donderdag 29 oktober 2015

WIE IS HET PUBLIEK?




In tegenstelling tot wat Randstedelingen soms denken, kun je in Groningen ook iets beleven, bijvoorbeeld op het Noorderzon festival, waar onlangs een kunstrel ontstond. Op 21 augustus 2015 werden twee bezoekers razend van een in het Noorderplantsoen tentoongesteld beeld. Zij wilden het vernielen en bedreigden een medewerker van het festival met een knieschot.

De paniek was groot; beschuldigingen en verdachtmakingen vlogen over en weer. De festivalleiding onttrok het werk aan het zicht, de verantwoordelijke galerie verbrak daarop de samenwerking met het festival. Op Twitter sprak men schande van de zieke geest van de kunstenaar of van de ‘vieze kakkerlakken’ die dit kunst noemden. De kunstenaar, Harma Heikens, begreep niets van de commotie. Het betreffende werk Toys in the Attic (2014) was al vaker in galeries tentoongesteld; nergens waren er problemen gerezen. Het beeld toont een kind met een afgezakt broekje en een konijnenmasker op, terwijl zij aan een dildo knaagt. Volgens de kunstenaar gaat het werk over de slecht begrepen en gecompliceerde realiteit van het kindermisbruik. Toch werd zij zelf van pedofiele neigingen beticht. Heikens gaat er echter van uit dat ‘kunst nog steeds een vrijplaats is’ en hoopt dat het snel ‘weer zal overwaaien’.

Deze rel is nu al oud en je hoort er niets meer van. Toch wil ik het hier aan de orde stellen, omdat het ons iets kan leren over de huidige toestand van de beeldende kunst. Dat kunst kritisch kon zijn, kwam al in de 18de eeuw op. De 19de-eeuwse avant-garde kunstenaars, die uit de burgerij afkomstig waren, zetten zich af tegen de preutse waarden van hun ouders en verworven, met behulp van het kritische Verlichtingsdenken, veel vrijheid voor de kunst. Maar deze vrijheid ging ook met sterke dogma’s gepaard, onder andere dat moderne kunst altijd kritisch en provocatief moest zijn, vooral tegenover de burgerij.

Toen de geschoffeerde burgers echter ook de kopers werden, lieten zij zich geduldig door de moderne kunst beledigen. Zo werd de eens provocerende kunst een tandeloze tijger. Omdat het toch ‘maar kunst’ was, wende ook het ‘grote publiek’ aan al die gekkigheid. Zo raakte extreme vrijheid verknoopt met nieuwe geboden, waar de kunst tot op heden last van heeft.

Ondertussen veranderde er iets bij het publiek. De ‘massa’ ging zich alsmaar vijandiger opstellen tegenover de ‘hoge cultuur’, waaronder de moderne kunst. Terwijl het klassenonderscheid in het westen zo goed als verdween, nam de kloof tussen laag- en hoogopgeleiden gestaag toe. Laagopgeleiden lieten zich de relativerende waarden en de dogma’s van de elites niet meer aanleunen. En het hield niet op bij deze tweedeling in de maatschappij. Vanaf het einde van de 20ste eeuw kwamen er veel immigranten met een islamitische achtergrond naar Europa. Sindsdien wordt het mengsel van moderne, westerse waarden verder gecompliceerd door oudere waarden die in het Westen ‘overwonnen’ leken te zijn.

Zie hier in het kort de veranderingen die invloed hebben op de huidige kunst en de samenstelling van het ‘publiek’. In de galeries waar Toys in the Attic werd tentoongesteld, komt vooral publiek dat met de gemengde codes van de moderne kunst bekend is. Worden dergelijke werken echter in de openbare ruimte getoond, dan komen zij ook andere gelederen van het publiek onder ogen. Sommigen kennen die codes niet en hebben geen idee waar het in deze werken om gaat. Uitgaande van hun eigen waarden, storen zij zich zozeer aan deze ‘kunst’ dat zij tot geweld willen overgaan.

Uit het voorgaande leid ik niet af dat kunstenaars voortaan aan zelfcensuur moeten doen en/of dat tentoonstellingsmakers sommige werken moeten weren. De vrijheid van de kunst heeft voor mij in principe met de vrijheid van mensen te maken, zoals Immanuel Kant al beweerde. Wel vind ik dat de kunstwereld rekening dient te houden met de nieuwe maatschappelijke werkelijkheid en samenstelling van het publiek. Alle kunst moet toegankelijk zijn voor wie haar wil zien en geen enkel kunstwerk verdient het om vernield worden, maar kunst mag ook niet arrogant opgedrongen worden. Laten wij daarom het begrip ‘decorum’ weer in ere herstellen en met de plaats en het publiek van kunstwerken rekening houden, opdat de vrijheid van de ene niet de vrijheid van de ander onmogelijk gaat maken.

KATALIN HERZOG

(Het plaatje bij deze column toont squeaky toys, waar Harma Heikens o.a. inspiratie voor de vormgeving van haar beelden aan ontleent.)

Deze column werd gepubliceerd in de KunstKrant, 19de Jg., nr. 6, november/december 2015.