maandag 27 juli 2009

I HATE IT, I LOVE IT



Na zes en twintig jaar een kunstwerk kunnen realiseren, moet een bijzondere ervaring geweest zijn. De aanvankelijke frustratie en wanhoop maken dan plaats voor een ongekende euforie. Dat was ook af te lezen van het gezicht van Christo toen hij in februari 2005 eindelijk zijn werk, The Gates voltooid zag in het Central Park van New York. Hij had het al in 1979 gepland, maar de New Yorkers vonden de oranje gevaartes in de natuur van het park ernstig misstaan en gaven geen toestemming. Het argument van Christo dat het park een cultuurlandschap was, geheel door mensenhanden gemaakt, zette geen zoden aan de dijk.1 Men zag het werk als een rare gril van de kunstenaar. Hij had al andere gebouwen geheel ingepakt en daardoor onklaar gemaakt, nu moest hij ook nog de enige natuur dat de New Yorkers kenden van hen afnemen. Als hij zo nodig oranje doeken op wilde hangen, waarom dan niet het hele park roze en lichtblauw schilderen? Zoveel geld gaf men niet uit aan iets wat nergens toe diende; hij kon zijn miljoenen beter besteden aan een of ander goed doel.

Maar zelfs toen het tij in 2003 keerde en Christo The Gates mocht realiseren van de regerende burgermeester, was lang niet iedereen enthousiast. Iemand dacht dat door het wapperen van de oranje doeken op de hoge poorten, de roofvogels geen buit meer konden slaan en in de twee weken dat het project duurde, zouden verhongeren. Een ander zei ronduit: ‘I hate it’. Alleen mensen die alles hebben, konden volgens hem zoiets aandoen aan degenen die zo goed als niets hebben. Hij vergeleek het maken van het kunstwerk met deponeren van een drol in iemands voortuin. In zijn ogen was het maken en tonen van kunst in het openbaar een voorbeeld van de volstrekte willekeur van kapitalisten. Ook waren er zwarte Amerikanen die meenden dat het werk er alleen was voor de blanken die vanuit hun hoge gebouwen mooi op neer konden kijken.

De positieve argumenten van Christo over de schoonheid van het werk, de toegankelijkheid ervan voor blank en zwart en de korte duur van het project, waardoor het park niet beschadigd zou worden, vonden alleen gehoor bij de culturele elite die de realisatie van het werk mogelijk had gemaakt. De mensen die dagelijks in het park kwamen, bleven zeuren over de lelijkheid, de nutteloosheid en de hoge kosten van The Gates. En dit alles nog voordat maar één van de poorten was opgericht. Wel kende men de tekeningen en collages van Christo die in de kranten waren verschenen.

Om dit te zien en te horen op de documentaire over de plannen en de uitvoering van het werk is verbijsterend.2 Je zou toch zeggen dat mensen zoveel fantasie zouden hebben dat zij de schoonheid van de poorten met de wapperende, oranje doeken in een winters Central Park voor hun geestesoog konden halen. Je zou veronderstellen dat ze verheugd zouden zijn in afwachting van de bijzondere, nieuwe aanblik van hun vertrouwde park? Niets van dit alles; alleen afschuw, haat en jaloezie was wat de meesten konden uiten.

Op het ons allen aangeboren voorstellingsvermogen en gevoel voor schoonheid kunnen we kennelijk niet vertrouwen als het om kunst gaat. Dan is kennis belangrijker. Men moet iets weten van dergelijke grote werken in het verre en nabije verleden, zoals de Egyptische piramiden, de Romeinse triomfbogen en recente Land Art projecten. En men moet een idee hebben van het verschil tussen de functie van kunst en van sociale projecten. Vooral de laatste soort kennis is van groot belang. Zelfs als men niets van kunstgeschiedenis weet, is het voor het appreciëren van kunst nodig dat men het verschil kent tussen de uitwerking van een boterham met pindakaas en van een bijzondere zintuiglijke ervaring. Je zou kunnen zeggen dat zo’n ervaring alleen tot stand kan komen als de maag al gevuld is. Maar de geschiedenis laat zien dat mensen naast hun basale levensbehoeften ook verlangen naar cultuur en dan vooral naar datgene wat kunst, wetenschap en religie kunnen leveren: de uitdaging om nieuwe mogelijkheden te ervaren en om aan de werkelijkheid zin te geven.

En The Gates voldeden precies aan dergelijke functies. Na realisering, stroomde het publiek toe. Zwart en blank, jong en oud, elite en werklui, allen wilden het wonder van de oranje gloed in het park aanschouwen. Het geluid van de wapperende doeken, de oranje weerkaatsingen in de poeltjes, de oranje schaduwen in de sneeuw, alles vond men prachtig. Velen raakten de palen en de doeken aan en kinderen verdrongen zich om de uitgedeelde stukjes stof te bemachtigen. Sommige mensen gingen verhalen verzinnen om de symboliek van het werk te verklaren en verschillende religieuze groeperingen hielden optochten en zeiden gebeden op onder de oranje poorten. Toen de twee weken bijna voorbij waren, wilde men dat het werk er minstens een maand zou blijven. Maar Christo liet het na zestien dagen afbreken; hij wilde niet dat de verrassing ervan zou vervluchtigen.

The Gates was dus een groot succes en van de kritiek was niets meer te bespeuren. Behalve dan van de parkwachter die meende dat het voor de mensen wel interessant was geweest, maar dat hij de voorkeur gaf aan de voor de winter opgevouwen parasols in het park. Die waren ook van doek en dienden nog ergens voor. The Gates was niets anders geweest dan kunst, je kon er niet over nadenken, je kon de betekenis ervan niet vatten, je kon er alleen naar kijken. Het was slechts kunst! Ook al had de man dagelijks enthousiaste menigten gezien die van het werk hadden genoten, zijn vooroordelen had hij kennelijk niet opgegeven.

Gaat het hier om een stijfkoppig individu of is hij het symptoom van een belangrijk hiaat in onze cultuur. Misschien waren er veel meer mensen die net zo dachten, ook al hadden zij zich mee laten sleuren door het algemene enthousiasme. Central Park was gedurende twee weken immers the place to be. Reageerden zij dus eerder op het spektakel dan dat zij zelf een bijzonder kunstwerk hadden beleefd?

Waarschijnlijk hebben The Gates bij de New Yorkers weinig toegevoegd aan hun kennis over kunst. Bij een volgend groot kunstproject zal de onverdraagzaamheid ten opzichte van nutteloze, maar inspirerende ideeën wel even groot zijn. Dit is te wijten aan de op economisch nut gerichte westerse cultuur, het gebrek aan goed onderwijs over kunst en cultuur, maar ook enigszins aan Christo zelf. Hij had prachtige tekeningen en collages gemaakt die wonderlijk goed de werking van The Gates weergaven, maar hij weigerde ook maar iets te zeggen over de functie en de symbolische betekenissen van zijn werk. Toen hem gevraagd werd wat het werk voorstelde en waartoe het diende, reageerde hij geïrriteerd. Hij was afkomstig uit communistisch Burgarije en weigerde dus om iets te maken dat enige nut had. Het werk diende alleen zijn eigen plezier. Het was er, omdat de kunstenaar dat zo had gewild.

Iemand die kennis heeft van de wereld- en de kunstgeschiedenis zal Christo volledig begrijpen. De communisten hadden korte metten gemaakt met ongeveer honderd jaar ontwikkeling in de kunst en stelden kunstwerken weer in dienst van een ideologie, zoals dat ook voor de 19de eeuw het geval was. Moderne en vooral abstracte kunst, die het nut had afgezworen, verboden zij in de Sovjet Unie en diens satellietstaten. Komende uit een dergelijke omgeving is het voorstelbaar dat Christo een grote vrijheidsdrang heeft. Maar juist hierdoor heeft hij geen volledige zicht op de functie van hedendaagse kunst. Als kunst alleen de eigen willekeur van de kunstenaar dient, is het niet interessant. Niet elke ‘oprisping’ van elk individu is cultureel belangrijk. Natuurlijk was het niet ontstaan zonder het idee en het initiatief van de kunstenaar, maar kunst heeft, en dat is vooral het geval bij de werken van Christo, een openbare functie. Het publiek moet het kunnen beleven, moet erover kunnen fantaseren, moet er betekenissen aan kunnen verbinden, moet het ritueel in bezit kunnen nemen. Het werk moet tot al dit gedrag uitdagen en dat is precies wat The Gates daadwerkelijk hebben gedaan..

Christo heeft deze mogelijkheden aan zijn werk meegegeven, maar niet beseft dat zijn verbale uitingen averechts werkten. Het was hem, en de culturele elite uit zijn omgeving, onmogelijk om zich echt in het publiek te verplaatsen. Dat publiek had niet genoeg aan de tekeningen en collages van de kunstenaar om zich de mogelijkheden van The Gates voor te kunnen stellen. Zij wisten wat zij hadden, de ‘natuurbeleving’ van het park, maar kregen zij geen voorbeelden ervoor wat zij konden beleven en denken naar aanleiding van het kunstwerk. Had Christo, of iemand uit zijn omgeving, in het openbaar gefantaseerd over The Gates, was er meer kennis geboden om het werk te kunnen interpreteren en/of om het werk ritueel te kunnen beleven, dan had Christo misschien niet zesentwintig jaar hoeven te wachten op de realisatie ervan en de demotiverende kritiek niet hoeven te verdragen.

Opgesloten zijn in de kunstwereld of beperkt worden door de dagelijkse wereld van het nut verschillen dus niet zoveel van elkaar. Beide zijn tragisch en leiden tot kortzichtigheid. Gelukkig hebben The Gates zelf de grenzen tussen beide werelden kunnen doorbreken, en al was het maar voor even, mensen die belevingen, fantasieën en betekenissen kunnen bieden, waartoe kunst altijd al in staat is geweest.

NOTEN:

1. Anderhalf eeuw geleden kocht de stad een stuk moerassig land, waarop het park door landschapsarchitecten werd gerealiseerd.
2. De documentaire ‘Christo pakt New York in’ werd op 24, juli, 2009 in het tv programma ‘Het uur van de wolf’ uitgezonden.

KATALIN HERZOG