woensdag 1 juli 2015

HOERA, IK HANG IN HET MUSEUM



Voor het vijfde jaar organiseert het Haags Gemeentemuseum de ZomerExpo, waarop iedereen ‘kunstwerken’ kan inzenden. Gedurende vier voorrondes worden schilderijen, foto’s en beelden van hobbyisten en beroepskunstenaars anoniem door twee jury’s gekeurd, waarna de uitgekozen producten in het museum worden tentoongesteld. Het doel is om ‘de hedendaagse kunstbeoefening in zijn volle breedte te laten zien en een unieke collectie hedendaagse kunst met het publiek te verenigen’.

Wat een gouden idee van directeur Benno Tempel om veel publiek naar zijn museum te lokken, zou je denken. Maar erg origineel is het niet. Al in 1769 werd in de pas gestichte Royal Academy in Londen de eerste Summer Exposition met een open inschrijving gehouden. Tot op heden kun je daar elk jaar rijp en groen, traditioneel en hedendaags naast elkaar bekijken; zelfs beroemde kunstenaars zijn er niet vies van om hier tentoon te stellen.

Kan zo’n traditie gewoon naar Nederland worden overgeplant? Engelsen denken immers heel anders over ‘art’ dan Nederlanders over ‘kunst’. Voor de Britten heeft het woord nog de oude connotatie van ‘kunde’ die vroeger bij een goede opvoeding hoorde en ook nu nog met kunst wordt geassocieerd. In Nederland heeft het woord ‘kunst’ daarentegen de connotatie van iets hoogstaands, iets verheffends wat door beroepskunstenaars wordt gemaakt, terwijl vele anderen met leuke hobby’s bezig zijn. Deze 19de eeuwse opvatting lijkt tegenwoordig vermengd te worden met ideeën als: ‘alles kan kunst zijn’ en ‘iedereen is kunstenaar’, waardoor een dergelijke tentoonstelling tot de officieel gewenste democratisering van de kunst kan bijdragen.

Maar is dit ook het geval of houden Nederlanders nog vast aan oudere ideeën over wat wel of niet ‘echte kunst’ is? Avro’s Kunstuur zond op 10 mei een compilatie uit van de selectie in Tilburg voor de ZomerExpo die dit jaar het thema Woest heeft gekregen. Er kwam veel geknutsel voorbij van mensen die beweerden hun ‘emotie te willen kwijtraken’ of dachten bij de volgende avant-garde te horen. Van een mevrouw die acht keer de dood in de ogen had gekeken en sindsdien het leven vierde, werd een collage van gedroogde bloemen, vruchten en groenten afgewezen. Zij was er echter van overtuigd dat zij ‘haar tijd ver vooruit was’.

Van een andere mevrouw werd een groot, woest schilderij door beide jury’s geaccepteerd. In zijn toelichting prees een kunstverzamelaar, lid van de tweede jury, dit krachtige, ‘expressionistische’ werk, maar voegde eraan toe dat als je het oeuvre van de kunstenaar niet kent, je niet over een werk kan oordelen; ‘je kunt alleen maar kiezen’. Katinka Simonse, met de kunstenaarsnaam Tinkebell, was eveneens lid van deze jury. Zij vond dat ‘de ZomerExpo iets onmogelijks was, maar wel een gedachte-experiment kon zijn’. Als professionele kunstenaar zou zij er nooit aan meedoen! Volgens haar ‘kun je een werk zonder context niet als kunst beoordelen’. Dus fantaseerde zij er een context bij toen het over de kwaliteit van één van de werken ging. En een conservator van het Haags Gemeentemuseum meende dat de Zomerexpo een soort conversation piece was; het publiek zou er in discussie gaan over wat nu wel of niet kunst is.

Jet Bussemaker, minister van onderwijs, cultuur en wetenschap kan dus wel een democratische en maatschappelijk betrokken kunst voorstaan, aan de reacties tijdens deze voorronde is te merken dat oudere ideeën over kunst nog springlevend zijn. De hobbyisten willen graag als echte kunstenaars ‘in het museum hangen’ en gebruiken clichés als ‘kunst is emotie’ en ‘versmade kunst is haar tijd vooruit’ om hun werk te rechtvaardigen. En de juryleden, die zeggen over deze producten niet als kunst te kunnen oordelen, doen dat toch door de kunstgeschiedenis, de kunstcontext en het debat over de definitie van kunst erbij te halen.

De ZomerExpo is dus geen kopie van de Summer Exposition in Londen, want de situatie en de ideeën zijn in beide landen anders. Passend bij de opvattingen over ‘art’ wordt in Londen de tentoonstelling in een kunstacademie gehouden, terwijl men in Nederland het geknutsel tot officiële kunst probeert te verheffen. Mijn voorstel is dan ook om deze tentoonstelling voortaan in een museum van volkenkunde te houden. Door het tonen van allerlei artefacten kunnen daar namelijk de vanzelfsprekende opvattingen die een cultuur over zichzelf heeft beter aan het licht treden.

KATALIN HERZOG

Deze column werd gepubliceerd in de KunstKrant, 19de jaargang, nr. 4, juli/augustus 2015, p.7