zagen mensen een stoel met dierenpoten en bedachten zij toen het woord stoelpoot? Poten van meubels behoren al zolang tot onze culturele inventaris dat dit moeilijk na te gaan is. Als we echter naar de geschiedenis van meubels kijken, rijst het vermoeden dat het ding er eerst was. Sinds de oudheid rusten meubels, vooral stoelen en tronen, op dierenpoten of hele dieren, waarbij de leeuw de voornaamste rol speelt. Zijn kracht, moed en heerschappij over de andere dieren, waren begerenswaardige attributen die via de zetels op hun bezitters konden worden overgebracht. Tot en met de negentiende eeuw werden meubels vaak met poten van dieren uitgerust, en poot, been of voet voor de stut van meubels bestaat in vele talen. Ik denk dus dat het woord stoelpoot niet een catachrese is, maar een vertaalde beeldende metafoor, zoals ik hieronder aannemelijk zal maken.

Stoelpoot, op het eerste gezicht een morsdode metafoor, confronteert ons met de soorten metaforen, hun functies, en de relaties tussen taalmetaforen en beeldende metaforen. Al deze zaken kan ik hier niet uitputtend behandelen, maar het belangrijkste vat ik samen, alvorens ik de complexe bouwsels van beeldende en taalmetaforen in de hedendaagse kunst aan de orde stel. Dit zal ik doen aan de hand van één voorbeeld: het werk Le Moulin Rouge (1993) van de Groningse kunstenaar Trudi van den Berg. Zo hoop ik te laten zien welke mogelijkheden er voor verder onderzoek en interpretatie in beeldende metaforen verscholen liggen.

De metafoor houdt sinds de oudheid filosofen en retorici bezig. Hij wordt gezien als één van de vele tropen, figuurlijke wendingen, die men in gedichten en redevoeringen gebruikte. De eerste definitie ervan stamt van Aristoteles die de metafoor ziet als het toekennen van een verkeerde naam aan iets. Volgens Aristoteles dient de metafoor in de poëzie en de retorica hoofdzakelijk voor de versiering van de taal, maar helpt ook om inzicht te verschaffen en anderen te overtuigen.2 Tot en met de negentiende eeuw hebben zijn ideeën het denken over de metafoor beheerst, waarbij de waardering ervoor steeds meer afnam. Met de achteruitgang van de retorica en de opkomst van een empirische wetenschapsopvatting keerden filosofen zich tegen de metafoor, als oneigenlijk taalgebruik.3 Vanaf de romantiek echter veranderde de waardering vooral bij dichters en denkers die de metafoor zagen als het creatieve principe van de taal dat ons uittilt boven ons alledaags begrip van de wereld. F. Nietzsche meende zelfs dat taal van oorsprong metaforisch is, omdat zij de vloed van zintuiglijke indrukken in algemene begrippen vat.4 Hier kondigt zich een ommekeer aan in het denken over de metafoor die pas vanaf de jaren vijftig van deze eeuw vervolg kreeg. Niet alleen filosofen, maar ook taalkundigen, culturele antropologen en psychologen hebben zich toen met zoveel elan op de metafoor gestort, dat er een oerwoud aan theorieën is ontstaan. Enkele uitzonderingen daargelaten, hebben kunsthistorici het hier laten afweten, hoewel er juist over metaforen in de beeldende kunst weinig bekend is.5

De eerste die nieuwe wegen in het theoretiseren over de metafoor inslaat is I. A. Richards in de jaren dertig. Volgens hem heeft de metafoor niet alleen met taal, maar vooral met denken te maken. Aan deze taalfiguur liggen twee concepten ten grondslag die met elkaar een interactie aangaan; het resultaat hiervan is de betekenis van de metafoor.6 M. Black werkt deze ideeën in de jaren vijftig verder uit in zijn interactietheorie. Hij ziet de metafoor als een predicatieve structuur. In bijvoorbeeld de metafoor 'de mens is een wolf' functioneert mens als het 'primaire onderwerp' en wolf als het 'secundaire onderwerp'. Elk van de onderwerpen is ingebed in een systeem van 'geassocieerde gemeenplaatsen' die elkaar overlappen en zo een interactie aangaan. Rond wolf worden hierbij 'implicaties' geactiveerd die toegepast op mens, sommige eigenschappen benadrukken en andere onderdrukken. De mens is dan een wild en agressief wezen, maar geen viervoeter.7

Blacks theorie kreeg een vervolg bij G. Lakoff. Samen met M. Johnson ontwikkelde hij in de jaren zeventig een theorie waarin het verband tussen het denken en de metafoor verder uitgewerkt wordt.8 Volgens Lakoff en Johnson maken metaforen deel uit van ons, grotendeels onbewust, conceptueel systeem en zij zijn gebaseerd op onze biologische mogelijkheden en ervaringen met zowel de fysische als de culturele werkelijkheid. De dagelijkse taal is helemaal doortrokken van metaforische uitdrukkingen, waarvan we meestal niet bewust zijn, maar die op hun beurt onze werkelijkheid structureren; de metafoor heeft dus een circulair karakter. Lakoff en Johnson zien de metafoor als een conceptuele projectie van structuren. Deze werkt als volgt: vanuit een onmiddellijk te begrijpen 'oorsprongsdomein' wordt er een projectie uitgevoerd naar een meer abstract of meer emotioneel 'doeldomein' dat we wel direct kunnen ervaren, maar slechts in termen van iets anders kunnen begrijpen. Elk oorsprongsdomein heeft een topografie van kinesthetische 'beeldschema's'; geen echte beelden, maar schematische structuren die gevormd zijn door waarnemingen, ervaringen en bewegingen in de ruimte. Enkele hiervan zijn: begrensde ruimte of container met een omtrek, een binnen- en een buitenkant; een geheel met delen en een weg of pad met begin, voortgang en einde. De projectie van het ene domein naar het andere volgt deze topografische structuur, waarbij een 'conceptuele metafoor' ontstaat, bijvoorbeeld: liefde is een reis. Zoiets wordt niet uitgesproken, maar maakt het mogelijk om een liefdesrelatie als een reis te begrijpen, waardoor een heel ‘cluster van metaforische uitdrukkingen' kan worden gegenereerd. We spreken bijvoorbeeld over een relatie die op de klippen is gelopen of een huwelijk dat gestrand is.9

Naast de metafoor behandelt Lakoff de metonymie als een verwante conceptuele mogelijkheid, waarbij er slechts uit één domein wordt geput.10 Metaforen en metonymieën kunnen met elkaar samenwerken in rijke composieten. Lakoff en M. Turner, die samen de poëtische metafoor hebben onderzocht, maken verder onderscheid tussen 'kennismetaforen' en 'beeldmetaforen'. Bij de eerste worden concepten, bij de tweede 'mentale beelden' op elkaar geprojecteerd.11 Metaforen en metonymieën, al of niet met elkaar gecombineerd, komen dikwijls in de poëzie (en andere vormen van literatuur) voor en worden als ongewoon en nieuw ervaren. Literaire metaforen gelden dan ook als niet conventioneel en worden vaak tot een andere soort gerekend of als de eigenlijke metaforen beschouwd.12 Lakoff en Turner menen echter dat het bij deze metaforen om een opzettelijke uitbreiding van conventionele metaforen gaat. Dichters kunnen conventionele metaforen verder uitwerken, kennis- en beeldmetaforen, metaforen en metonymieën uit zeer verschillende domeinen met elkaar combineren en zo ingewikkelde betekenisweefsels maken.13

Dichters maken dus uit conventionele, nieuwe meta-metaforen en zorgen op deze wijze ervoor dat wij bij het lezen van poëzie onze dagelijkse, automatische manier van denken op een nieuwe niet automatische manier gaan gebruiken. G. Steen, die doorgaat op het onderzoek van Lakoff en Turner, meent ook dat exclusief literaire metaforen niet bestaan, maar dat sommige metaforen die in literatuur voorkomen conceptueel moeilijk, aan betekenissen rijk en suggestief van karakter zijn, juist omdat zij in een literaire context zijn ingebed.14 In andere studies, waarin men wel belang hecht aan specifieke literaire of poëtische metaforen, wordt vooral hun hoge mate van ambiguïteit benadrukt. Dergelijke metaforen verkeren altijd tussen 'het is zo en het is niet zo', waardoor ze esthetisch direct spannend zijn, dus de verbeeldingskracht aansporen, maar voor meer begrip expliciet geïnterpreteerd moeten worden.15

Tot nu toe ging het over taalmetaforen en de vragen doemen op of er ook beeldende metaforen zijn en zo ja hoe ze geconstrueerd zijn. Het bestaan van beeldende metaforen wordt sinds de jaren zestig door filosofen aangenomen, maar pas recentelijk worden ze ook systematisch bestudeerd. Alvorens hierop in te gaan, wil ik enkele verschillen en overeenkomsten tussen taal en beeld aan de orde stellen om de mogelijkheids-voorwaarden van taalmetaforen en beeldende metaforen aan te geven. Een basaal onderscheid tussen taal en beelden is dat de eerste dient om iets te zeggen door middel van algemene begrippen en de tweede om iets te tonen via specifieke, visuele kenmerken.16 Van een appel bijvoorbeeld kan men de roodheid en de rondheid beter in een beeld tonen dan in taal benoemen. Door de thematisering van dit tonende aspect in de moderne kunst zouden we echter bijna vergeten dat in de westerse cultuur tot aan de twintigste eeuw alle beelden zowel iets toonden als iets zeiden.17 Deze dubbele mogelijkheid van beelden is gebaseerd op de visuele waarneming, waarin percepties en concepten (of visuele schema's en cognitieve schema's) met elkaar verbonden zijn. Zowel in de cognitieve psychologie als in de filosofie van L. Wittgentein wordt deze koppeling bevestigd.18 De (cultureel gevormde) concepten herbergen op hun beurt mogelijkheden tot taal, waardoor we onze waarnemingen kunnen rapporteren.



Als we een appel in de werkelijkheid of op een afbeelding zien, herkennen we hem direct en zien we niet een mysterieus rood ding of een rode verfvlek. Dit houdt stand zolang onze percepties met de gewoonlijk geassocieerde concepten verbonden blijven. Ook gebeurt het wel dat we iets niet meteen herkennen, doordat het bijvoorbeeld in mist gehuld is of iemand ons met opzet een ambigue beeld presenteert. Dan volgt een schok, waarna ons vermogen om iets te zien als iets anders, dus om nieuwe concepten op het waargenomene te projecteren, ons goede diensten bewijst.19 Van deze capaciteit maken we ook gebruik als we besluiten om iets zonder zijn gangbare betekenissen te zien. De twee mogelijkheden van de visuele waarneming: het direct herkennen en het 'zien als', bij Wittgenstein uitgewerkt, komen overeen met de cognitieve mogelijkheden: het onmiddellijk begrijpen en het begrijpen als die we bij Lakoff en Johnson zagen. Indien we ervan uitgaan dat wij bij het visueel waarnemen, voorstellen en denken, zowel visuele (of uit de visuele waarneming afkomstige) als cognitieve schema's reeds met elkaar gecombineerd en nieuw combineerbaar tot onze beschikking hebben, dan vloeit daaruit voort dat iets zien als iets anders en iets begrijpen als iets anders, beide aan onze algemene visuele/conceptuele mogelijkheden ontspruiten. Deze potenties zijn weer de basis voor het maken en begrijpen van zowel taalmetaforen als beeldende metaforen.

Een dergelijke conclusie heeft gevolgen voor de verwantschappen tussen de beide soorten metaforen. Bij Lakoff zagen we al dat taalmetaforen op onder andere visuele/tactiele ervaringen met de fysische werkelijkheid zijn gebaseerd, dus dat ze potentiële of actuele visuele/beeldende elementen moeten hebben. Voor beeldmetaforen zou ik een analoge situatie willen voorstellen: zij bevatten potentiële of actuele conceptuele/talige elementen. Binnen de culturele antropologie vinden we een bevestiging van het idee dat beide soorten metaforen uit dezelfde bron voortkomen. Eén van de kenmerken van de magie is namelijk dat daarin alles met elkaar verbonden kan worden via 'nabijheid', 'gelijkenis' en 'contrast', de cognitieve operaties die voor de vorming van metonymieën en metaforen zorgen. Op deze wijze kan het magische denken de wereld beheersbaar maken met behulp van het ritueel, waarin levende wezens, voorwerpen, begrippen en beelden met elkaar worden gecombineerd of gecontrasteerd, opdat overdrachten van eigenschappen en daardoor werkingen kunnen ontstaan.20 Zo wordt aannemelijk dat bij de eerste stoel met leeuwenpoten, in een ritueel, de kracht van het dier op metonymische wijze op de bezitter werd overgebracht, waarna zowel in beeld als in taal de stoelpoot versleten raakte.

Het is dus meer dan waarschijnlijk dat we niet alleen in de taal en de literatuur, maar ook bij het maken en begrijpen van beelden, zowel binnen als buiten de kunst, voortdurend onze metaforische mogelijkheden benutten. Toch heeft een systematische studie naar beeldende metaforen lang op zich laten wachten en is nog niet ver gevorderd. Filosofen die over beeldende metaforen nadenken, doen dat in het kader van de beeldende kunst, waarvan ze over het algemeen aannemen dat zij per se metaforisch is. Dit metaforische karakter wordt verschillend gedefinieerd: beeldende kunst 'transfigureert' een medium in iets anders, het voorgestelde en het medium gaan met elkaar een interactie aan, er zijn altijd meerdere voorstellingen tegelijk actief in een beeld.21 Deze inzichten zijn wel waardevol, maar te algemeen om te begrijpen hoe een beeldende metafoor tegen het metaforische weefsel van een kunstwerk afsteekt en op zijn beurt dit weefsel weer vormt.

De bouwprincipes van beeldende metaforen zijn recent door C. Forceville in de reclame onderzocht.22 Forceville gebruikt de theorieën van Black en Lakoff en Johnson om te laten zien hoe in beelden bepaalde eigenschappen worden overgebracht van een secundair onderwerp (of oorsprongsdomein) naar een primair onderwerp (of doeldomein). Hij hanteert hierbij een strikte afbakening van de metafoor; lossere associatieve ketens rekent hij hier niet onder. Het probleem bij beeldende metaforen is echter dat een predicatieve volgorde ontbreekt en het dus moeilijk is om vast te stellen wat het primaire en wat het secundaire onderwerp is. Forceville lost dit op met behulp van steeds wijdere contexten om het beeld heen. Allereerst is er de beeldende context van de reclame zelf, dan de bij de reclame behorende tekst en vervolgens de 'kennis van de wereld' die de reclameboodschap veronderstelt, waardoor we weten hoe de projectie moet verlopen. De verwachting dat het om reclames gaat, die gericht zijn op verkoop van een product en de aanwezigheid van een tekst, dragen in grote mate bij tot het begrijpen van deze beeldende metaforen, waarvan Forceville verschillende onderscheidt. Er zijn metaforen met slechts één beeldend component, met twee beeldende componenten en ook hybride, talige-beeldende metaforen. Forceville benadrukt in zijn onderzoek, dat hoewel beelden meer 'internationaal' zijn dan taal, het begrijpen van een beeldende metafoor tot stand komt door een keten van metonymieën en clichés, dus op kennis van de culturele context berust.

Beeldende metaforen in de reclame zijn derhalve uit conventioneel materiaal gemaakte nieuwe metaforen die echter een matige complexiteit en ambiguïteit vertonen, omdat ze vanwege hun functie op intersubjectiviteit gericht zijn. Volgen we de eerder aangehaalde inzichten van Steen, dan kunnen we zeggen dat ze maar gedeeltelijk lijken op metaforen die vaak in de literatuur en waarschijnlijk ook in de beeldende kunst voorkomen. Om dit te laten zien, wend ik mij tot deze laatste soort metaforen die nog niet systematisch bestudeerd zijn. Wel zijn er vele losse voorbeelden te vinden, waarvan ik hier enkele citeer en van commentaar voorzie. J.A.W. Heffernan bespreekt J. Constable's schilderij Coast at Brighton-Stormy Evening (1828) waarin het de schilder lukt om ons de lucht als een stormachtige zee te laten zien.23 A. Danto vat een beeld van Napoleon als Romeins keizer op als een beeldende metafoor. Bij het zien van een dergelijk beeld weten we dat Napoleon niet met een verkleedpartij bezig is, maar via de parafernalia van de keizers zich hun waardigheid en macht toeëigent.24 F. Thürlemann vermeldt dat P. Klee in zijn aquarel Pflanzen-Analytisches (± 1920) een bloem verbeeldt door de kelk en kroon ervan letterlijk als de twee voorwerpen te tonen.25 V. Aldrich haalt P. Picasso's methode aan om van bestaande dingen een montage te maken, waardoor we in zijn beeld Le Chèvre (1951) de door de kunstenaar gebruikte mand als de ribbenkast van het dier, en de ribbenkast als een mand kunnen zien. Hij bespreekt ook Picasso's La Venus du Gaz, een rechtop gezette brander van een gasfornuis, voorzien van een titel. In deze readymade kunnen we, volgens Aldrich, dank zij onze transfigurerende blik en de titel, een vrouw en een kunstwerk zien.26

Kijken we nauwkeurig naar de geboden voorbeelden dan valt op dat ze heterogeen zijn. Constable heeft in zijn schilderij de visuele kenmerken van de zee op de lucht toegepast om ons een visie op stormachtige landschappen te tonen. Maar omdat hij binnen één domein, namelijk het landschap blijft, gaat het hier om een metonymische uitwisseling. Bij een beeld als dat van Napoleon wordt een beeldcitaat uit het oorsprongsdomein: keizerportretten, op het doeldommin: een portret van Napoleon, geprojecteerd. Hierbij worden beide beelden samengesmolten, opdat er een overdracht van eigenschappen plaatsvindt. In het werk van Klee hebben we te maken met de verbeelding van twee (metonymische) taalmetaforen in het totaalbeeld van de bloem. Picasso heeft de mand gekozen, omdat in het Frans ribbenkast een soort mand (coffre) is, een taalmetafoor die Picasso wilde verbeelden.27 Maar de mand lijkt ook visueel en structureel op het karkas van de geit en functioneert dus als oorsprongsdomein van waaruit eigenschappen als het ware bovenop het doeldomein zijn gelegd. La Venus du Gaz tenslotte is een talige-beeldende metafoor: de vorm van de brander is verwant aan een vrouwenlichaam, maar pas door de juxtapositie van het ding en de titel, een taalcitaat uit de kunstgeschiedenis, wordt zij een brandende en etherische godin van de liefde. Voor het interpreteren van al deze metaforen zijn, zoals Forceville aangeeft, de contexten zeer waardevol. Vooral het gebruikte genre of de kunstsoort en overige kennis van de kunstgeschiedenis werken hierbij sturend.

Uit deze voorbeelden blijkt dat metaforen in de beeldende kunst zowel complex als ook eenvoudig kunnen zijn en in het laatste geval eerder het zien als dan het begrijpen als thematiseren. De bouwprincipes die Forceville vond in de reclame kunnen voor de analyse wel gebruikt worden, maar kunstenaars gaan met die principes heel vrij om, waardoor de striktheid van Forceville hier niet gehandhaafd kan blijven. We ontkomen niet aan de losse associaties en de extreme ambiguïteit van beeldende kunst die immers, zoals I. Kant reeds beweerde, gekenmerkt wordt door 'het vrije spel van onze kenvermogens'.28 Toch kunnen naar aanleiding van het voorgaande hier enkele karakteristieken van beeldende metaforen in de kunst benoemd worden, hoewel nader onderzoek zal moeten volgen. Alle beeldende metaforen lijken zowel visuele als conceptuele componenten te bevatten, maar het visuele aspect staat meestal op de voorgrond. Hoewel beeldende metaforen binnen de kunst niet altijd van taal vergezeld gaan als bij reclames, maakt taal er vaak wel potentieel of actueel deel van uit. Soms worden concepten en daarmee de mogelijkheid voor taal opgeroepen, soms worden taalmetaforen verbeeld en soms maakt taal deel uit van een talige-beeldende metafoor. De uiterste grenzen van het terrein dat beeldende metaforen in de kunst bestrijken, lijken aan de ene kant te worden gevormd door visuele analogieën van twee of meer zaken en aan de andere kant door verbeelde taalmetaforen, waartussen zich vele varianten kunnen bevinden. Citaten of fragmenten uit talige en beeldende contexten nemen de vorm aan van metonymieën en verveelvoudigen daarmee de mogelijkheden om metaforische combinaties te maken. Bovendien kunnen in een kunstwerk alle metaforen en metonymieën met elkaar verwant zijn en zo samenhangende metaforische ketens vormen. Op deze wijze is het mogelijk om in de beeldende kunst, net als in de literatuur, complexe betekenisweefsels te maken.29

Voortkomend uit de geaardheid van hun media zijn er echter wel verschillen in de bouwprincipes van taalmetaforen en beeldende metaforen. In tegenstelling tot taal is het in beelden mogelijk om een visuele analogie of gelijkenis daadwerkelijk te tonen. Hiertegenover staat dat in een taalmetafoor niet relevante implicaties gemakkelijk worden uitgesloten, terwijl dit bij beelden problematisch is. Wil een kunstenaar doormiddel van een beeldende metafoor iets mededelen, dan moet hij expliciet enkele beeldende metaforische strategieën kiezen. Hij kan vormen aan elkaar aanpassen, door ze naar elkaar toe te buigen en alle niet relevante visuele kenmerken weglaten of weghalen. Hij kan vormen met elkaar versmelten, over elkaar leggen (impositie) of tegenover elkaar plaatsen (juxtapositie).30 De kunstenaar heeft dus de mogelijkheid om zijn metaforen te construeren, maar hij hoeft zich niet zo expliciet met hun vormgeving bezig te houden. Vanuit onze algemene neiging om de wereld te begrijpen en vanuit onze (historische) verwachtingen van de openheid van moderne kunstwerken zijn we namelijk zo gewend om te metaforiseren dat een globale visuele overeenkomst, maar ook min of meer willekeurige collages ons al op gang brengen. Dit zijn de principes waarop beeldende kunst sinds het kubisme, dada en surrealisme anticipeert en wat we bijvoorbeeld optimaal zien in het werk van M.Duchamp. Hij brengt beelden en taal met zo'n gebrek aan voorgevormde analogieën bij elkaar, dat we maar blijven proberen om van zijn geestrijke onzin iets zinvols te maken.

De hedendaagse beeldende kunst lijkt zich te bewegen op een traject tussen twee polen: losse, metonymische conglomeraten die de ordeloosheid naderen en configuraties die min of meer consistente metonymische/metaforische ketens kunnen opleveren. In het eerste geval wordt het metaforiseren wel opgeroepen, maar lukt niet, in het tweede geval biedt de kunstenaar materiaal voor de beschouwer om metaforen te construeren. Zo'n werk kan reeds gevormde metaforen bevatten, maar ook vele losse elementen herbergen, zodat de beschouwer tot een intensieve zelfwerkzaamheid wordt uitgenodigd. Een dergelijk proces wil ik hier demonstreren aan de hand van een interpretatie van Le Moulin Rouge van Trudi van den Berg, waarbij de voorafgaande theoretische noties mij goede diensten zullen bewijzen. De kunstenaar gebruikt onder andere gevonden voorwerpen die zij bewerkt en monteert tot nieuwe, betekenisvolle werken. In een gesprek met haar heb ik extra informatie over het werk ingewonnen die ik hier gebruik.31 Mijn interpretatie zal echter verder gaan dan deze informatie en haar intenties, omdat het werk zo gemaakt is dat het de fantasie en de kennis van de beschouwer juist extra uitdaagt.32

Le Moulin Rouge is op het eerste gezicht een bizar, fel rood ding dat ongeveer half zo hoog is als een mens. Hij staat op vier dierenpoten die ballen in hun scherpe klauwen houden en voorzien zijn van koperkleurige manchetten. Zij dragen een vlakke, koperen schaal en lopen door naar een verdieping waar ze als vier rode zuilen door een koperen kap worden bekroond. Aan de kap hangen belletjes aan beweegbare staafjes. Vier rode, Spaanse pepers, die kunnen ronddraaien, sieren de kap als wieken, terwijl op het draaipunt één peper uitdagend naar voren steekt.

Zelfs zonder de titel kunnen we al snel zien dat het hier om een molen gaat. De opbouw ervan volgt namelijk het schema van een Nederlandse windmolen, zoals kinderen dat vaak tekenen. Maar ook wordt duidelijk dat we hier met een soort model te maken hebben, al is het geen schaalmodel van een zogenaamde stellingmolen, zoals een hobbyist die zou maken.33 Bij nauwkeuriger kijken naar de onderdelen zien we dat de dierenpoten eens deel uitmaakten van meubels en dat de schaal van een weegschaal stamt. De afkomst van de kap is niet direct te achterhalen, maar blijkt bij navraag een bromfietslamp geweest te zijn, terwijl de pepers plastic afgietsels zijn.34 Deze heterogene fragmenten zijn door de kunstenaar samen met door haar gevormde materialen in de nieuwe visuele- en betekenisorde van haar molen ingevoegd. Voor dat doel zijn sommige elementen bewerkt, van textuur en van kleur voorzien. Om hun rol in de nieuwe ordening te kunnen vervullen, hebben de fragmenten een nieuwe functie gekregen. De meubelpoten vormen nu de onderbouw van de molen, de schaal is de stelling of galerij om het gebouw heen, de bromfietslamp is de kap geworden en de pepers zijn omgetoverd tot molenwieken. Ondanks deze omfunctionering hebben de fragmenten toch enkele van hun oorspronkelijke betekenissen bewaard. Daardoor werken ze als metonymieën en is het mogelijk om hun betekenissen in de metaforische constructie verder uit te breiden.

Rode pepers zijn scherp van smaak, ze zijn heet, wat metaforisch met erotische hitte verbonden kan worden. Door de vorm van de pepers en de centrale plaatsing van de vijfde peper wordt hier de nadruk op gelegd. De brandende kleur van het werk (vergezeld door rode en gele koperkleuren) en de dierenpoten versterken deze erotische aanwijzing nog eens. Naast het mannelijke, vegetatieve van de pepers voegen de stutten, hier eerder poezenpoten dan leeuwenpoten, een vrouwelijke, dierlijke betekenis toe aan het werk. De manchetten maken de poten steviger, doordat ze op gecanneleerde zuilen lijken. Zij accentueren zo het staan van het werk en bieden een stevige basis voor de bewegende wieken. De schaal voor de galerij en de lamp voor de molenkap lijken meer op grond van een visuele dan een conceptuele analogie gekozen te zijn, hoewel hun kleur betekenisvol is. Voor de functie van de belletjes is het moeilijker om een hypothese te ontwerpen. Als de molen, die door een electromotor in de kap wordt aangedreven, buiten in de wind staat, gaan de belletjes rinkelen. Zo toont het werk niet alleen door de kleur, de materialen en de beweging, maar ook door auditieve signalen zijn aanlokkelijkheid en blijkt het toch een windmolen te zijn.35 Hiermee wordt het modelachtig aspect dat in het molenschema besloten ligt nog even onderstreept. Dit schema is een visueel schema dat plaats toekent aan de heterogene fragmenten en het is een conceptueel schema dat hun verschillende connotaties verweeft. De molen als begrip is namelijk in de westerse cultuur verbonden met erotiek, gevaar en gekte, zoals onder andere de Nederlandse uitdrukking 'een klap van de molen krijgen' en de Franse uitdrukking 'jeter son bonnet pardessus les moulins' (een losbandig leven leiden) aangeven.36

Tot nu toe zijn er elementen van conventionele en meer idiosyncratische aard bijeengebracht om de betekenissen van het werk proefondervindelijk te vergaren, maar de kunstenaar stuurt het interpretatieproces vooral door middel van de titel. Als we die kennen, weten we dat het niet om een tautologische benaming van de rode molen gaat, maar dat Le Moulin Rouge verwijst naar het gelijknamige variététheater op Montmartre dat in 1889 zijn deuren voor het Parijse publiek opende. In veel van zijn werken heeft H. de Toulouse-Lautrec het moderne vermaak dat er geboden werd en de daarbij horende losbandige sfeer verbeeld. Hij tekende en schilderde de artiesten die erotische dansen, zoals de 'chahut' en de 'cancan' uitvoerden, maar ook het feestende publiek.37 Erotiek werd in die tijd onderdeel van een ware amusementsindustrie die nu niet meer uit de westerse cultuur weg te denken is. Andere kunstenaars hebben sindsdien het onpersoonlijke, mechanische karakter van dit soort opgevoerde erotiek verder geproblematiseerd met als complexe hoogtepunt Het grote glas (1915-23) van M. Duchamp. Het verlangen van mannen en vrouwen naar elkaar, drijft hier de vicieuze cirkel van het erotische mechanisme aan.38 Le Moulin Rouge van Trudi van den Berg past in deze traditie. Met de titel benadrukt de kunstenaar niet alleen dat het hier om een erotische molen gaat, maar zij voegt haar werk eveneens in, in de orde van de kunstgeschiedenis.

Samenvattend kan ik zeggen dat Le Moulin Rouge verschillende metaforische draden van taal, beelden en synesthetische ervaringen met elkaar verweeft. De betekenis van het werk krijgt gestalte in twee metaforen: liefde is vuur en erotische molen. De eerste ligt aan de basis van het werk, wordt niet uitgesproken, maar brengt de connotaties van koesterende warmte en verzengende hitte met zich mee; de tweede wordt tijdens de interpretatie geconstrueerd. Hiertoe geeft de kunstenaar wel aanleiding, omdat zij fragmenten van bestaande dingen als metonymieën gebruikt en deze via beeldende metaforische strategieën met elkaar combineert. Zo vormt zij de metaforen als het ware voor, terwijl zij het proces van betekenisvorming stuurt door middel van de titel. Bij de eerste aanblik wordt de beschouwer getroffen door een bizar, rood ding: iets tussen mens, dier en machine in, terwijl in het verloop van de interpretatie alle elementen zowel wat vorm als betekenis betreft blijken te passen binnen het molenschema, waarin erotiek, gevaar en gekte samenkomen. Le Moulin Rouge toont ons op deze wijze een visie op de zeer intense, maar ook risicovolle aantrekkingskracht tussen mannen en vrouwen. Tevens exemplificeert het werk de dierlijke en mechanische aspecten van de erotiek en het eeuwig doorgaan van het verlangen ernaar. Een algemeen kader voor al deze associaties biedt de titel die ook een expliciete verwijzing naar de kunstgeschiedenis inhoudt. Zo wordt het mogelijk om het werk als een nieuw individu van de soort erotische machines te zien die net als onze metaforische mogelijkheden alsmaar blijven ronddraaien.

Noten

1 W. Bronzwaer, Lessen in Lyriek, Nijmegen 1993, 158.
2 Aristoteles (384-322 v.Chr.) besprak de metafoor in zijn Poetica en Retorica. In de Poetica, Cambridge 1982 is zijn beroemde definitie van de metafoor te vinden, 81.
3 M. Johnson, 'Introduction: Metaphor in the Philosophical Tradition', in: id. (ed.) Philosophical Perspectives of Metaphor, Minniapolis 1981, 3-47.
4 F. Nietzsche, 'Over waarheid en leugen in buiten-morele zin', (1873), in: Waarheid en Cultuur, Meppel 1992, 109-123.
5 Een uitzondering vormt R. Wedewer, Zur sprachlichkeit von Bildern, Köln 1985. Ook J.L. Locher interpreteerde tijdens zijn colleges moderne kunst aan de Rijksuniversiteit Groningen kunstwerken vaak als metaforisch of metonymisch.
6 I.A. Richards, The Philosophy of Rhetoric, (1936), New York 1965 .
7 M. Black, Models and Metaphors, Ithaca 1962, 25-47.
8 G. Lakoff and M. Johnson, Metaphors We Live By, Chicago 1980.
9 Lakoff ontleent de theorie van de 'beeldschema's' aan M.Johnson, The Body in the Mind, Chicago 1987, en werkt dit verder uit in zijn boek Women, Fire, and Dangerous Things, Chicago 1987.
10 De metonymie komt bij Lakoff zowel ter sprake in Metaphors We Live By als in het boek dat hij samen met M.Turner schreef: More than Cool Reason, Chicago/London 1989.
11 G. Lakoff, 'The contemporary theory of metaphor', in: A. Ortony (ed.), Metaphor and Thought, 2nd ed., Cambridge 1993 , 202-251. G.Lakoff and M.Turner, op.cit., (noot 10).
12 P. Ricoeur, 'Die Metapher und das Hauptproblem der Hermeneutik' (1972), in: A. Haverkamp, (Hsg.) Theorie der Metaphor , Darmstadt 1983, 356-375.
13 G. Lakoff and M. Turner, op.cit., (noot 10).
14 G. Steen, Understanding Metaphor in Literature, London/New York 1994.
15 P. Ricoeur, 'The Metaphorical Process as Cognition, Imagination and Feeling', in: S. Sacks (ed.), On Metaphor, Chicago 1978, 141-157.
H. Weinrich, 'Semantik der kühnen Metapher', in: A. Haverkamp, op.cit., 316-339, (noot 12).
16 R. Wedewer, op.cit., 55-65, (noot 5).
17 N. Goodman maakt in Languages of Art, Indianapolis 1968, een onderscheid tussen 'denotatie' en 'exemplificatie' als de twee manieren waarop beelden kunnen verwijzen.
18 Zie bijvoorbeeld: J.A. Michon, 'Waarnemen, werken aan een wereldbeeld', in: L. Feenstra et al. (red.), Waarnemen, Meppel 1989, 39-58. L. Wittgenstein, Philosophical Investigations, (1953), Oxford, 1989, 193-208
19 L. Wittgenstein, ibid., 194.
Zie ook: R. Wollheim, 'Seeing-as, seeing-in, and pictorial representation, in: id. Art and its objects, Cambridge 1980, 205-226.
20 M. Mauss, A General Theory of Magic, London 1972.
21 Zie hiervoor resp.: V. Aldrich, 'Visual Metaphor', in: Journal of Aesthetic Education, 2 Jg., nr.1.1968, 73-86, R.Wollheim, op.cit., (noot 19) , C.R. Hausman, Metaphor & Art, Cambridge, 1989.
22 C. Forceville, Pictorial Metaphor in Advertising , London 1995. Hier is ook gebruik gemaakt van zijn artikelen, 'Pictorial Metaphor in Advertisements', in: Metaphor and Symbolic Activity 9 (1), 1994, 1-29 en 'IBM is a tuning fork: Degrees of freedom in the interpretation of pictorial metaphors', in: Poetics, 23, 1995, 189-218.
23 J.A.W. Heffernan, 'Resemblance, Signification, and Metaphor in the Visual Arts, in: Journal of Aesthetics and Art Criticism , Vol.XLIV, nr.2., 1985, 167-180.
24 A. Danto, The Transfiguration of the Commonplace, Cambridge 1981, 167.
25 F. Thürlemann, Vom Bild zum Raum, Köln 1990, 42.
26 V. Aldrich, op.cit., (noot 21).
27 F. Gilot en C. Lake, Leven met Picasso, Utrecht 1965, 294-295. Tussen de pagina's 272-273. wordt La Venus du Gaz, zonder datering gereproduceerd.
28 I. Kant, Kritik der Urteilskraft, (1790), Stuttgart 1986, 90.
29 Zie hiervoor: M. Jongbloed, Collages in de literatuur en de beeldende kunst, ongepubliceerde doctoraalscriptie, Groningen 1996. M. Riffaterre noemt in, Text Production, New York 1983, een dergelijk metaforenketen een 'extended metaphor'.
30 Ook Forceville merkt in: op.cit. 1994, (noot 22) op dat fysieke gelijkenis bij beeldende metaforen getoond kan worden en dat het primaire onderwerp van een beeldende metafoor vaak verdraaid, versneden of anders gemodificeerd is om een gelijkenis met het secundaire onderwerp te verkrijgen.
31 Het gesprek tussen de kunstenaar en de auteur vond plaats op 30.5.1996.
32 In deze interpretatie is ervoor gekozen om de titel er niet meteen bij te betrekken teneinde iets weer te geven van de tastende, proefondervindelijke manier, waarop een beschouwer te werk gaat als hij voor het eerst met een kunstwerk wordt geconfronteerd.
33 De werkwijze van Trudi van den Berg is verwant aan die van de surrealisten die vaak uitgingen van objets trouvés. Het is ook verwant aan de werkwijze van de 'bricoleur', de knutselaar die C. Lévi-Strauss noemt in zijn boek Het wilde denken, (1962), Amsterdam 1968, 29-32.
34 Uit het gesprek tussen de kunstenaar en de auteur (noot 31).
35 Uit het gesprek tussen de kunstenaar en de auteur (noot 31).
36 Ook de uitdrukkingen 'malen' en 'mallemolen' verbinden de molen met gekte en dwaasheid.
37 Zie hiervoor: Toulouse-Lautrec, Tentoonstellings-catalogus, Hayward Gallery, New Haven 1991, 238-246.
38 M. Duchamp, La Mariée mise à nu par ses célibataires, même, Paris 1934, (bekend als de Groene Doos).

KATALIN HERZOG

Dit artikel werd gepubliceerd in: J.L. de Jong en E.A. Koster (red.), Onverwacht Bijeengebracht, RuG, Groningen 1996.