woensdag 17 oktober 2018

SCHERING EN INSLAG VAN KUNST EN WETENSCHAP
































Weven
Archives of absence, archives of presence is de verzameltitel van een driedelige reeks tentoonstellingen, waarbij de kunstenaars Sibylle Eimermacher en Martin Brandsma een samenwerking zijn aangegaan. De exposities zien zij als een ode aan het begrip ‘consilience’ dat aanvankelijk op de verbinding van verschillende natuurwetenschappen duidde en later ook toegepast werd op het samengaan van wetenschappen en kunsten. De kunstenaars ‘adopteerden’ dit begrip, omdat zij in hun werk geologische en biologische materialen/kennis bijeenbrengen en eveneens methoden en presentatievormen uit de natuurwetenschappen en de beeldende kunst met elkaar ‘verweven’. Gedurende de laatste tentoonstelling verschijnt ook dit kunstenaarsboek, onder dezelfde titel. Sommige van de in de exposities gebruikte ingrediënten worden hier – in een andere vorm – aan beschouwers gepresenteerd, opdat zij spelenderwijs mee kunnen weven. Onderstaande teksten bieden hiervoor eveneens materiaal. Ze komen voort uit begrippen die tijdens het voorbereidend gesprek van ondergetekende met de kunstenaars aan de orde kwamen en die hier voor beschouwers verder uitgewerkt zijn. Bij het verweven van al het beschikbare materiaal: de tentoonstellingen, de ingrediënten en de teksten in het boek, zou de volgende gedachte behulpzaam kunnen zijn. Op een weefgetouw werken de draden, schering en inslag, samen om een weefsel te vormen. Van de keuze en de hantering van deze draden hangt het karakter van het nieuwe weefsel af – een interpretatie – die meer voor begrip voor de getoonde werken van de kunstenaars kan zorgen en misschien ook tot meer inzicht in het maken van hedendaagse kunst leidt.

Zoeken en verzamelen
Gedurende de winter van 2016-2017 speurden Sibylle Eimermacher en Martin Brandsma het Holtingerveld af, een natuurgebied in Drenthe. Hoogveen, heidevelden en zandverstuivingen kenmerken dit landschap, waarin zich ook een stuwwal bevindt die tijdens de laatste ijstijd, zo’n 20.000 jaar geleden, ontstaan is. Met de Scandinavische gletsjers kwamen de vuurstenen mee die Eimermacher nu in de zandverstuivingen opraapte. Intussen zocht Brandsma onder uitkijkbomen naar de braakballen van klapeksters (Lanius excubitor), vogels die elk jaar uit Scandinavië vertrekken om hier te overwinteren. De gevonden objecten hebben alleen hun vindplaats gemeen, maar ze functioneren wel als pars pro toto voor de fascinaties van de kunstenaars. Bij Brandsma is dat de ‘omgang’ met klapeksters en bij Eimermacher het ‘contact’ met verschillende soorten stenen.1

Definieren
-Vuursteen is een zeer harde steensoort die in de Krijtperiode, zo’n 100 miljoen jaar geleden, ontstaan is. De stenen werden in sedimenten op de zeebodem gevormd en uit kiezelzuur, water en fossielen samengesteld. Ze hebben verschillende vormen, soms omhuld met kalksteen, waarin ze ooit ingebed waren. Het kiezelzuur is waarschijnlijk afkomstig van skeletten van zeeorganismen, grotere zoals sponzen en zeer kleine, zoals radiolariën en diatomeeën. Na hun dood zakten ze naar de zeebodem, waarna hun skeletten in kiezelzuur werden omgezet. Vermengd met de overblijfselen van andere organismen kwam deze substantie in de gangen van zeedieren zoals kreeften terecht, waarna het geheel versteende. Van de vuurstenen in het Holtingerveld zijn nu meestal slechts splinters te vinden; gekloofd door het ijs of door ijverige fossielzoekers.
-Braakballen worden gevormd uit onverteerbare resten van prooien die roofvogels, maar ook klapeksters, regelmatig uitbraken. De vogels hebben hiertoe twee magen, één om voedsel te verteren en één om resten in op te slaan. Deze worden in de maag samen gekneed, waarna de vogels zich ervan ontdoen. In de braakballen van klapeksters zijn overblijfselen van kleinere dierensoorten te vinden, zoals muizen, zangvogels, hagedissen, kikkers en insecten. Ze hebben een smalle, langwerpige vorm, bevatten haren, veren, botjes en soms ook de prachtig iriserende schilden van keversoorten. Hun structuren zijn divers, maar ze vergaan alle vrij snel.2

Vergelijken, ontleden, determineren
Door het oprapen, redden de kunstenaars sommige van deze objecten voor verder verval, waarna zij ze als afzonderlijke gehelen observeerden. Daarbij merkten zij enkele verschillen en overeenkomsten op. De objecten hebben andere maten (de braakballen meten 1,5 tot 4,5 cm en de vuurstenen 3,5 tot 8,5 cm), maar wel een soortgelijke vorm. Bovendien zijn ze beide conglomeraten van verschillende organismen. Als afzonderlijke ‘individuen’ kunnen ze als exempels worden gezien van eeuwige en tijdelijke, natuurlijke archieven die, om kennis van hun inhoud te verkrijgen, ontsloten moeten worden. De kunstenaars plaatsten de objecten eerst in verschillende combinaties naast elkaar, opdat hun visuele aspecten dialogen met elkaar zouden aangaan. Daarna plozen zij enkele braakballen uiteen en bekeken de fossielen in de vuurstenen nauwkeurig. Vervolgens lieten zij de ingrediënten door specialisten in de geologie en de biologie determineren, waardoor zij ook de Latijnse namen van de resten verkregen.3

Samples en exemplificatie
De verzamelde objecten kunnen in meerdere opzichten als samples worden beschouwd. Zoals gezegd, functioneren ze als pars pro toto voor de fascinaties van de kunstenaars en zijn exempels van natuurlijke archieven. Ze vormen echter ook samples van geologische en biologische fenomenen, zoals die in natuurwetenschappelijke verzamelingen voorkomen; keurig gerangschikt en van Latijnse namen voorzien. Maar niet alle samples vervullen een wetenschappelijke functie. Stalen die kleermakers vroeger gebruikten, zodat een klant stof voor een kostuum kon uitkiezen, hebben met samples gemeen dat ze sommige eigenschappen van het materiaal wel tonen, maar andere niet. Met dergelijke stalen komen we dicht bij de theorie die de filosoof Nelson Goodman in de jaren zestig over symbolische verwijzingen binnen de cultuur opstelde. Goodman onderscheidt hier twee vormen van: denotatie en exemplificatie. Denotatie verwijst op symbolische wijze naar iets en maakt daarbij gebruik van notatiesystemen, zoals geschreven taal, muzieknoten of diagrammen. Denotatie werkt als een label die iets ‘zegt’ over datgene waarnaar het verwijst. Exemplificatie, die vaak in de kunsten voorkomt, kan vereenvoudigd als volgt weergegeven worden: iemand schildert bijvoorbeeld een tafel. Dan is het ‘tafelschilderij’ een symbool dat via exemplificatie naar voorstellingen van tafels in het algemeen verwijst. Exemplificatie toont dus iets van datgene waarnaar het verwijst. Het schilderij is een sample van tafelvoorstellingen – en niet van tafels in de dagelijkse werkelijkheid – terwijl het label ‘tafelvoorstellingen’ via denotatie naar het schilderij terugverwijst.4

Colligation en consilience
Het begrip ‘colligation’ werd door de filosoof en wetenschapshistoricus William Whewell in de 19de eeuw binnen de natuurwetenschappen gebruikt. Hij is ook de bedenker van het begrip ‘consilience’ dat Eimermacher en Brandsma met hun werk verbinden. Whewell ging door op de inductieve methode om kennis te verkrijgen (afleiden van wetten uit een verzameling van specifieke waarnemingen). Hij benadrukte echter dat de waarnemingen bij elkaar moeten worden gebracht door een concept om ze in een algemene wet te kunnen vatten. Dit noemde hij colligation dat samenbinden betekent. Maar hoe komen wetenschappers tot zulke concepten? Volgens Whewell laten zij eerst mogelijke concepten in hun geest opkomen, die daar al onbewust aanwezig waren. (Dit is een heuristische fase van het onderzoek, waarin het ‘uitvinden’ belangrijk is.) Daarna onderzoeken wetenschappers welk concept de waarnemingen het best met elkaar verbindt. Als de colligatie gelukt is, moet er een generalisatie plaatsvinden, waarna de ‘gevonden’ wet aan een serie tests wordt onderworpen. Eén daarvan, de consilience, toont aan of de wet ook op andere dan de oorspronkelijke waarnemingen van toepassing kan zijn. Volgens Whewell vindt consilience van inducties plaats als een inductie op grond van bepaalde waarnemingen ‘samenspringt’ met een andere inductie, gebaseerd op waarnemingen uit een ander gebied. Zo wordt het mogelijk om verschillende natuurwetenschappen bij elkaar te brengen voor het verkrijgen van fundamentele waarheden over de natuur.5

Consilience en de eenheid van kennis
Vertrekkend vanuit het begrip consilience, pleitte de sociobioloog Edward O. Wilson in de 20ste eeuw voor de eenheid van alle kennis. Wilson onderschrijft de opvatting uit de Verlichting dat alle natuurlijke fenomenen via oorzaak en gevolg, rationeel verklaard kunnen worden. Dit ondersteunt hij met twee oudere opvattingen. De eerste is de Griekse gedachte, uit de 6de eeuw v. Chr. dat aan alles in de werkelijkheid één substantie ten basis ligt, bijvoorbeeld water. De tweede is het Christelijke geloof in de almachtige God die de wereld volgens zijn wetten heeft geschapen, waardoor het voor mensen plausibel wordt om die wetten en hun werkingen te achterhalen. Door het samenkomen van deze zienswijzen konden, volgens Wilson, westerse wetenschappers vanaf de 17de eeuw met behulp van consilience – de consistentie van causale verklaringen – opmerkelijke verbanden tussen de natuurwetenschappen vaststellen. Zo ontdekten zij op den duur hoe biologische organismen gereduceerd kunnen worden tot moleculen die aan de wetten van de scheikunde gehoorzamen, terwijl hun elementen geregeerd worden door de wetten van de kwantumfysica. Wilson concludeert dan ook dat consilience eenheid brengt in alle natuurwetenschappen. Vervolgens maakt hij zich sterk voor de gedachte dat ook de geesteswetenschappen, de sociale wetenschappen, en zelfs de kunsten, tot de eenheid van alle kennis zouden bijdragen.6

Wetenschap en kennis
Binnen het postmodernisme, aan het einde van de 20ste eeuw, verloren moderne waarden als vernieuwing en originaliteit aan kracht, waardoor de kunsten zich voor vele tradities en bronnen konden openstellen. Kunstenaars gingen nu ook kennis en methoden aan de wetenschapen ontlenen. Gaandeweg werden de overeenkomsten in creativiteit en werkmethoden tussen de kunsten en de wetenschappen sterker benadrukt. Nu ligt creativiteit aan alle menselijke activiteiten ten grondslag en werkmethoden behoren ook niet exclusief tot één discipline. In de praktijk echter bestaan er tussen de kunsten en de wetenschappen aanzienlijke verschillen. En dergelijke verschillen gelden ook voor de wetenschappen onderling, zoals dat bij de natuur- en geesteswetenschappen te zien is. Het onderzoek in de natuurwetenschappen kent heuristische fases, waarin de creativiteit vrij spel heeft, maar het gebruik van andere methoden is streng gereguleerd. Waarnemingen moeten bijvoorbeeld nauwkeurig gepland en gedocumenteerd worden, hypotheses aan de werkelijkheid getoetst worden en experimenten reproduceerbaar zijn. De natuurwetenschappen gaat het immers om verklaringen van de werkelijkheid die niet alleen de nieuwsgierigheid bevredigen, maar ook betrouwbare kennis moeten opleveren voor gebruik in de werkelijkheid. De geesteswetenschappen, die de menselijke cultuur bestuderen, zijn minder streng gereguleerd. Ze zijn vooral gericht op ervaringen en betekenissen, waarbij hun belangrijkste methode, de interpretatie, geen vaste regels kent. Hierdoor staan ze dichterbij de kunsten. Toch zijn ook deze wetenschappers gebonden aan een kritische instelling, logische argumentatie, documentatie van bronnen en intersubjectiviteit. Uiteindelijk streven de natuurwetenschappen naar waarheid, terwijl de geesteswetenschappen op intersubjectieve waarachtigheid gericht zijn.7

Kunst en kennis
Regels, zoals die binnen de wetenschappen gelden, ontbreken in de hedendaagse kunsten. Alle technische en inhoudelijke regels, waaraan kunstenaars eerder gebonden waren, zijn vanaf de 19de eeuw geleidelijk aan verlaten. Hedendaagse beeldend kunstenaars moeten hun werkwijzen en thema’s nu zelf kiezen/vinden en hiervoor kloppen zij ook aan bij de wetenschappen. Zij hoeven zich echter niet aan wetenschappelijke regels te houden; het ontleende mogen zij op verschillende manieren gebruiken en veranderen. Zij zijn ook niet alleen aangewezen op de huidige wetenschappelijke kennis. Verouderde kennis, mythische en magische overleveringen en zelfs expliciete onzin kan materiaal voor kunstwerken zijn. Dit heeft ermee te maken dat de cognitieve functie van de kunsten verbonden is met hun poëtische en esthetische functies. Als kunstenaars methoden en kennis aan de wetenschappen ontlenen, bewerken zij deze altijd ten dienste van hun werk. Kunstwerken kunnen tot diepe inzichten leiden, maar ze hoeven geen theoretische of praktische problemen op te lossen en geen betrouwbare of intersubjectieve kennis te ‘produceren’. Ze zijn in staat om allerlei problemen te tonen en daarover vragen te stellen of verwondering op te wekken, maar dan wel in vormen die aanleiding geven tot poëtische en esthetische ervaringen.8

Het grote weefgetouw
In zijn boek Consilience, The Unity of Knowledge hanteert Edward O. Wilson de prachtige metafoor van het individuele brein van mensen als een ‘betoverd weefgetouw’. Het brein “weeft voortdurend aan een beeld van de buitenwereld, haalt weefsels uit en weeft ze opnieuw, vindt andere werelden uit en creëert zo een miniatuur universum”. Analoog hieraan weeft, volgens Wilson, de gemeenschappelijke geest van samenlevingen aan de cultuur. Wetenschappen en kunsten werken beide aan dit weefsel. Maar Wilson wijst ook op de verschillen in de functies van de disciplines. Wetenschappen zorgen voor het in kaart brengen van de externe werkelijkheid en kunsten brengen verhalen, beelden en ritmes voort. Ook al verschillen ze dus van elkaar, samen zijn ze in staat om onze afkomst en aard uit te leggen en zo een beeld van de menselijke conditie te bieden die zich vanaf het begin van de genetische evolutie tot op heden is blijven ontwikkelen. Wilson verweeft dus eerst de wetenschappen en de kunsten op het niveau van de cultuur, maar brengt dan, als rechtgeaarde reductionist, daaronder weer een laag aan, die van de genetische evolutie. Vervolgens pleit hij voor een interpretatie van de kunsten vanuit die evolutie, wat erop neerkomt dat de kunsten op deze wijze wel wetenschappelijk ‘verklaard’, maar niet ‘geïnterpreteerd’ worden. Vanuit zo’n reductie is weer een synthese mogelijk, maar dit kan niet verhullen dat voor Wilson aan al die werelden die de menselijke geest weeft, slechts één wereld ten grondslag ligt, die van de natuurwetenschappen.9

Wereldmaken
Ook Nelson Goodman heeft het over werelden, maar bij hem worden ze gemaakt of gebouwd. Hij gelooft niet in het bestaan van een basale wereld; de wereld van de natuurwetenschappen is voor hem slechts één van de mogelijke werelden die we maken en ervaren. Volgens Goodman maken we een wereld niet uit het niets, maar altijd uit symbolen, delen van andere werelden. Werelden zijn voor Goodman symboolsystemen, die we voortdurend vermaken, waardoor nieuwe werelden slechts versies van en visies op werelden in het algemeen zijn. De versies van de kunsten, die we met behulp van beelden, geluiden en gebaren bouwen, neemt Goodman even serieus als de versies van de wetenschappen. Beide soorten beschouwt hij als manieren van ontdekken, creëren en accumuleren van kennis en inzichten. Bij zijn analyse van het ‘wereldmaken’ komt hij tot de volgende methoden: Componeren en ontleden van bestaande werelden door analyseren van delen, leggen van nieuwe verbanden en op een nieuwe manier samenstellen van delen. Benadrukken van sommige delen van werelden en negeren van andere, waardoor werelden met dezelfde structuur toch verschillend worden. Ordenen van delen van werelden bijvoorbeeld naar maat, afstand, tijd, belangrijkheid of nuttigheid. Verwijderen en aanvullen als bij het maken van een wereld oud materiaal wordt weggenomen en de hiaten met nieuw materiaal worden opgevuld. Deformeren als werelden opnieuw gevormd worden door hun eerdere samenhang op te breken; dit kan als correctie of als deformatie gezien worden. Volgens Goodman kunnen we een geschiedenis van zo’n methode schrijven, maar op deze wijze niet achterhalen waar werelden echt vandaan komen. De filosoof meent dat “het zoeken naar een universeel of noodzakelijk begin het beste overgelaten kan worden aan de theologie.”10

Katalin Herzog, augustus 2018

Noten

1. Uit het gesprek met de kunstenaars op 07-29-2018.
2. www.geologievannederland.nl; https://nl.wikipedia.org/wiki/Braakbal; N. Lefranc and T. Worfolk, Shrikes; Pica Press, Sussex 1997.
3. Ibid. noot 1.
4. N. Goodman, Languages of Art, Bobbs-Merril Company, INC., Indianapolis 1968.
5. W. Whewell, The Philosophy of Inductive Sciences, J. W. Parker, Londen 1847; Stanford Encyclopedia of Philosophy,’ William Whewell’, https://plato.stanford.edu/entries/whewell/
6. E. O. Wilson, ‘Consilience among the Great Branches of Learning’, in: Daedalus, Vol. 127, nr .1, 1998, pp.131-149; E. O. Wilson, Consilience, The Unity of Knowledge, Vintage Books, New York 1999.
7. K. Herzog, Lezing 2009: ‘Kunst en wetenschap, zijn ze wel familie van elkaar?’, https://kunstzaken.blogspot.com/2012/04/kunst-en-wetenschap-zijn-ze-wel-familie.html
8. Ibid. noot 7.


Engelse vertaling gepubliceerd in: Sibylle Eimermacher & Martin Brandsma / Archives of absence, archives of presence / 2018.

Zie: ‘Informatie over de reeks tentoonstellingen: Archives of absence, archives of presence’ in het vorige blogbericht.

Geen opmerkingen: