zaterdag 2 november 2013

WAT IS DAAN ROOSEGAARDE?



Daan Roosegaarde weet precies ‘wat’ hij is, maar daar zijn nog geen woorden voor. Dus grossiert hij in karakteriseringen van zichzelf als: dominee, ondernemer, architect, ontwerper en innovator. En hij bevindt zich er overal tussenin. Roosegaarde maakte veel indruk als de laatste Zomergast van het seizoen 2013. Vol geestdrift zat hij tegenover Wilfried de Jong die steeds maar wilde weten of hij nu kunstenaar dan wel designer was. Maar de ‘jonge uitvinder’ legde zich niet vast en noemde zich ook geen kunstenaar, hoewel hij zich in de periferie van de kunstwereld bevindt.

Roosegaarde weet ook precies ‘wie’ hij is. Hij is nog steeds die jongen die vroeger nergens in paste en hierin zijn identiteit vond, toen hij op de kunstacademie vrij spel kreeg om zijn ideeën vorm te geven en op het Berlage Instituut leerde om ze ook te verwoorden. Sindsdien praat hij als Brugman om een nieuwe wereld tot stand te brengen, waarin verbeelding en technologie elkaar ontmoeten. Met de oude wereld houdt hij zich niet bezig. ‘Meneer Rozebottel, dat lukt u nooit’, wil hij niet horen. Die oude wereld is op sterven na dood. Nu komt het erop aan om de ver gevorderde technologie te gebruiken om onze omgeving te verbeteren en ons dichter bij elkaar en de natuur te brengen. Aanvankelijk werden zijn werken als Dune, een ‘korenveld’ van leds die op beweging reageert, door de musea opgepikt. Nu de crisis heeft toegeslagen en bedrijven moeten vernieuwen om het hoofd boven water te houden, werkt hij onder andere met de wegenbouw samen om een zichzelf verlichtende snelweg, Smart Highway, te realiseren.

Zijn enthousiasme is aanstekelijk en hoopgevend in deze tijden, maar - en dit woord is bij hem taboe - hij is ook zeer naïef. Met hoeveel aplomb hij ideeën als nieuwe wereld en menselijkheid ook gebruikt, hij begrijpt ze maar ten dele. Dit komt doordat hij een utopist is die zichzelf als eenling overschat. Utopisten hebben de neiging om te denken dat alles geheel anders kan. Of zij nu het nieuwe slechts voorstellen of door revoluties willen bewerkstelligen, zij beseffen vaak niet dat het oude niet zomaar weggedacht of weggevaagd kan worden, omdat het in dingen en mensen verankerd is. Hoewel Roosegaarde meent de wereld aan te kunnen, is hij geen grote revolutionair. Eerder is hij een creatieve bemiddelaar tussen bestaande technologieën, bestaande problemen en nieuwe oplossingen, maar hij kijkt wel neer op tradities. Hoe begrijpelijk dit vanuit zijn enthousiasme voor de toekomst ook is, het is juist dit dedain dat utopisten altijd heeft opgebroken. In de loop der tijd hebben wij gezien dat ‘weg met de religie’ (Verlichting), ‘weg met het privébezit’ (Marxisme) en ‘weg met de voorstellende kunst’ (abstracte kunst) het denken prikkelen, maar bij realisering niet alleen nieuwe ideeën en vormen, maar ook ellende veroorzaken. Op den duur verandert er wel iets in de cultuur, maar nooit bij toverslag, nooit overal en zeker niet door één individu.

‘Meneer Rozebottel’ gaat het integreren van de technologie in ons dagelijks leven te langzaam. Beseft hij wel dat die technologie zijn prijs heeft wat de uitbuiting van de aarde betreft? Ziet hij wel dat de technologie nog lang niet voor iedereen beschikbaar is en in sommige landen ook niet de prioriteit heeft? En, is hij wel van het gevaar doordrongen dat de grote bedrijven, waarmee hij samenwerkt, makkelijk zijn kleine studio kunnen opslokken? Zijn wolkeloze geest is tegelijk zijn grootste goed en zijn valkuil. Enig gevoel voor betrekkelijkheid en een beetje melancholie zijn wel nodig om aan vernieuwingen diepgang te verlenen. Maar misschien komt die wijsheid nog wel.

KATALIN HERZOG


Gepubliceerd in KunstKrant, Jg.17, Nr.6, november/december 2013, p. 9.